Ecce Philosophus

Ecce Philosophus

Met sprokkelingen, dit woord nam Leopold Flam al eens sappig in de mond’ opent Willem Elias met ‘Ecce Philosophus’ een lijvig eerbetoon aan deze Vlaamse vrijgeest, filosoof, essayist maar bovenal autonoom en excentriek denker die het (denk)leven van vele jonge adolescenten en studenten in de jaren ‘60 en ’70 van de vorige eeuw heeft beïnvloed. Soms ingrijpend en onder postume dankzegging maar soms ook op een wijze waar men op latere leeftijd niet meer aan wil worden herinnerd. Hoe het ook zij, leven en werk van Flam (1912-1995) is voor vele academici in Nederland terra incognita waar dit interessante boek met de fraai gekozen titel en talrijke verwijzingen naar belangrijke stromingen uit de 20e eeuw maar vooral naar Sartre en Nietzsche, na lezing veel aan kan veranderen. Willem Elias, Tom de Mette en Jean Pierre Vanhee hebben gedrieën de publicatie mogelijk gemaakt en gezien de omvangrijkheid waar deze biografie op stoelt zou ik de verwijzing van Elias naar de semiotici (die hem hebben geleerd dat de afwezigheid van iets ook een betekenis kan hebben) bijkans overbodig willen noemen.

Ecce Philosophus omslag
cover Ecce Philosophus

De ruim 500 pagina’s leveren naast de vele herinneringen uit diverse invalshoeken op zich al een kleine geschiedenis van de filosofie op. En over die te bestuderen filosofie blijkt nou juist veel gezegd en geschreven te zijn door de ongelooflijk hard werkende Flam. Om mezelf enigszins te beperken en in het kader van dit blog zal ik mijn focus leggen op de lijnen naar Friedrich Nietzsche die er rijkelijk zijn, niet alleen bij Flam maar ook bij de auteur van het eerste grote hoofdstuk, Willem Elias (hier verder WE), die niet onvermeld laat dat de uitspraak van Nietzsche ‘er zijn geen feiten, alleen interpretaties’ al lang geleden voor hem een lijfspreuk is geworden en als zodanig ook ten grondslag ligt aan de vele verhalen rondom Leopold Flam. Het ‘sprokkelwerk’ is dan ook een samenspel van dagboekaantekeningen, anekdotes die mits goed gekozen, ‘de geschiedenis kunnen kruiden zoals de aforismen van Nietzsche’ (Gilles Deleuze) en teksten uit de pen van Flam zelf. WE vertelt veel biografische feiten rondom het bewogen leven en de persoon Flam. Want dat diens leven als professor met Joodse afkomst en een persoonlijke geschiedenis in WO2 die er niet om liegt, getekend was door die ervaringen en deze eveneens hun weerslag in menig denkwerk en standpunten heeft gehad, staat buiten elke twijfel. In die context vereenzelvigde ik me in gepaste bescheidenheid maar desalniettemin met veel herkenning in de aantekening van WE ‘een filosoof die aan de legerdienst ontsnapt, verdient ook een ereteken’.

Al in 1944 schrijft Flam in het orgaan ‘Vrije Gedachte’ een verhelderend betoog over Nietzsche waarin hij de filosoof met de hamer (maar zonder sikkel, WE) ontdoet van de valselijke nationaalsocialistische propaganda die uit diens filosofie is gedestilleerd. Het is een prachtig relaas en laat niets mistigs overeind staan, zo ook niet met betrekking tot de Übermensch (‘…in hun oppervlakkigheid bemerken ze niet eens dat de Uebermensch geen leider is…’). Even daarvoor kunnen we lezen; ‘Het is niet toevallig dat juist deze oppervlakkige, bijkomstige kant van den eenzame van Sils-Maria een diepen indruk heeft gemaakt op de compagnie van gekken die nu over Duitsland  en een groot deel van Europa de plak zwaaien’.

Met veel oog voor detail omschrijft WE de stappen die Flam in de academische wereld van België weet te zetten. Al lezende deed het me soms aan ‘Onder professoren’ van W.F. Hermans denken waar competitiedrang en publicatiedwang maar ook basale drijfveren als gelding en jaloezie veelvuldig de revue passeren. Als lezer ontwaar je toch ook redelijk snel waar de drijfveer van Flam op gestoeld is; de maatschappelijke en academische erkenning van zijn existentie, zijn verhaal en levenslessen. Dat daarvoor door Flam paden zijn bewandeld die door menig collega uit zijn tijd als ongepast zijn ervaren moge zo zijn, het doel wil soms het middel wel eens heiligen. Vele anekdotes uit zijn tijd als hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel volgen en staven de bijzondere persoonlijkheid van de docent, ex-communist en vrijmetselaar Flam. WE illustreert enkele aspecten aan de hand van een brief die Flam aan de voorzitter van zijn Vrijmetselaarsloge stuurt. Het zijn terugkerende aspecten, of zoals WE schrijft een ‘vaak voorkomend stramien’ nl. goede en geestdriftige bedoelingen (en ontgoocheling daarvoor geen bijval te krijgen), de zelfkennis dat hij veel ‘babbelt’ maar eigenlijk met eenzaamheid kampt en als laatste dat hij berustend als slachtoffer troost zoekt in een filosofische werkzaamheid. Het laatste heeft er voor gezorgd dat tientallen boeken en essays uit zijn pen zijn ontsproten met titels zoals ‘Het huis van de wereld’, ‘De macht’, ‘Naar de dageraad’, ‘De eenzaamheid’, ‘Misschien…over de waarschijnlijkheid’, ‘Denken en existeren’ en ‘Fluisterende stemmen’ om er slechts enkele te noemen.

WE schuwt de kritische noot niet. Vaak zelfs een stevige en met enige literaire humor doorspekt. Zo valt er bijvoorbeeld als illustratie over de persoonlijkheid Flam die geen tegenspraak duldde te lezen hoe zijn tijdschrift “Aurora’ zich van vijandelijkheden buiten zijn eigen kring had ontdaan. WE: ‘(…)Professionele concurrenten waren er niet meer. Iedereen had ondertussen ingezien dat beloftes doen aan studenten of pas afgestudeerden omtrent zijn opvolging, één van de vele zottigheden van Flam was. Dat mag uiteraard. Zijn collega, Jezus Christus – via Nietzsche viel een sterk ‘ecce homo’ gehalte bij Flam te bespeuren – had zijn volgelingen zelfs de hemel beloofd. Ook Aurora kende bij mensenheugenis een einde eens de vlam van Flam uitgedoofd was.’ Of verderop in het boek krullen mijn mondhoeken wanneer ik lees ‘(…) daarvoor kan men het best te rade gaan bij Nietzsche, syndicalist voor de bouw van het leven: afbraakwerken, grondsaneringen en heropbouw’. 

Flam borduurde in de ogen van WE zijn leven teveel voort op zijn eigen filosofie. Blijkbaar leveren de antieke maar ook tijdloze teksten als ‘ken uzelf’ en ‘ken de mens’ voor menigeen wat blinde vlekken op. Het worden wie/wat je bent dat we ook kennen uit Nietzsches werk heeft zich misschien hier wel onopgesmukt getoond? Nietzsche staat in de rij van de door hemzelf genoemde ‘focale punten’, denklijnen die hem gevormd hebben, naast Kierkegaard, Tolstoj, Dostojevski, Stendhal, Flaubert, Zola en Proust. En met de net één dag oudere Louis Paul Boon (hij zal later in het boek nog zijn zegje doen) had Flam een bijzondere verhouding (‘….hij is eigenlijk geen schrijver. Ik lees het liefst alleen auteurs de geen schrijvers zijn’), dit laatste doelend op de vele literaire pretenties om hem heen.

‘Hij bleek in alles de verpersoonlijking van Nietzsches rijkelijk gevulde roemer die overstroomt.’
(voormalig student va 1969-1973)

Met een kleine persoonlijke bespiegeling over het ‘authentieke’ karakter van de biografische afsluiting – immers ook Flam zou het begrip ‘authentiek’ waarschijnlijk vanuit een etymologische invalshoek ter discussie hebben gesteld – rondt WE de beschrijving van het leven van Flam af. Dit doet hij o.a. met zijn eigen ontdekking van een boek uit de bibliotheek van zijn vader met de rugtitel ‘Zarathustra’. Met de ontdekking van dit boek dat ‘voor allen en niemand’ geschreven zou zijn,  de versie uit 1941 (vertaling H. Marsman), was voor WE de teerling geworpen. ‘De Grote Stromingen van de filosofie’ gedoceerd door ene Flam bleek een tijdje later een ware openbaring. De leermeester die voor de filosofie ‘het vuur aan de lont in gang heeft gestoken’, eerst smeulend maar daarna als een continu brandende kachel. Een mooie beeldspraak aangezien filosofische reflecties in de koudste momenten op eigenaardige wijze een verwarmende invulling van het moment kan geven. En sterk vanuit Nietzsche ontsproten bevestigt WE dat we uiteindelijk maar moeten geloven in datgene wat anderen denken te weten. Een welkome omschrijving van mijn eigen scepsis tegenover het ‘weten’ van de hedendaagse ‘filosoof’ die inderdaad liever de titel ‘filosofiehistoricus’ zou mogen uitdragen, gezien opleiding en diploma. Ook hier proeft de geduldige lezer van ‘Ecce Philosophus’ hoe de flam nog steeds in de pan kan vliegen want het is maar al te duidelijk in en tussen de zinnen te lezen hoe Nietzsche vanaf 1932 verantwoordelijk is voor de wanordelijke ravage in het existentiële denken van Flam. De vrije denker die hem leerde zichzelf buiten elk geloof te ontwikkelen nadat Spinoza hem al kritisch naar zijn eigen Joodse geloof had leren kijken en Marx hem had geïnspireerd om de wereld te willen verbeteren door voor de zwakkeren op te komen. Flam citerend uit diens ‘Filosofie is atheïsme’: ‘Atheïstisch is in de grond elke filosofie, daar zij nooit het geloof van de anderen aanvaardt of aanvaarden kan. Zij wenst immers alles zelf te funderen vanuit een eigen inzicht. Spinoza heeft zulks zeer duidelijk geformuleerd.’

De fenomenologie, Husserl, de hermeneutiek, het existentialisme en communisme, de scholastici, het post-modernisme, het neo-positivisme en structuralisme, Plato, Schopenhauer, Nietzsche, Kierkegaard, Sartre, Heidegger, Freud….veel en velen van naam en importantie kreeg een plek in het denken van Flam waarbij WE weet te melden dat de uitspraak van Pascal ‘le coeur a ses raisons que la raison ne connaît pas’ tot een van de favoriete uitspraken van Flam behoorde.

Gestaafd met vele biografische tegenslagen lezen we hoe Flam ongewild en wellicht onbewust, een fundament legde onder zijn levenslange fascinatie voor de mislukking. Als Nietzscheaan was hij bekend met diens fatum gedachten hetgeen hem veel heeft doen filosoferen over het fenomeen van vallen en opstaan, het steeds weer opnieuw beginnen om uiteindelijk vast te stellen dat men hoogstens niet veel meer dan een paar steentjes in de rivier heeft verlegd. In het grote beukenbos nabij Weimar, waar ik zelf al ettelijke keren ruim baan voor een onmetelijke verbazing heb gegeven, zijn veel jeugdige illusies van Flam in rook opgegaan. Een taalkundige link is hier gauw gelegd maar ook ongepast. Echter, een verklaring voor het fundament van de fascinatie behoeft niet veel Freudiaans onderzoek.

Willem Elias bij de beeldengroep in Röcken
Willem Elias bij de Nietzsche beeldengroep in Röcken

Met de open brief aan Leopold heeft WE een mooie vorm gevonden om vanuit een meta-positie zich afsluitend verbaal tot Flam te wenden. Wat gezegd moest worden komt eruit zullen we maar zeggen. Drie verwijzingen naar Nietzsche sieren de brief en vermeld ik hier graag: ‘ik (WE) wou eens op een andere manier ‘flamist’ zijn, zonder stroop om de mond te smeren aan je steeds keurig gladgeschoren kin. Ik vergeet de gedachte van Nietzsche niet, die je ons geregeld inpeperde, dat de leerling moet breken met de meester.’

Even verderop in dezelfde open brief: ‘Al bij al is dat postmodernisme een vorm van vrij denken waarbij de laatste zekerheden op losse schroeven werden gezet. Ja, met Nietzsche als groot voorbeeld. Ondertussen zijn de tijden weer veranderd in de richting van een nieuwe orde. Dat wist Nietzsche ons ook al te vertellen. ‘God is dood’ is niet zozeer de aankondiging van een bevrijding van een machtsfiguur, evenmin een nuchtere constatering, maar een verwittiging voor de surrogaten van God en goden zijn zelf al placebo’s.’ En op nr. 3: ‘Dat de ‘waarheid’ een onhoudbaar concept is omdat noch beeld, noch taal erin slaagt de werkelijkheid sluitend te vatten, dat had Nietzsche ons al geleerd.’

“Er zijn mensen in ons leven, wier geest in ons weerklinkt als een oude, in zee verdronken klok, in uren van grote nood”

Oud VUB-student, aldaar universitair docent, auteur en moraalfilosoof Jean-Pierre Vanhee (JPV) met een grote verdienstelijkheid in en kennis over de jeugdhulp, neemt in de ‘Ecce Philosophus’ het stokje van Willem Elias over. Je krijgt er bijna een beeld bij van de eeuwigdurende vlam die vanaf Olympia al eeuwen wordt doorgegeven. In zijn ‘monografie over het subjectdenken bij Leopold Flam’ ontdekken we weer totaal andere invalshoeken hetgeen het boek juist zo boeiend maakt. Ook hier stuiten we met grote regelmaat op de directe en indirecte invloed van Nietzsches vrijdenken. ‘Waar en wanneer slaat reflexiviteit om in narcisme of in eigenwaan omdat je denkt het beter te weten dan anderen?’ Of ben ik nu zelf aan het hineininterpretieren? Concreter wordt het wanneer JPV de doodsverklaring van God in een breder perspectief zet, namelijk de teloorgang van de metafysische opvatting dat de mens deel uitmaakt van een groter en goddelijk geheel, niet zozeer de hedendaagse secularisering (er zijn immers voldoend surrogaten voorhanden) maar de ontmaskering van elke absolute en universele waarheid. Gedeeltelijk verwijzend naar Peter Sloterdijk haalt JPV ook een gedachte van Nietzsche uit diens Zarathustra aan wanneer we in onze eigen reflectie in aanvaring komen met ons ‘ik’ dat de godganse dag overdreven bezig is met werk, sport, vrienden, kinderen, interessante cultuur en de onbenutte creativiteit. Het refereert aan het verhaal van de koorddanser hetgeen niet te verwarren is met ‘hoogmoed komt voor de val’ uit het Bijbelboek ‘Spreuken’. Over een strak horizontaal gespannen koord lopen en er niet vanaf vallen is al een uitdaging op zich, waarom het koord dan nog eens gevaarlijk hoog boven de grond ophangen? Wie de mens zoekt, zal acrobaten vinden. Elke verticale verklaring van ’boven’ is na Nietzsche niet meer opportuun en nee Jezus zal niet wederkeren, ook niet na een gemene val. 

JPV breekt gaandeweg een lans voor de filosofie door het als een vorm van mediatie op te vatten wanneer we een dagboek bijhouden of een andere zinvolle communicatie onderhouden door bijvoorbeeld te lezen, teksten, films, theater of muziek te bestuderen of eigen dan wel andermans’ talenten ontdekken. Flam leerde het hem en het is nu weer zo’n hartverwarmende (en ja soms troostende) vaststelling welke kracht er in een filosofische activiteit besloten kan liggen. Hij moet welhaast ook een beetje Flam bedoeld hebben wanneer hij hem citeert uit ‘Het innerlijk tehuis’ (1957): “Er zijn mensen in ons leven, wier geest in ons weerklinkt als een oude, in zee verdronken klok, in uren van grote nood”. 

Maar de act van filosoferen is niet alleen een vorm van meditatie. Is er niet sprake van een fundamentele stap in de zelfverwezenlijking wanneer de filosoferende mens de drukkende verlatenheid ondergaat? Het zijn de woorden van Flam immers ‘in de filosofie verheft de mens zich uit de alledaagsheid om te komen tot hervorming en ommekeer. Deze brengt de mens op ongewone banen waar eenzaamheid en miskenning, maar ook ontmoediging en wanhoop dreigen (…).’

De citaten waarmee JPV zijn interessante betoog over Flam opluistert maken nieuwsgierig naar de brontekst. JPV reflecteert verder op de beschouwingen van Flam die me overigens gaandeweg steeds meer aan Cornelis Verhoeven doet denken, met name in de originele wijze waarop een zekere verwondering en afstand voelbaar wordt. Ik geef nog een voorbeeld uit ‘Denken en existeren’ (1964): ‘Het geheel van het denken, willen, voelen noemen we het bewustzijn. Kenmerkend voor het bewustzijn is het zelfbewustzijn, dat een na-denken of reflexie is. Hierdoor is het bewustzijn streven, beweeglijk, willend. Elk denken is daarom tegelijk willen (horen we hier ook iets van Hannah Arendt? sp), nl. kiezen en beslissen tot het beamen van het gekozene. Denken is niet besluiteloos.’ Denken doen we in samenspraak met andere denkenden hetgeen een uitdaging is voor elke communicatievorm en waarbij JPV terecht opmerkt dat het daarbij niet zozeer om het vinden van de gelijkenissen gaat maar veeleer om de verschillen. Denken komt pas in een volkomen ontplooiing wanneer volgens Flam ‘de ene subjectiviteit de andere subjectiviteit ontmoet’. Niet identiek maar er ook niet helemaal vreemd van zichzelf. In die samenspraak ontstaat er etymologisch gezien een interessante verklaring voor het begrip bewustzijn dat in het Engels ‘conscience’ heet en zoveel betekent als con-scientia = samen weten. Het is een troostende maar ook waarschuwende gedachte in deze tijd waarin media-communicatie de boventoon dreigt te voeren op een directere vorm van communicatie zoals een dialoog of gesprek. Voor Flam zou het huidige tijdsbeeld dat keer op keer het kleurloze karakter van Babylonische verwarringen in intermenselijke communicatie laat zien, een reden van groeiend pessimisme kunnen zijn. Pessimisme dat al gevoed was door de ‘God is dood’ uitspraak maar ook zijn gepaste hoeveelheid vertrouwen in de ander vanwege zijn ervaring van de alom heersende ‘onzin, de harteloosheid, de onverschilligheid en overheersing van objecten, het niets’ (‘Zelfvervreemding en zelfzijn’, 1966). Of om het in andere termen van JPV te markeren: ‘Data religie, hoogtechnologische biowetenschappen, cognitief kapitalisme en massamedia die uiterst selectieve informatie communiceren hollen het uit.’ Is het dan de pessimistische optimist of de optimistische pessimist die in tijden waarin populaire boeken als ‘De meeste mensen deugen’ verschijnen, een appel wil doen aan de zelfstandig denkende eenling en vertrouwen te houden in de vrije geest? Inhoud en vorm zijn wellicht wat anders dan in de eeuw van Nietzsche, de portee blijft identiek.

Leopold Flam afb. 2
Leopold Flam

Ann Van Sevenant (AVS) bijt in de kloeke biografie de spits af in het tweede deel waar meerdere kortere bijdragen zijn samengebracht. Het is niet zo vreemd dat ze als oud student van de VUB, voormalig docent filosofie aan de Universiteit van Antwerpen en auteur van vele werken waaronder ‘Thus replied Zarathustra’enkele verwijzingen naar Nietzsche in haar betoog vervlecht heeft. Direct op de eerste pagina duidt ze de fascinatie van Flam voor Nietzsche; het concept van de leraar voor enkelingen die uit de massa worden weggelokt – dat Nietzsche in de creatie van zijn Zarathustra had gelegd – leeft volgens haar voort in de insteek van Flam: ‘De authentieke scheppingsdrang zet anderen aan mee te scheppen’ citeert ze haar voormalig docent uit diens ‘Wie was Nietzsche? Beschouwingen bij Alzo sprach Zarathustra’ uit 1960. Het is de drang naar zelfoverwinning voortkomende uit het bewustzijn van het denkende individu dat het bestaan altijd iets onvoltooids in zich draagt. Die overwinning, keer op keer zoals Nietzsche deze in verschillende gedaantes ten tonele heeft gevoerd, moet Flam aangesproken en aangespoord hebben. Als een boom die elk jaar weer nieuw bladerpracht aan de wereld toont (ik hoef maar naar buiten te kijken) is het voortdurend sterven een voortdurend herleven zoals Flam dat stelt in zijn Nietzsche boek. Nog een derde keer vergelijkt AVS Nietzsches Zarathustra met Flam, de ‘avonturier van de geest’. Nietzsche en zijn Zarathustra trokken zich uiteindelijk terug in een eenzaam en teruggetrokken bestaan. De woorden waren blijkbaar maar voor zeer weinigen toegankelijk. Daarentegen bleef Flam, ook na het zware verkeersongeval dat hem in 1980 overkwam, volharden in een actieve rol in de academische wereld van de filosofie. Publicaties, voordrachten en zelfs een dagboek, samen genoeg voor nog ontelbare wanordelijke mappen vol die, lezen we later, nog in grote getale uitgezocht dienen te worden. AVS sluit af met de Flam-baromter die uit vijf aandachtspunten bestaat: de relatie leerling-leraar waar Flam een soort mentorschap vervulde, het belang om studenten aan te sporen in het openbaar te spreken en te schrijven, het engagement voor het leven (het ja-zeggen uit Nietzsches vocabulaire), het interdisciplinair denken door in de beschouwing een relatie met literatuur, de kunsten, film en muziek te leggen en tot slot een beroep op de individuele verantwoordelijkheid. Woorden die als muziek in mijn oren klinken. Ook in die van AVS wanneer ze de hoop uitspreekt dat deze barometer een leidend instrument kan zijn in crisistijden waarin slaafsheid maar ook faam, roem en geld de boventoon voeren.

‘Nietzsche was geen politieke geest en hij had geen onmiddellijke politieke doeleinden’

In een bijdrage van Karel Van Dinter (KVD), o.a. geestelijk vader van de uitgave ‘Van Plato tot Pinxten: 38 vrijdenkers over hun lijfboek (Humanismen)’ vinden we nóg meer Nietzsche, met name in relatie tot de politiek en specifiek in de verbinding van Nietzsche met het nazisme. Hij volgt Nietzsche in de werken van Flam tussen grofweg 1955 en 1969 en confronteert de lezer met de visie van Flam op de vermeende politieke verbinding die Nietzsche met het nationaalsocialisme zou hebben. ‘De bezinning van Nietzsche, de eenzame (…) is geen politiek manifest, ze zoekt zichzelf, tracht voor zichzelf tot klaarheid te komen’ (‘Nietzsche, wijsgeer van de voornaamheid’ uit 1955). Nietzsche komt volgens Flam hoogstens door zijn irrationele gedachtewereld  voor in het rijtje van denkers die in meer of mindere mate een verbinding met het nationaalsocialisme hadden (Bergson, Heidegger, Spengler, Klages). Flam pleitte Nietzsche vrij al voordat in Duitse academische kringen die weg werd ingeslagen. Meerdere verwijzingen naar ‘Nietzsche’ uit 1955 staven de visie van Flam op de misinterpretatie van de nazi’s op het werk van Nietzsche. Het nodigt uit dit boekje van Flam ergens op de kop te tikken. 

KVD memoreert de kritische houding van Nietzsche tegenover hetgeen hij (KVD) universiteitsfilosofie noemt. Een allergie die bij meerdere geestelijk vaders van Flam zoals Sartre, Camus, Schopenhauer, Kierkegaard, voorkomt. KVD citeert uit Flam’s ‘Nietzsche’ meerdere passages die aangaande de academische positie van de filosoof niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. Ik herhaal een kort fragment: ‘de philosoof leeft op hoogten en is op de hoogte van de mens, daarom bestaat hij authentiek, is hij een existentiële mens, die geen functie of functionaris is (…) het is een hartstochtelijke deelneming aan het lot van de mens (…).’ Woorden die aansluiten bij die van Hannah Arendt toen ze in een radio uitzending uit 1969 stelde: ‘Der Philosoph, der in die Öffentlichkeit eingreiffen will, ist kein Philosoph mehr, sondern ein Politiker; er will nicht mehr nur Wahrheit, sondern Macht.’

Leopold Flam afb. 1
Leopold Flam

‘Ecce Philosophus’ wordt vergezeld van meerdere zwart/wit foto’s die een beeld geven van auteurs, Flam zelf en de academische tijd van weleer. Enkele hoofdstukjes zijn weliswaar interessant om te lezen maar in het licht van deze Nietzsche website minder relevant. Wel is het interessant om te vernemen dan in het Letterenhuis in Antwerpen nog onmetelijke stapels archieven ‘Flam’ liggen te wachten om verder uitgezocht en gerubriceerd te worden. Volgens auteur Leopold Laarmans die ook een korte virtuele dialoog met Flam opvoert, zal het bij die ‘opruimwerkzaamheden’ niet lang duren voordat er ‘pareltjes van filosofie en filosofiebeleving’ tevoorschijn zullen komen. Een tipje van de sluier is een interview met zichzelf dat Flam aan zijn dagboek toevertrouwde en waarin we o.a. kunnen lezen welke romanhelden hem aan het hart liggen; Barazov uit ‘Vaders en zonen’ van Toergenjev en Karamazoff (met dubbel f) uit de ‘Gebroeders Karamazov van Dostojevski. Hoe mooi! En wie de werken kent zal zich er niet over verbazen.

En ja, daar komt tóch Cornelis Verhoeven voorbij, de Nederlandse denker die ik al eerder op deze website aandacht gaf (‘Vergeet de zweep niet’) en die ik bovenstaande al even aanhaalde. Verhoeven schrijft in zijn ‘Parafilosofen’ over Flam o.a.: ‘Hij vereert de filosofie niet van buiten af, maar van binnen uit (…) het denken van Flam kenmerkt zich door een soort van Nietzscheaanse norsheid (…). De stijl van Flam is boeiend, driftig en van een ongekende authenticiteit en integriteit (…). Ook Ralph Bisschops beklemtoont in zijn bijdrage ‘Leopold Flam, het Jodendom en de Kabbala’ de uitzonderlijkheid van Flams denken en in het bijzonder de reikwijdte van de ‘God is dood’ gedachte voor Flam. Hij refereert in dat kader ook aan een genoteerde Flam-gedachte uit ‘Denken en existeren’‘De filosofie kan geen stelsel zijn, geen leer meer zijn. Het klassieke denken is logisch opgebouwd zoals een huis. Er wordt van de filosoof samenhang geëist en universaliteit, de gedachte moet algemeen zijn, toepasselijk op alle feiten van dezelfde aard. (…) De eerste denker die hieraan een einde stelde was Nietzsche.’

De samenstellers van ‘Ecce Philosophus’ zullen niet voor niets de kers op de taart tot het laatst bewaard hebben. Eliza Muylaert leidt het neologisme ‘étrangement’ van Leopold Flam in, een begrip dat Flam hanteerde in zijn befaamde lezing uit 1972 dat een jaar later verscheen in ‘Nietzsche aujourd’hui’ met de titel ‘Solitude et ‘étrangement’ de Nietzsche dans la Pensée de Heidegger’. Het laatste hoofdstuk is dan dit werk van Flam, vertaald door Eliza Muylaert. Hierover ga ik hier verder niet uitweiden aangezien dat enerzijds bijna een herhaling van 25 pagina’s zou dreigen te worden en anderzijds de uitdaging mag zijn om dit boek ‘Ecce Philosophus’ ter hand te nemen en zélf te ondervinden welk een bijzonder denker en mens met de dood van Flam in 1995 is heengegaan. Met dank aan de samenstellers dat zij dit kritische eerbetoon in druk het levenslicht hebben gegeven.

ECCE PHILOSOPHUS, leven en werk van Leopold Flam, VUBPRESS (Academic and Scientific Publishers), 2021

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *