The moral meaning of nature. Nietzsche’s Darwinian religion and it’s critics.

The moral meaning of nature. Nietzsche’s Darwinian religion and it’s critics.

Een recensie uit handen van Philippe Lepers. Een boek dat naar zijn zeggen een ambitieus en interessant project is. Een boek dat zoals Philippe Lepers maar ook auteur Peter Woodford (‘research associate’ in Cambridge) zelf ook beaamt, het midden houdt tussen geschiedschrijving en filosofie. Veel denkers komen voorbij in het boek van Woodford, uiteraard allemaal met de verbinding naar Nietzsche. Ook zijn vriend Overbeck krijgt daarmee een plaats in dit boek.

Peter Woodford, ‘research associate’ in Cambridge, onderzoekt in deze studie de invloed van Darwins evolutietheorie op de Duitse filosofie eind negentiende, begin twintigste eeuw en bespreekt daartoe vier denkers: Friedrich Nietzsche, Franz Overbeck, Georg Simmel en Heinrich Rickert. Wat hem daarbij vooral interesseert, is de invloed van het nieuwe verstaan van biologisch leven op hun ideeën over moraal, wetenschap en religie. Hij gelooft dat dit onderzoek ook vandaag een verrijkend perspectief kan aandragen. Tegenwoordig is men immers nogal geneigd om vooral de vraag te stellen naar het evolutionair voordeel, terwijl de besproken denkers de in ethiek en religie ingebedde waarden in functie zagen van zaken die op zich van belang waren. Zij wilden ook onderzoeken in welke mate wetenschap in dienst kon staan van het leven, maar vatten dat ruimer op dan ‘puur overleven’. Ook dachten zij duidelijk teleologischer dan de huidige neo-darwinistische denkers. Verder speelde ook de discussie rond de door Hume in het leven geroepen kwestie van de ‘is-ought fallacy’ een niet onbelangrijke rol. Woodford ziet Nietzsche, Overbeck en Simmel als typische vertegenwoordigers van de ‘levensfilosofie’ (term van Rickert en Scheler), waarvan Schopenhauer een belangrijke voorloper was. Rickert daarentegen was een neo-kantiaan, die de natuur en het rijk der waarden als twee fundamenteel verschillende werelden zag. 

Het eerste hoofdstuk gaat over Nietzsche, die Woodford beschouwt als iemand die sterk door Darwin beïnvloed werd en hem toch vooral apprecieerde. Hij noemt Zur Genealogie der Moral bijvoorbeeld ‘Nietzsches darwinistisch meesterstuk’ (p. 23) of diens stelling dat het leven iets essentieel amoreels is (GT Versuch 5) de zin die bij uitstek laat zien dat Nietzsche zijn project van ‘herwaardering der waarden’ gevalideerd vond in Darwins evolutieleer. Vooral drie vragen hielden Nietzsche volgens Woodford bezig: hoe kunnen morele waarden vanuit een amorele natuur oprijzen? – als die waarden het leven en de wereld niet bevestigen wat doen ze dan? – hoe is een bevestiging van die wereld mogelijk? Voor zover Nietzsche ook vragen stelde over de zin van de wereld in haar totaliteit, noemt hij hem ook een religieus denker. Woodford weet dat het niet zeker is of Nietzsche Darwin gelezen heeft, maar stelt dat hij wel een aantal Duitse biologen las die dat wel (zij het kritisch) gedaan hadden en dat hij de discussies rond het darwinisme volgde. Maar Nietzsche interpreteerde het leven toch vooral teleologisch: als een alles bepalende dynamiek die gericht was op het leven zelf maar dan niet in de zin van een streven naar adaptatie en zelfbehoud. Bovendien hanteerde hij het leven als een normatief criterium. Hij was ook beïnvloed door Burckhardt, die gesteld had dat de cultuurgeschiedenis er vooral op gericht moet zijn om de geestesgesteldheid en ‘levende energieën’ te begrijpen die die cultuur geschapen hebben. Nietzsches denken werd getekend door een aantal spanningen: hoe zit het met de status van de stelling zelf die zegt dat waarheidsclaims als symptomen gedacht moeten worden? – op basis waarvan kan Nietzsche het leven als ‘waarde’ naar voren schuiven als waarden waar noch vals zijn? Hij kwam daarbij onder meer met de idee dat ‘waarderen’ een facet van het leven zelf was. Wat het christendom betreft bood Nietzsche in Zur Genealogie ‘een rijk gedetailleerde naturalistische, darwinistische theorie van de religie’ (p. 41). De christelijke ascetische moraal was enerzijds een product van het leven en anderzijds levensvijandig. Die paradox loste Nietzsche op door te zeggen dat de oorsprong van het christendom een vorm van verziekt leven was. Zijn ‘herwaarderingsproject’ was erop gericht het leven weer te richten op haar eigen ontplooiing en zo de basisconditie voor menselijke bloei en ontwikkeling kon worden. Maar ook de waardevrije wetenschap zag hij als een product van ascetisme. Kennis moet in dienst van het leven staan.

Het tweede hoofdstuk is gewijd aan Overbeck, die volgens Woodford ook in de darwinistische biologie zijn inspiratie vond om het lot van de godsdiensten te beschrijven in hun geboorte, ontwikkeling en verval. Het duidelijkste bewijs hiervoor ziet Woodford in een passage waarin hij die stadia vergelijkt met de ontwikkeling van een boom. Overbeck zag een fundamenteel conflict tussen de academisch-wetenschappelijke benadering van religie en het perspectief vanuit vitale interesses. Enerzijds was hij een duidelijke verdediger van vrijheid en autonomie als waarden, de basis voor wetenschappelijk onderzoek, anderzijds geloofde hij niet dat rationele kennis de basis kon vormen voor levend geloof. In die zin waren theologie en wetenschap voor hem ook twee totaal verschillende dingen en verwierp hij pogingen om een levensbeschouwing of religie te baseren op of verzoenen met wetenschappelijke visies (cf. Lagarde en Strauss). Sommigen hebben gezegd dat Overbeck hier vooral door de lens van het Duitse romanticisme en idealisme keek, maar volgens Woodford mist men dan ‘de organische dimensies’ (p. 69) van diens denken. Religie is geen kwestie van wetenschappelijke kennis, maar van een bepaalde kijk op het leven. In dat opzicht spreekt Woodford van Overbecks ‘vitalisme’. Het project van historisch onderzoek op het vlak van religie was volgens hem, in zijn inaugurale rede, een product van het protestantisme, dat de waarde van individuele vrijheid sterk had beklemtoond. Hij was duidelijk een aanhanger van het evolutiedenken, voor zover hij dacht dat een religie iets kan worden wat het oorspronkelijk niet was. Maar hij verwierp de Hegeliaanse geschiedenisopvatting, omdat hij niet geloofde dat evolutie altijd in opgaande lijn gaat. In het spoor van Nietzsches ‘darwinistische Genealogie’ stelde Overbeck dat het christendom oorspronkelijk een vorm van wereldverwerpend ascetisme was. Maar hij stelde dat die ontstaan was vanuit de apocalyptisch verwachting van een nakend einde van de wereld en de wederkomst van Christus. Dit alles lag aan de basis van het ontstaan van het ascetisme dat bijvoorbeeld bij de woestijnvaders zichtbaar was, een stelling die volgens Woodford historisch niet klopt, omdat het buitenwereldse ascetisme al precedenten had in de Grieks-Romeinse filosofie en cultuur. Maar vanuit puur wetenschappelijk oogpunt kan het ascetisme niet veroordeeld worden en volgens Woodford was Overbeck toch in de eerste plaats een ‘levensfilosoof’ (p. 69) die wetenschap weliswaar belangrijk vond, maar toch vooral focuste op het belang van de vitale interesse voor de waarde van het leven. Woodford besteedt ook aandacht aan Overbecks onuitgegeven Kirchenlexicon, waaruit zijn ‘biologisme’ nog duidelijker blijkt, omdat hij daar uitdrukkelijk zegt dat het christendom te vergelijken valt met een organisme dat ontstaat, bloeit en vergaat. In tegenstelling tot Nietzsche ziet hij de heroïsche affirmatie van het leven dan ook eerder als een ‘jeugdige fase’ die voorbijgaat. “Terwijl Nietzsche in de darwiniaanse natuur een triomferende bevestiging zag van de levensbevestiging die hij zocht, beveelt Overbeck de attitude aan van de antieke scepticus – het oordeel over de vraag naar de waarde van het leven uitstellen en op die manier rust vinden” (p. 73). Wat de toekomst van het christendom betreft, zegt Overbeck dat wanneer we liefhebben, we dat niet doen op basis van een rationele verantwoording. Dat men het christendom is beginnen te verdedigen, zou dus kunnen betekenen dat ware religiositeit niet meer mogelijk is. Soms verweet en verwijt men Overbeck dat hij het vroege christendom als norm nam voor het actuele christendom, maar volgens Woodford wilde hij enkel de verschillen laten zien, ook al spreekt uit zijn teksten enige nostalgie naar de ascetische ontwaarding van het leven omdat die getuigde van een eerlijke erkenning van de eindigheid. En eerlijkheid was de overkoepelende waarde bij Overbeck. Volgens Woodford leek hij het vrijheidsprincipe en de waarde van wetenschap ook een vitalistische oorsprong toe te kennen en verkeerde die wetenschap in zijn tijd in de fase van jeugdige uitbundigheid.

Hoofdstuk 3 van het boek gaat over Georg Simmel die volgens velen eveneens evolueerde van een darwinistisch-naturalistisch denken over een neo-kantiaanse periode naar een biologisch geïnspireerde levensfilosofie. Maar Woodford wil de continuïteit benadrukken en stelt dat hij steeds verder gebouwd heeft op de vroege darwinistische fase. Simmel zal blijven betogen dat “de bronnen van waarde liggen in de pre-rationele, instinctieve kenmerken van evoluerend leven” (p. 81). Hoewel Simmel een breed spectrum aan thema’s behandelde, is het juist het concept ‘leven’ dat die diversiteit verenigt. Simmel stelde al in 1907 dat Nietzsche Schopenhauer ‘gedarwiniseerd’ had door diens wilsconcept te verbinden met de idee van eindeloze verandering van organische vormen doorheen de geologische tijd. Het was Darwin ook die volgens Simmel Nietzsche inspireerde om in plaats van Schopenhauers streven de wil uit te schakelen, te pleiten voor het streven naar ‘meer leven’, naar groei. Hij zag dit als de ‘telos’ van de natuur als geheel. Simmel meende dat Nietzsche het Sein-Sollen probleem wilde oplossen via de idee dat de natuur een betekenis heeft voor het leven, maar stelde dat Nietzsche daarmee in een vicieuze cirkel terechtkwam. Simmel zelf zag natuur en waarden als twee onherleidbare sferen. Alle vormen van cultuur (ook religie) ontstaan weliswaar vanuit natuurlijke krachten, maar die kunnen op een bepaald niveau het biologische overstijgen naar een autonoom niveau, dat niet meer vanuit dat biologisch perspectief begrepen kan worden. Dit getuigt volgens Woodford van darwinistische invloed: het leven is een creatief proces dat altijd kan leiden tot weer nieuwe levensvormen. Hij besluit dat Simmel de climax betekent van Nietzsches poging om filosofie en Darwin met elkaar te verbinden.

In hoofdstuk 4 bespreekt Woodford het denken van de neo-Kantiaan Heinrich Rickert, die biologisch denken, darwinisme en levensfilosofie kritisch onder de loep nam. Hij verweet de ‘levensfilosofen’ een gebrek aan conceptuele helderheid en zag waarheid als het enige criterium om de waarde van ideeën te beoordelen. Volgens hem kon biologie ook nooit een zijnsleer funderen, omdat niet alles in de wereld leeft. En biologische concepten moesten in zijn ogen altijd waardenneutraal zijn. Men mag zich niet laten misleiden door het feit dat descriptieve begrippen zoals ‘ziekte en gezondheid’ ook een normatieve betekenis kunnen hebben, en denken dat men er daarom ook evaluatieve conclusies uit mag trekken. Wie ‘leven’ als waarde ziet, doet dit volgens Rickert altijd omwille van andere, daar achter liggende waarden. Ook meende hij dat de levensfilosofieën kunnen leiden tot quietisme, oppervlakkig optimisme of zelfs nihilisme: als alles door het leven gebeurt, is alles ook zoals het zou moeten zijn. Ook vond hij dat de levensfilosofen zichzelf tegenspraken door enerzijds te stellen dat de waarheid in dienst van het leven moet staan maar anderzijds diezelfde stelling te poneren als iets dat op zichzelf waar was en dus boven het leven uitsteeg. Sein en Sollen zijn van elkaar gescheiden door een onoverbrugbare kloof. Weliswaar verwierp Rickert de idee dat objectieve waarheid erin bestaat dat een gedachte overeenkomt met een van de geest onafhankelijke wereld. In plaats daarvan was het volgens hem de overeenkomst tussen een voorstelling en de epistemologische normen die aangenomen worden om van geldige kennis te kunnen spreken. In die zin verwierp hij, net als de Nietzscheanen, de gedachte dat theoretisch onderzoek waardevrij is, maar bestreed hij de idee dat die waarden een biologische grondslag hebben. In plaats daarvan stelde hij dat het om transcendentale voorwaarden voor kennis ging. En wat de vraag naar de zin van het leven betrof, meende hij dat die eveneens geen band had met biologische processen, omdat die vraag enkel bij rationele wezens kan voorkomen. Het is de rede die streeft naar vervulling (‘Vollendung’) van allerlei basale menselijke mogelijkheden. Dit geldt ook voor de religie, die gericht staat op het overstijgen van het menselijk perspectief. Maar Rickert ondervond heel wat kritiek op zijn strakke scheiding tussen biologie en rede. In zijn late essays beweerde hij dat een verzoening tussen Sein en Sollen het postulaat veronderstelt van een ‘waarderealiteit’ (Wertwirklichkeit), een metafysische eenheid van waarde en werkelijkheid, iets dat onbewijsbaar is en waar men enkel in kan geloven. 

In zijn besluit stelt Woodford dat zijn overzicht heeft laten zien dat er in het post-kantiaanse en post-hegeliaanse Duitsland verschillende antwoorden waren op de filosofische en existentiële vragen die door Darwins evolutietheorie werden opgeroepen. Hij vat de posities van de vier behandelde denkers nog eens samen. En hoewel hun posities overschaduwd werden door de fenomenologie, bleven ze toch invloed uitoefenen op latere figuren zoals Hans Driesch, Helmuth Plessner, Jacob von Uexküll, Scheler, Bergson, Husserl en Heidegger. Toch oordeelt hij dat de Nietzscheanen uniek waren in hun streven om Darwin te verbinden met ethische en metafysische vragen. Hij stelt dat het feit dat Nietzsche zijn immoralisme baseerde op filosofische consequenties van de biologie een hoofdreden is voor zijn blijvende rol in de actuele filosofie. Hij meent ook dat de vraag naar de plaats van teleologie in de biologie tegenwoordig te weinig wordt gesteld, omdat men het enkel heeft over adaptatie of reproductief succes. Uitzonderingen zijn Thomas Nagel, Michael Thompson en Filippa Foot. Zij volgen Nietzsche weliswaar niet zomaar, maar hun denken laat wel zien dat de filosofische kwesties die hij aankaartte, nog steeds actueel zijn. Ten slotte noemt hij drie zaken die uit deze studie gehaald kunnen worden en de actuele debatten kunnen inspireren. 1. De vraag of feit en waarde wel zo strikt gescheiden kunnen worden. Ook het streven naar een waardevrije wetenschap is op zich immers ook een ideaal en een waarde. 2. De manier waarop de besproken denkers religie benaderden was veel ruimer dan enkel de vraag of God bestaat of niet. Zij stelden de vraag naar de waarde van religie voor het leven. 3. Deze denkers poneerden verder dat antwoorden op de vraag naar de zin van het leven niet bij de wetenschap gevonden kunnen worden. Woodford oordeelt dat vooral heel wat populariserende literatuur vandaag echter op een al te oppervlakkige manier meent de religie te kunnen neersabelen op basis van wetenschappelijke argumenten. 

Dit boek is een ambitieus en interessant project. Het houdt het midden tussen geschiedschrijving en filosofie, zoals de auteur ook zelf zegt in de inleiding. Het is een mooi idee om te proberen lijnen te ontdekken in het denken in een bepaalde periode en zich te verdiepen in de ‘levensfilosofie’ en de kritiek die erop uitgeoefend is. Woodford heeft veel materiaal verwerkt en verwijst naar veel denkers die vaak enigszins vergeten zijn. Maar misschien is het hele concept wel wat té ambitieus: al dat materiaal en al die denkers grondig bestuderen binnen een toch tamelijk kort bestek is wellicht te hoog gegrepen. De lezer krijgt dan ook de indruk dat Woodford alles toch min of meer geforceerd binnen een bepaald kader wil wringen dat hij vooraf al heeft bedacht. Ik ben zelf niet bekend met het werk van Simmel en Rickert, maar wat Nietzsche en Overbeck betreft komt zijn voortdurende streven om hen als darwinisten te willen bestempelen op zijn minst overdreven over. Het is niet omdat zij ideeën hebben over evolutie en ontwikkeling of botanische metaforen gebruiken, dat we daaruit mogen afleiden dat ze door Darwin geïnspireerd waren. Het is duidelijk dat Nietzsche niet veel positiefs over Darwin gezegd heeft en dat hij eerder door Schopenhauer en de antieke cultuur beïnvloed was. Woodford toont Nietzsches ‘darwinisme’ eigenlijk ook niet aan, want hij baseert zich nauwelijks op enige tekstanalyse. En het is niet omdat Overbeck meende dat religie niet vanuit rationaliteit kan vertrekken dat hij ook een vitalist genoemd kan worden. Wie Overbeck leest krijgt eerder de indruk van een nogal afstandelijke historicus, die zich niet erg bezighield met ethische of existentiële stellingnames. Hij wil enkel beklemtonen dat wat de liberale theologen van zijn tijd ‘christendom’ noemen, ver afstaat van wat dat christendom oorspronkelijk was en dat het een illusie is om te denken dat men via historisch onderzoek het geloof nieuw leven in kan blazen. Woodford bedankt in zijn nawoord weliswaar Andreas Urs Sommer, maar het is de vraag of die laatste wel zo gelukkig zal zijn met Woodfords conclusies. Ondanks alles bevat dit boek erg veel interessant materiaal, raakt het veel belangrijke filosofische kwesties aan, laat het ook zien hoe de ‘levensfilosofie’ ook vandaag iets kan betekenen en toont het wat Nietzsche betreft nogmaals hoe de vraag hoe diens ideeën over natuur en realiteit tot een vorm van ethische normativiteit kunnen leiden nog altijd een belangrijk en niet op een bevredigende manier opgelost punt van discussie is.

  • Er is een primaire en secundaire bibliografie, een naam- en zaakregister. De noten staan achteraan in het boek.

Philippe Lepers.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *