Nietzsche in Italiaanse handen

Nietzsche in Italiaanse handen

A capella zang, een glas sekt en vier charmante dames getooid in roze jurken, de kleur die de verbinding legt met het logo van het jaarthema 2022 ‘Sprache’ van de Klassik Stiftung Weimar. ‘Wat zouden Nietzsches gedachten en gevoelens hierbij zijn geweest?’ ging door mijn hoofd. ‘Of die van Giorgio Colli en Mazzino Montinari?’ De Nederlandse lezer die wat meer de diepte van Friedrich Nietzsche heeft verkend weet dat ik het over de twee Italianen heb die in de jaren ’60 de  ongelooflijke uitdaging zijn aangegaan om een ‘Kritische Gesamtausgabe’ (KGW) van Nietzsches geschriften op te leveren. Een allesomvattende editie die zou uitgroeien tot de wereldwijde standaard.

Promo-team Klassik Stiftung Weimar

Dr. phil. Corinna Schubert, wetenschappelijk medewerkster van de Klassik Stiftung Weimar en de curator van de kleine ‘Sonderausstellung Nietzsche-Weimar-DDR’, is afgelopen zaterdag 7 mei zichtbaar maar positief gespannen wanneer ze het publiek in de stralende zon voor de Villa Silberblick in Weimar een korte uiteenzetting geeft over de inhoud van hetgeen in het bekende Nietzsche Archiv te zien is. In aanwezigheid van twee trotse dochters van Montinari verhaalt ze over de veranda uitbouw aan ‘Villa Silberblick’, de ruimte waar ook Nietzsche zijn laatste levensjaren doorbracht en eveneens het huis waar hun vader, de toen 33-jarige Mazzino Montinari zijn intrek nam toen hij zich volledig toelegde op zijn onderzoek dat recht moest gaan doen aan de oorspronkelijke teksten zoals Nietzsche deze heeft opgetekend. Maar ook de villa waar Nietzsches zus prominente Nazi’s ontving waaronder A. Hitler die er zich zelfverzekerd naar de buste van Nietzsche kijkend liet fotograferen, overigens zonder al teveel van hem te hebben begrepen.

De aanleiding: op zoek naar de revolutionaire denker

Drie jaar na de start van hun onderzoek in het ‘Archiv’ bezocht het Italiaanse duo het Franse Royaumont waar in het kader van Frans-Duitse betrekkingen Nietzsche onderzoekers (zoals Karl Löwith, Michel Foucault en Gilles Deleuze) bij elkaar kwamen om zich bezig te houden met Nietzsche, en specifieker een juister begrip van diens werken. Immers, al eind jaren ’50 was in academische kringen in beide landen twijfel gerezen over de juistheid van de tot dan toe uitgebrachte werken. Colli (1917-1979) en Montinari (1928-1986) waren in 1964 al enkele jaren bezig met hun onderzoek en doel om Nietzsches werk te ontdoen van de kunstmatige ingrepen die Elisabeth Nietzsche in het werk van haar broer had aangebracht. Montinari en zijn voormalige docent Colli waren beide wars van een sec academische benadering en daarbij vanuit een communistische achtergrond nieuwsgierig naar ‘hun’ Nietzsche die zich met al zijn uitspraken toch ook vooral als een revolutionaire anti-denker liet omschrijven. Hun communisme welteverstaan, een Italiaanse en te plaatsen in die jaren waarin o.a. Gramsci en Catimori bekenden waren. Een politieke ambitie die geenszins in verbinding te brengen is met de praktijk van het communisme dat zich later in de DDR of Sovjet-Unie manifesteerde en dat een donkere schaduw vooruitwierp met o.a. het optreden in Budapest van 1956. Gedreven om Nietzsche, de denker die een Übermensch ten tonele had gebracht te ontdoen van een fascistisch stigma. Werk aan de winkel dus want in hun denkwereld was Nietzsche allesbehalve de persona non grata zoals in de DDR. Sterker nog, het duo wist dat het uitgerekend Nietzsche was die voor diverse bewegingen als troefkaart werd ingezet; zowel voor nationalisten als socialisten, monarchisten, republikeinen, militairen, pacifisten, communisten, kapitalisten, revolutionairen, atheïsten en Christenen. Nota bene de denker die een keer schreef “ich verderbe Jedermann den Geschmack an seiner Partei” werd in verschillende kampen op het pluche gehesen.

Giorgio Colli en Mazzino Montinari sept. 1966

Giorgio Colli had in die jaren al verschillende publicitaire werkzaamheden op zijn naam staan. Zijn eerste baan bij de Milaanse ‘Corriere della Sera’ waar zijn vader bedrijfsleider was, had hij verruild voor een betrekking als vertaler bij Uitgeverij Einaudi waar hij zijn schoolvriend Cesare Pavese kende. Uit zijn hand verschenen vertalingen van Schopenhauers ‘Parerga und Paralipomena’ en van Karl Löwith diens ‘Von Hegel zu Nietzsche’. Colli wilde graag ook werk van Nietzsche gaan vertalen maar dat vond zijn lector Pavese een wat te optimistische gedachte. In 1952 kreeg hij groen licht voor een serie die de naam ‘Classici della Filosofia’ zal dragen en tussen 1958 en 1965 weet hij bij Paolo Boringhieri een serie vertalingen op zijn naam te zetten met de naam ‘Enciclopedia di Autori Classici’ waarin het nodige maar ook met enige onsamenhangendheid verscheen. ‘Schopenhauer als Erzieher’ in een Italiaanse vertaling door Montinari opent de serie in 1958.

Colli bleef echter volhardend in zijn wens om ook een grotere en onbekende Nietzsche voor het Italiaanse voetlicht te brengen want hij had immers van Nietzsche zelf gelezen dat men ‘eigenlijk boeken schrijft om te verhullen wat men bij zich draagt’. Er moest achter al die gedrukte woorden nog iets anders te ontdekken zijn..?

Langzaam maar zeker werd Montinari als dé man bij uitstek om het Nietzsche project invulling te gaan geven naar voren geschoven. Beide onderzoekers kenden elkaar al uit de jaren ’40 toen ze als docent en student in Lucca actief waren. Colli viel destijds al op vanwege zijn onconventionele wijze van les geven en contact met zijn studenten. ‘Das Beste läßt sich nur von Mensch zu Mensch mittheilen’ was een uitspraak van Nietzsche die hem dan ook erg aan het hart lag. Een grote wereldoorlog kwam er uiteindelijk tussen die voor verschillende wegen van beiden had gezorgd. In 1956 kruisten hun wegen opnieuw na elkaar 10 jaar niet meer te hebben gesproken of gezien. Nietzsche bleek, niet geheel verrassend, een grote verbindende factor te zijn. Waar een wil is moet toch ook een weg zijn en dat betekende een project benoemen, kaderen, middelen zoeken en uiteraard een uitgever vinden die welwillend tegenover deze enorme uitdaging staat.

De manuscripten van Nietzsche in Rusland vernietigd?

In de zomer van 1957 was Colli al begonnen met aantekeningen over crisis en verval die vooral over Nietzsche gaan. Teksten die later een basis zullen gaan vormen voor zijn uitgave ‘Dopo Nietzsche’. Maar hoe krijg je een uitgever die zeer trots de populaire Italiaanse progressieve socialist Gramsci als vaandel boven zijn portfolio heeft hangen, bereid een filosoof met ‘bedenkelijke allure’ in zijn font op te nemen? In 1958 gaat er een eerste brief richting uitgeverij Einaudi met het verzoek na te denken over een totale nieuwe kritische uitgave dan wel een Italiaanse vertaling van alle reeds bestaande Nietzsche uitgaven. Het eerste verzoek wordt niet gehonoreerd, het twee echter wel. Na aanhoudend praten en een uitgebreide correspondentie lukt het uiteindelijk in november 1960 om Luciano Foà van uitgeverij Einaudi over de streep te krijgen om budget vrij te maken om in Weimar uitgebreid onderzoek te gaan doen.

Mazzino Montinari aan het werk in Weimar

Het verhaal dat de originele en ‘gevaarlijke’ manuscripten van Nietzsche door de Russen in april 1946 op een vrachtwagen zouden zijn geladen en meegenomen om te worden vernietigd, was ondertussen daar Karl Schlechta ontzenuwd. Door tussenkomst van de Landespräsident van Thüringen waren de kisten in juli 1946 alweer terug gegaan naar Weimar. Je krijgt de rillingen wanneer je erover nadenkt dat ze vervolgens verpakt in houten kratten dagenlang en bewaakt door militairen op de stoep voor ‘Villa Silberblick’ hebben gestaan. Uiteindelijk zijn de kisten, als een soort tussenstation, weer in de villa geplaatst om vervolgens in 1950 definitief naar het Goethe- en Schiller-Archief (GSA) te worden gebracht. Het was evenwel in die jaren slecht gesteld met de reputatie van Nietzsche. In Nazi-Duitsland misbruikt, al was de mate en vorm niet echt bekend, en nu in het Goethe- en Schiller-Archiv (GSA) waar het slechts op afkeuring kon rekenen van de DDR autoriteiten. 

Het GSA was al jaren een oord waar vanuit de hele wereld studenten en andere geïnteresseerden, met uitzondering van de in de DDR wonende, hun studie naar Nietzsche konden doen. Een hard verbod was het niet voor de DDR-studenten maar een spontaan verzoek werd niet gauw gehonoreerd aangezien het hier toch om een ‘verderfelijke invloed op de filosofie en literatuur’ ging. Daar in Weimar lagen duizenden en nog eens duizenden soms zeer moeilijk te lezen originele teksten te wachten op een juiste en kritische bril. Teksten die her en der wat afweken van de vier ‘Gesamtausgaben’ die door de handen van Nietzsches zus Elisabeth waren gegaan. Waardoor zelfs een uitgave met de titel ‘Der Wille zur Macht’ in 1901 het predicaat ‘hoofdwerk van Nietzsche’  kreeg, een uitgave die door Heidegger ondanks de onthullingen als dé referentie van Nietzsches werk werd gezien. Heidegger die ondanks zijn opmerking in zijn Nietzsche monografie uit 1961 dat ‘de eigenlijke filosofie in het nagelaten werk te vinden is’, wilde de later ontstane Kritische Gesamtausgabe niet anders aanduiden als ‘Nietzsches Kommunistische Edition’. Colli had in 1950 al in een recensie geschreven hoe Nietzsche het onbegrip in zijn geboorteland vanwege de Duitse roddelzucht en hang naar fanatisme had voorzien. Misschien had hij er jaloezie aan kunnen toevoegen? Ook een prominent Nietzsche onderzoeker en uitgever als Karl Schlechta zag destijds geen noodzaak voor een herziene uitgave. In retrospectief een bijzonder fenomeen nu er een discussie was ontstaan onder eveneens filologen en wel over het werk van een denker die zich herhaaldelijk zeer kritisch over de filologie had uitgelaten. Schlechta had zijn eigen uitgave in drie banden tussen 1954 en 1956 bij het Hanser Verlag uitgegeven maar daar zaten niet veel wezenlijke wijzigingen in ten opzichte van eerdere uitgaven, behalve de opmerkelijke aantekening in  het derde deel waarin Schlechta, professor in Darmstadt, zijn beklag deed over de methodes van Elisabeth Nietzsche voor wie hij eerdere edities had verzorgd.

Correcties in ‘Der Wille zur macht’

De westerse Nietzsche kenners konden zich niet voorstellen dat er een vrije toegang tot alle werken voor een onderzoeker uit het westen zou worden gegeven. Toch lukte het Montinari die in april 1961 met zijn opvallende kleine Fiat naar Weimar was gekomen, om ongelimiteerd zijn research te kunnen doen. Zijn contacten met dienstdoende en relevante autoriteiten vanuit zijn functie als directeur van het ‘Centro Thomas Mann’ hebben hem duidelijk hierbij geholpen. Politiek speelde weliswaar geen enkele rol in zijn ambities en hij wist daar ook van weg te blijven maar het was een kwestie van een goed netwerk. Er waren overigens voldoende politieke gebeurtenissen waarover hij had kunnen schrijven zoals de bouw van de Berlijnse Muur en de Praagse Lente, maar Montinari had zich ervoor afgesloten en was vooral bezig met datgene waarvoor hij naar Weimar was gekomen; Nietzsches werk ontdoen van vervalsingen en af te stoffen voor een groter publiek. En dat vraagt tijd, heel veel tijd maar ook een continue kritische blik, niet alleen in Weimar maar ook op andere plekken zoals Bazel, München, Röcken en destijds nog West-Berlijn. Dat was het andere gezicht van de zuidelijke levensgenieter, volgens een Italiaanse collega een van de beide gezichten die Montinari had; een ‘ascetische’ en een ‘epicurische’.

Waar gaat een gedreven onderzoeker beginnen wanneer hij een papierlawine aan manuscripten, notitievelletjes, boeken, pamfletten en tekstconcepten in meer dan 100 houten kratten aantreft? Er was weliswaar al een zekere mate van categoriseren toegepast maar daar waren de medewerkers van Elisabeth verantwoordelijk voor geweest. De enorme goudmijn aan woorden en zinnen moest om het goed te doen opnieuw ontgonnen worden. De heren hebben geluk dat er – op Schlechta na die er echter niet voor naar de DDR wil reizen – geen soortgelijke interesse bestaat om Nietzsches originele manuscripten onder de loep te nemen. In Italië haken ze al redelijk snel af wanneer Montinari na zijn eerste reis naar Weimar verslag doet van hetgeen hij heeft aangetroffen. Ondanks die tegenslag reist hij in augustus weer naar Weimar. Hij weet Colli duidelijk te maken dat het niet alleen een gigantische berg aan manuscripten is maar dat het ook ongelooflijk veel tijd kost om het handschrift van Nietzsche te ontcijferen, ja dat het niet alleen een kwestie van de Duitse taal kennen is maar het ook een krachttoer is om ‘Nietzsche te kunnen lezen’.

Holzhauer, Montinari, Colli en diens echtgenote Anna in 1966

Uit onverwachte hoek komt er steun. De directeur van de Nationalen Forschungs- und Gedenkstätten der klassischen deutschen Literatur, Helmut Holtzhauer, blijkt een grote kunstliefhebber te zijn en gaat het duo helpen om ongestoord hun onderzoek voort te kunnen zetten zonder dat er een tijdsdruk ontstaat om eventuele komende concurrentie voor te zijn. De rehabilitatie van de teksten die ooit tot de uitgave ‘Der Wille zur Macht’ hadden geleid, is een van de eerste uitdagingen die Montinari aangaat. Als een grote kluwen spaghetti begint hij de teksten in een juiste chronologie te plaatsen. Nauwgezet, pagina voor pagina en blad voor blad plaatst hij de aantekeningen in een soort stamboom structuur waardoor hij de ontstaansgeschiedenis van de aantekeningen beter onder ogen krijgt. Al snel trekt hij twee conclusies; ‘Der Wille zur Macht’ is nooit een bedoelde uitgave van Nietzsche geweest en voor het verdere onderzoek is deze minutieuze methode absoluut noodzakelijk. Het wordt Montinari duidelijk dat hij de enorme verantwoordelijkheid draagt om de teksten te reconstrueren in de gedachtelijn zoals Nietzsche deze heeft bedoeld; dat betekent dat elke komma en elk gedachtestreepje meegaat in de transcriptie. Het is de basis voor een later uitspraak en titel uit zijn hand; ‘Che cosa ha veramente detto Nietzsche’ (Wat Nietzsche werkelijk gezegd heeft).

Colli is thuis in Italië druk doende met de vele microfilm opnamen van de Nietzsche manuscripten en Montinari ploegt zich door de bergen teksten in Weimar waar de atmosfeer hem uiterst bevalt, al mist hij Florence soms ook erg. Ook persoonlijke aangelegenheden houden hem  bezig; midden dertig en nog steeds vrijgezel terwijl zijn ‘partner in crime’ al vijf kinderen heeft. Het leidt tot een meer persoonlijke verstandhouding met Colli waarin hij in de denklijn van zijn studieobject zichzelf de vraag stelt ‘hoe hij kan worden die hij is’? De nodige crises en identiteitsvragen vallen hem ten deel waar de soms stevige strijd met heftige teksten die hij in zijn onderzoek tegenkomt, zeker aan hebben bijgedragen. Wat had hij hier in vredesnaam aangetroffen; verstand en waanzin, lezen en leven, een intense kunstenaar vol overdrijving, een met zichzelf en de wereld strijdende poëet, denker, schrijver, psycholoog en wat al niet meer zij. ‘Nietzsche is een ziekte’ komt als conclusie einde 1963 uit zijn pen en hij was zich ervan bewust dat hij aan die infectie niet meer onderuit kon komen. De bijna obsessieve discipline en hartstocht om de waarheid te vinden, houden hem dag na dag gekluisterd aan de teksten en onontgonnen gebieden van een denker en schrijver die bijna in een Russische put of oven was beland…

Een internationale erkenning als filoloog

Een toevallige ontmoeting met Erich Podach (zie ook mijn bijdrage van 31 oktober 2019), lijkt weer verfrissende perspectieven te geven. Podach is vanwege zijn ontmoetingen met Lou Andres Salomé en de weduwe van Franz Overbeck (die zoveel voor de geestelijk ziek geworden Nietzsche heeft betekend) voor Montinari een tastbare schakel naar Nietzsche. Zou deze Podach, die in aanleg een stevige citicus van Nietzsche is, kunnen helpen nu er zowel in Italië maar ook in Frankrijk en Duitsland zelf bij uitgevers zo weinig animo bestond voor een hernieuwde uitgave van Nietzsches werk? Hij blijkt een hulp te zijn die sterk in kampen denkt; voor en tegenstanders van Nietzsche en dat terwijl Colli en Montinari louter een uitgave tot stand willen brengen die recht doet aan de feiten zonder een historisch oordeel te willen geven. De samenwerking wordt beëindigd en Montinari weet dat hij definitief de huid van politicus van zich af heeft geschud om plaats te maken voor een internationale erkenning als filoloog. Daarmee lijkt Montinari klaar te zijn om in te gaan op een uitnodiging die hem vanuit Frankrijk wordt gedaan. Een nog jonge Gilles Deleuze heeft de eer hem mede namens zijn professor uit te nodigen voor het zevende Internationale Filosofische Colloquium dat in juli 1964 in Royaumont zal plaatsvinden. Dat is niet voor niets want het thema laat zich kort samenvatten: Nietzsche.

Met name Colli is wat wantrouwig. Willen de Fransen hun onderzoek voor hun neus wegkapen of met de eer gaan strijken? De Fransen zijn immers erg in tel in die jaren als het om Nietzsche interpretatie en publicaties gaat. Namen als Sartre, Camus, Foucault, Bataille, Deleuze zijn de geschiedenis ingegaan als schrijvers en denkers die op een eigen wijze hebben voortgebouwd op teksten en visies van Nietzsche. Er is echter wel een gemene deler en dat is de vervalste Nietzsche recht te willen doen dus Montinari weet Colli te overtuigen naar Royaumont af te reizen. De Fransen zijn echter meester in een modernere opvatting over de hermeneutische benadering en interpretatie van filosofische teksten en dus ook in hun benadering van Nietzsche. De beide Italianen blijven zich daar tegen verzetten en zijn maar met één doel bezig en dat is recht te doen aan de feiten, dus de werkelijk door Nietzsche geschreven teksten het licht te geven en elke andere interpretatie bij de lezer te laten. Het bezoek werpt verder wel wat succesjes als vrucht af; Karl Löwith zegt toe te willen helpen zoeken naar een geschikte Duitse uitgever en Deleuze en Foucault willen zich hard maken voor een co-auteurschap bij Gallimard. Bemoeienissen die later zouden leiden tot uitgaven als ‘Human trop Human’ en ‘Le gai savoir’ waar helaas ook wat kleine fouten in waren geslopen. Het is dan 1967, het jaar waarin Montinari werkt aan de Italiaanse vertaling van de Zarathoestra.

Jaren later, tijdens het grote Nietzsche evenement ‘Nietzsche aujourd’hui’ (Cerisy-la-Salle in Normandië, 1972), blijkt hoe sterk de Duitse denker wortel heeft geschoten onder de Franse intelligentsia zoals Sarah Kofman en Jean-Francois Lyotard al kon Deleuze niet nalaten wat kritische pijlen richting het afwezige duo uit Italië te richten. Over de filologische benadering van originele teksten waren nogal wat meningsverschillen al nam de Franse Germanist Bernard Pautrat het destijds sterk op voor de aanpak van Colli en Montinari.

Schriftelijk verslag van Stasi informant in nov. 1970

In januari 1964 had de hard werkende Montinari (in de avond doorgaan was voor hem heel normaal) al aangegeven dat er langzamerhand een echte Nietzsche onder het vernis vandaan komt. Hij spreekt naarmate dat jaar de werkzaamheden vorderen de verwachting uit dat hij in datzelfde jaar de banden tot en met deel 8 zal voltooien en eveneens verwacht hij dat medio 1966 het totale herziene ‘Gesamtwerk’ gereed zal zijn. Van de DDR-autoriteiten heeft hij tot dan toe geen medewerking maar ook geen tegenwerking gehad. Uiteraard wordt er wel een oogje in het zeil gehouden maar ook die berichten zijn neutraal van toon. De goede contacten met medewerkers en directie van het GSA bleken telkens voor een goed werkklimaat te zorgen, voor de onderzoeker die ver van huis is omdat er ook een IJzeren Gordijn tussen hing een belangrijk gegeven.

Montinari keert na Royaumont weer naar zijn studieplek Weimar terug maar beschrijft het als ‘naar huis terug’. In augustus bezoekt Colli hem en is positief verrast om te zien hoe zijn oud-leerling gegroeid is tot een klein icoon en op het Frauenplan, het plein voor het Goethehuis, door de DDR-televisie geïnterviewd wordt. Een druk bezette man die bovendien privé ook nog het een en ander te regelen heeft omdat hij in het huwelijk zal treden met Sigrid Oloff, een medewerkster van het GSA die evenals hij veel in Villa Silberblick werkt en net als hijzelf daar een eigen werk/slaap vertrek heeft. De relatie is volgens Colli vanaf het begin duidelijk serieuzer en evenwichtiger dan voorgaande liefdesaffaires. Montinari bevestigt ook dat hij een grotere inwendige rust ervaart. Er moeten nog wel wat bureaucratische horden genomen worden want de Italiaanse ambtenaren reageren wat vreemd door de DDR niet als staat te erkennen waardoor het Italiaanse burgerschap voor Sigrid op zich laat wachten. In april 1965 is de uitkomst zelfs dat hij zich permanent in de DDR zal moeten vestigen om te kunnen trouwen. Florence wordt dus verruild voor Weimar, dus de DDR en er is nóg een grote concessie; mevrouw Sigrid Montinari zal ondanks haar huwelijk met een westerse partner de DDR niet mogen verlaten.

In de tussentijd zijn er wat positievere berichten over uitgeefmogelijkheden in Duitsland. Kröner, Beck, Goldmann en Insel komen als mogelijke kandidaten. Montinari komt door bemiddeling via Löwith eveneens met een serieuze De Gruyter uit West-Berlijn in gesprek.

Zijn vrijgezellenbestaan mag dan wat langer dan gemiddeld zijn geweest, de komst van kinderen liet niet lang op zich wachten. In september 1965 krijgt het verse paar een zoon en nog geen elf maanden later meldt de natuur zich zeer uitgesproken door het zeer jonge gezin een uitbreiding te geven van een drieling; een jongen en twee meisjes.

Mazzino en Sigrid Montinari met hun jonge gezin

De Stasi blijft Montinari persoonlijk volgen maar niet hem alleen; ook de gangen van Herman Holtzhauer en Karl-Heinz Hahn, de directeur van het GSA worden nauwlettend nagetrokken en gerapporteerd. Over Montinari geen onvertogen woord, hij houdt zich aan de regels en is eigenlijk alleen maar bezig met zijn gezin en werk dat vooralsnog niet echt in de openbaarheid is. Het blijven immers teksten van een staatsvijand, de ‘theoretische grondlegger voor de Nazi’s’. Als er al iets opvallends aan de man was moet dat zijn bijzondere auto, de kleine Fiat, zijn geweest. Niet de rode 500 zoals deze recentelijk in de media stilistisch is gefotoshopt maar een witte en dan model 600, waarmee hij tussen ‘Villa Silberblick’ en het GSA reed.  Of het was zijn opvallende gezinsuitbreiding midden jaren ‘60; eerst een zoon en toen ‘Die Weimarer Drillinge’, drie dochters.

Een Duitse uitgave komt door de handtekening van De Gruyter in december 1965 als een haalbaar doel in zicht. In de moedertaal en met de laatste en zeer uitgebreide filologische onderzoektechnieken belooft het een uitgave te worden die niet nóg dichter bij de originele manuscripten kan komen. Er is alleen een steeds terugkerend probleem en dat betreft de bronnen die Nietzsche zelf heeft geraadpleegd. De filosoof die zich steeds meer keerde tegen ‘boekenwurmen’ bleek keer op keer zelf een grote lezer te blijven. Montinari ontdekte deze tegenstelling, dit kleine geheim van Nietzsche; ondanks zijn slechte ogen bleef Nietzsche veel lezen en dus zelf ook een grote boekenwurm. Als een detective ontdekt Montinari na lang zoeken soms kleine verrassingen zoals twee citaten die Nietzsche in ‘zijn’ ‘Wille zur Macht’ toegeschreven zijn maar bij nader inzien uit de pen van respectievelijk Tolstoi en Renan komen. Het steeds dieper graven van Montinari wordt een aanleiding voor een aanvaring met Colli. Die vindt het zeer gedetailleerde bronnenonderzoek van Montinari té overtrokken en wijst hem er op dat hijzelf door twee basale zaken gedreven is, namelijk (de ware) Nietzsche in ere te houden én de kennis van en over hem te bevorderen. Niet om een Nietzsche editie te maken die de geestelijk vader zélf niet zou bevallen. Toch zullen twee jaar later, 1967, de eerste banden van ‘Kritischen Gesamtausgabe’ het levenslicht zien.

Terug naar een onrustig Italië

In oktober 1970, midden in de woelige jaren van stakingen en terreur in Italië, verhuist het jonge gezin naar het moederland van Montinari. Moordaanslagen zowel vanuit de linkse- als de rechtse politieke flanken beïnvloedden sterk het openbare leven. Voor Colli en Montinari komen de extremen op een heel andere wijze dichtbij; in elk politiek kamp wordt Nietzsche – die inmiddels door hun toedoen ook in Italië een grotere bekendheid heeft gekregen – voor het ideologische karretje gespannen. Een bevestiging dat hun jarenlange werk z’n vruchten heeft afgeworpen maar zo te zien zijn deze vruchten, ondanks dat dit niet hun bedoeling was, ook soms wrang. Om zijn aandeel in het Nietzsche onderzoek, überhaupt zijn totale verbinding met Nietzsche toe te lichten, maar ook vanuit de behoefte aan extra inkomsten, werkt Colli mee aan een documentaire en publiceert in 1974 zijn boek met de passende titel ‘Dopo Nietzsche’ (na Nietzsche). Montinari blijft aan zijn Nietzsche uitgave verder werken, de totale Kritische Gesamtwerke Briefe (KGB) moet immers ook nog worden afgerond. Hij wordt professor voor Duitse Literatuur aan de Universiteit van Urbino. In latere jaren is hij ook verbonden aan de Universiteit van Florence (o.a. door er ook decaan te worden van de pedagogische faculteit), de Universiteit Berlijn en de Universiteit van Pisa.

Mazzino Montinari: Nietzsche lesen (1980)

Giorgio Colli, nog volop werkend aan zijn andere grote project over de Pre-Socratici ‘La Sapienza greca’ overlijdt op 6 januari 1979, 61 jaar oud, aan de gevolgen van een aneurysma. Voor Montinari is dit plotselinge overlijden een grote schok. Colli heeft niet meer meegemaakt dat De Gruyter, wat ongeduldig om te wachten op alle geplande 40 banden, en ook om tegemoet te komen aan het vele onderzoekwerk dat al gereed was, in 1980 een kleinere pocketuitgave onder naam ‘Kritische Studien Ausgabe’ (KSA) op de markt brengt. Een grote maar beladen naam werd daarmee ineens een betaalbare en ook in vorm toegankelijke filosoof in een pocketuitgave. Een 15-delige uitgave die ogenschijnlijk een aaneenschakeling van teksten is, een weergave van een schrijfproces op dundruk papier, dus minder dikke kloeke werken die zwaar in de hand liggen. De wereldwijde populariteit, een herboren Nietzsche in allerlei hoeken en gaten van de samenleving, doet Montinari af en toe wakker liggen; deze centrale positie van Nietzsche die te kust en te keur geïnterpreteerd werd, was dat wel zijn bedoeling geweest? Zelfs in de DDR begint het anti-Nietzsche klimaat voorzichtig te ontdooien. Midden jaren ’80 wordt Nietzsche, immers geboren in Röcken, zelfs opgenomen in het culturele erfgoed van de DDR.

De vele jaren onderzoek wierpen langzamerhand steeds meer vruchten af, ook persoonlijk voor Montinari. Hij werd op vele prominente plaatsen een veelgevraagde gast en spreker. In 1985 durft hij het aan om samen met Karl-Heinz Hahn, directeur van het GSA, een grote facsimile uitgave van ‘Ecce homo’ op de markt te brengen. Het boek is goed en wel gedrukt en aangeboden voor een kleine 300 Ostmark, wanneer het tot veel opheft leidt omdat het in een etalage van een Berlijnse boekhandel aangetroffen wordt door Wolfgang Harich. De autoriteiten worstelen met zijn aanklacht dat er een boek van Nietzsche openbaar wordt aangeboden, ‘die reaktionärste, menschenfeindlichste Erscheinung, die es in der gesamten Entwicklung der Weltkultur von der Antike bis zur Gegenwart gegeben hat’. De meest uitgesproken en fanatieke Nietzsche-hater, schrijver, communist en Stalinist Wolfgang Harich is daarin overduidelijk. Hij zag Nietzsche als het meest verwerpelijke schepsel dat er ooit geweest is, erger dan Hitler en ja zelfs verantwoordelijk voor al het zedeloze gedrag in het westen en de val van de Muur…

Eind november 1986 berichten de Italiaanse kranten dat hun grootste en beroemdste filoloog, de ‘communist die van Nietzsche hield’ en een van de meeste discrete en fascinerende geleerden, Mazzino Montinari op 58-jarige leeftijd is overleden. Een hartaanval was hem, zo jong nog, fataal geworden. Natuurlijk wierp het in Nietzsche kringen de vraag op hoe de laatste fase van de geplande banden nu uitgevoerd moest worden. De rechten van het gehele bouwwerk dat ze hebben geleverd bleek niet bij Colli en Montinari te hebben gelegen. Het zal uiteindelijk Wolfgang Müller-Lauter worden, de grote Nietzsche kenner (Friedrich Nietzsche prijs 1996) en nota bene geboren in Weimar, die de verdere boeken in deze serie zal gaan verzorgen. Nietzsche heeft inmiddels vaste bodem bij het uitgeefhuis gekregen. Zo komt de Zwitserse Literatuurwetenschapper Wolfram Groddeck (winnaar Friedrich Nietzsche prijs 2017) in 1991 met een uitgave van bijna 900 pagina’s in twee banden met de titel Dionysos-Dithyramben’, een zogeheten ‘textgenetische editie’. In 1995 verschijnen overigens ook de eerste banden bij de Stanford University Press, inmiddels uitgegroeid tot 19 banden, alle gebaseerd op de KGW van Colli en Montinari.

In de aanloop naar de 175e verjaardag van Nietzsche, 15 oktober 2019, komt het plan om weer ‘terug te gaan naar Nietzsches boeken’ en krijgt de filologische discussie die in 2013 al bij de ‘Basler Ausgabe’ in het Stroemfeld Verlag was begonnen een vervolg. Het Felix Meiner Verlag in Hamburg komt met een zesdelige facsimile uitgave met verschillende papiersoorten. De discussie over wat nu wel wat nu niet in de edities van Nietzsche dient te worden opgenomen o.a. met een prominente rol voor Andreas Urs Sommer (Friedrich Nietzsche prijs 2012), gaat onverminderd voort. In het thuisland Italië is het Giuliano Campioni die met al veel titels over Nietzsche ook over de filologisch-wetenschappelijke werkzaamheden  van Montinari schrijft zoals de in het Duits vertaalde studie ‘Die Kunst gut zu Lesen’.

De Fiat 600 van Mazzino Montinari

Samenvattend is het op z’n minst opmerkelijk te noemen dat beide Italianen het in de sfeer van de jaren ’60 voor elkaar kregen om zich volkomen te kunnen richten op een nieuwe uitgave van een ‘foute’ filosoof. En ook nog met volledige medewerking van de autoriteiten in Weimar. Van enige verdraaiing kijken we heden ten dage nog steeds niet vreemd op dus de uitspraak dat de ‘foute Nietzsche interpretaties aan de westzijde zouden zitten en de goede in het kamp van de communistische landen’ is niet zo vreemd. De heren die al wat antifascistisch werk op hun naam hadden staan kregen zodoende groen licht om de fascistische manipulaties en verminkingen boven water te krijgen. Het moet een rotsvaste overtuiging zijn geweest dat er wat te halen was want hoe bedenk je het om in april 1961, enkele maanden voor de bouw van de Berlijnse Muur, naar een plek af te reizen waar Nietzsches manuscripten zouden moeten liggen terwijl het her en der was rond gebazuind dat deze allang door de Russen waren meegenomen. Toch schrijft Montinari al enkele dagen na aankomst aan Colli in zijn eerste brief dat de reis naar Weimar misschien wel de belangrijkste gebeurtenis in zijn leven is. Een uitspraak die ook ingegeven is door de fascinatie in de villa te mogen verblijven waar Nietzsche heeft gewoond en oog in oog te staan met de originele handschriften en papieren dragers ervan. Een fascinatie en emotie die ik uit eigen ervaring ken, vechtend tegen een sentiment van een ‘bedevaartoord’, toen ik enkele jaren terug meerdere originelen bij de ‘Kabinettausstellung’ in hetzelfde Goethe- en Schiller-archief onder ogen kreeg. ‘Ein magisches Präsenzerlebnis’ schreef Walter Benjamin eens. Het bijzondere en sacrale karakter van de plek en de impact van al hetgeen hij aantrof in de enorme hoeveelheid aantekeningen van Nietzsche zou Montinari zijn hele leven als zodanig blijven ervaren. Het had er immers toe geleid dat hij misschien wel als enige alle woorden van Nietzsche in het origineel heeft kunnen en mogen lezen. En dat terwijl hij zijn eerste reis naar Weimar als een verblijf van twee weken had gepland…

Met speciale dank aan Aline Montinari.

Bronnen: Gerbergasse 18/Ausgabe 4/2020, KGW und KGB Fr. Nietzsche Haus Sils Maria 2013, Philipp Felsch: ‘Wie Nietzsche aus der Kälte kam’ C.H. Beck Verlag 2022


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *