Nietzsche und die Postmoderne

Nietzsche und die Postmoderne

Een uitgave van het Leipziger Universitätsverlag uit 2012 besproken door Johan de Jong.

______________

André REICHERT, Jaime de SALAS, Ulrich Johannes SCHNEIDER, Nietzsche und die Postmoderne. Leipzig: Leipziger Universitätsverlag GmbH, 2012. 230pp.

=============================================================

De bijdragen in deze bundeling zijn vooral verbonden door hun min of meer toevallige aanleiding: het is een publicatie van artikelen van Duitse en Spaanse deelnemers aan een workshop in Leipzig in 2010, getiteld “Der Philosoph, der Intellektuelle und die Postmoderne. Nietzsche und sein Einfluss auf die Philosophie.” Dat was de twaalfde editie van een conferentie georganiseerd vanuit de Fundación Xavier de Salas, waarvoor het idee tijdens de elfde editie ontstond, die ging over “Adorno und die Moderne.”

Kortom: er is geen thematische eenheid die de gebundelde artikelen verbindt. Het zeer korte voorwoord tracht die ook niet alsnog te verlenen. De ‘Postmoderne’ uit de titel verwijst niet naar een “vergangene Epoche”; het gaat de schrijvers om Nietzsches “Wirkung” nu, om zijn werken als ook nu nog “tätig.” Niettemin wordt geen poging gedaan om de toevalligheid van de verzameling, en het gebrek aan inhoudelijke urgentie ervan, te verhullen: “Dies ist nicht das erste Buch über Nietzsche und die Postmoderne, es wird auch nicht das letzte sein.” Van het daardoor nogal uiteenlopende karakter van de teksten wordt gesteld dat dit ook wel bij Nietzsche past.

De artikelen zijn gerubriceerd onder drie titels. Het eerste deel heet Strategische Aufnahmen und hergestellte Nähen. Hier vinden we een artikel over Nietzsche en Wittgenstein (door Núria Sara Miras Boronat, over parallele opvattingen van Lebensformen), een over Nietzsche en Marx (door Martin Eichler, over Nietzsche en Marx als moderniteitscritici die verschillende concepties van Gabe articuleren, een bij uitstek Frans thema dat dan ook uitgewerkt wordt vanuit Mauss, Bataille, Lyotard en Derrida), en het openingsartikel getiteld “Die fröhliche Wissenschaft der Kulturindustrie. Zur Aufnahme Nietzsches im spanischen Kulturraum der siebziger Jahre” van Sandra Santana. Dit laatste behandelt een origineel en interessant thema: in de Spaanse cultuur was Nietzsche al vroeg invloedrijk, maar tijdens de hoogtijdagen van het marxisme eind jaren ’60 van de 20e eeuw verdwijnt Nietzsche naar de achtergrond. Santana beschrijft relevante maatschappelijke ontwikkelingen, de relatie tussen Spaanse interpretaties en de nieuwe jonge Franse garde, en kijkt vervolgens vooral naar wat werk van twee voorlopers van wat in de jaren ’70 als Spaans “Neo-Nietzscheanismus” werd gezien: Eugenio Trías en Fernando Savater (beide destijds nog geen 30 jaar oud). Opvallendste conclusie is dat de neo-nietzscheanen een belangrijke rol hebben gespeeld in de Spaanse overgang naar democratie.

In deel 2, Mit Nietzsche die Postmoderne denken, doet de titel van de bijdrage van Andreas Urs Sommer (“Philosophische Horizonte und historische Problemfelder. Ein Kommentar zu Nietzsches Götzen-Dämmerung”) vermoeden dat hij Nietzsches eigen tekst zal becommentariëren, maar zijn ‘commentaar’ is in feite een korte meditatie op wat commentaar eigenlijk is of dient te zijn, om uiteindelijk uit te komen op betrekkelijk bekende en nogal algemene postmoderne theses over tekstualiteit. De andere artikelen gaan – meer dan over Nietzsche zelf – over Deleuze, Malabou, Bataille. André Reichert beschrijft Deleuze’s relatie tot Nietzsche rond het thema “Verrat” (Nietzsche als ‘verrader’ en Deleuze op zijn beurt als verrader van Nietzsche), Christian Driesen (“Dionysos und der Wahnsinn der Plastizität”) trekt een vergelijking tussen de “Energetik” van Nietzsches levensbegrip en Malabou’s “plasticiteit,” en Carlos Marroquin bespreekt de rol van Nietzsche in de totstandkoming van Georges Batailles Acéphale, dat zowel de naam is van een tijdschrift (5 nummers tellend, verschenen tussen 1936 en 1939) als van een door Bataille eveneens opgericht geheim spiritueel/mystiek/mythisch genootschap. Laatste artikel van dit deel is Vicente Serrano’s “Nietzsche, Gloalisierung und Philosophie.” Die tekst gaat niet echt over globalisering, maar stelt dat Nietzsche een ethiek vertegenwoordigt ten gunste van de macht maar ten koste van het individuele leven. Dat is niet onorigineel, maar het artikel wil tonen waarom dit zo belangrijk is geweest voor “unsere Theologen der Gegenwart, die sogenannten postmodernen Philosophen,” en dat doet in een dusdanige vogelvlucht langs Lyotard, Rorty, Derrida en Foucault (onderwijl in een veel te kort bestek veel te grote vragen aanrakend) dat de these nooit aannemelijk wordt en de tekst gedoemd is tot oppervlakkigheid. Hetgeen zeer teleurstellend is voor een zo gepokte en gemazelde auteur als Serrano. 

Het laatste deel, Mit Nietzsche über die Postmoderne hinaus, bevat drie meer speculatieve teksten. Volker Caysa’s langere “Nietzsches Lebenskunst und die Philosophie der Macht” beschrijft de verschillende betekenissen van macht en hun rol binnen Nietzsches levenskunst. Caysa bespreekt onder andere Nietzsches ‘cultuuraristocratie,’ avant-gardisme, en het belang van zelfbeheersing en exemplariteit. De tekst is rijk, maar omzeilt ook iets te eenvoudig de ongemakkelijke aspecten van Nietzsches levensfilosofie. De rol daarvan (zoals Nietzsches militante afkeer van zwakte en zwakkeren) wordt alleen aan het eind vragend gepostuleerd, binnen een anderszins toch vrij onproblematisch als aantrekkelijk gepresenteerd beeld van Nietzsches levensfilosofie. Konstanze Schwarzwald vertrekt vanuit Paul Virilio’s notie van een dromologie: een “Theorie der Geschwindigkeit” die de postmoderne wereld pessimistisch begrijpt vanuit de exponentieel toegenomen snelheid van de moderne techniek. Vanuit dit kader beschouwt Schwarzwald het “Spannungsfeld” tussen de “Dromokrat” (Nietzsches “laatste mens,” als “unaufhaltbares, sich rein quantitativ verbreitendes Negativum”) en de “Dromosoph” (Nietzsches Übermensch). De tekst is speculatief, erg duidelijk in een postmodern register geschreven, en gaat meer over Virilio dan over Nietzsche. In het lange afsluitende artikel stellen Alexandra Schauer en Robert Zwang eindelijk de meest voor de hand liggende vraag: of (ze vragen niet: in welke mate) Nietzsche als “ein Postmoderner avant la lettre” moet worden gezien. Het antwoord dat zij geven is ja. Ze werken dat uit door te tonen hoe Nietzsche “zwei Enden der Moderne” (grofweg: twee mogelijke reacties op de dood van God) al voorzag in zijn werk. Deze twee einden zijn tragedie (hegeliaans ‘ongelukkig bewustzijn’) en komedie (‘vrolijke wetenschap’ die losjes met postmoderne speelsheid wordt geassocieerd). De auteurs tonen vooral hoe een bepaald idee van postmodernisme in Nietzsches teksten herkend kan worden, en minder wat dit betekent voor onze tijd. Niettemin doet dit artikel wel het meest van allen recht aan de verwachtingen die de titel van de bundel opwekt.

Johan de Jong

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *