Nietzsche in de Hispania (1/3)

Nietzsche in de Hispania (1/3)

Wanneer je hoofd met regelmaat via Duitse paden en je hart even zo vaak via Spaanse wegen de wereld van literatuur, filosofie en muziek verkent, ontkom je er niet aan om ook eens op de kruising van beide stil te staan. Met Nietzsche in de Spaanstalige wereld bijvoorbeeld. ‘Nietzsche en España’ van Gonzalo Sobejano was al in 1967 verschenen maar vier jaar daarvoor was er al een interessante echter wel in de vergetelheid geraakte studie; ‘Nietzsche in der Hispania’ van Udo Rukser. Een lijvig boek dat gezien het verschijningsjaar (1963) zich ook nog met grote regelmaat op de nooit door Nietzsche bedoelde uitgave ‘Der Wille zur Macht’ beriep. Maar ook een boek dat in alle poriën ‘Deutsche Gründlichkeit’ uitademt.

‘Der wahre Faust ist Nietzsche der das Leben gepredigt hat, ohne es gelebt zu haben’

Eduardo Nicol

Met de intrigerende uitspraak ‘Der wahre Faust ist Nietzsche der das Leben gepredigt hat, ohne es gelebt zu haben’ van de Catalaanse/Mexicaanse filosoof Eduardo Nicol, is de toon min of meer gezet. Udo Rukser, voor de Nazi’s in 1939 gevlucht naar Chili, die niet alleen Nietzsche maar ook Goethe (‘Goethe en el mundo hispanico’) en Heine in de Spaanstalige wereld belichtte, laat in zijn interessante en uitgebreide studie veel Spaanstalige denkers, schrijvers en filosofen aan het woord. Dat levert tegen de achtergrond van een streng katholicisme soms bijzondere interpretaties op. Niet voor niets haalt hij Nietzsche zelf aan om het geweld van toekomstige lezers aan te kondigen; ‘Die schlechtesten Leser seien diejenigen, die wie plündernde Soldaten verfahren’ of ‘Ich zittre, wenn ich daran denke, wer sich in 50 Jahren meine Schüler nennen werden’. Rukser waarschuwt niet alleen daarvoor maar ook voor zijn eigen partijdigheid die nu eenmaal moeilijk te vermijden is wanneer het over filosofie, en zeer zeker over Nietzsche gaat.

Alle reden dus om eens dieper op de weerklank van Nietzsche in de Hispania in te zoomen. Want wat verstaan we eronder? In de Spaanstalige wereld die ieder jaar op 12 oktober uitbundig ‘El Día de Hispanidad’ viert is Friedrich Nietzsche buiten de academische wereld nog steeds een behoorlijk grote onbekende, zeker in het sterk religieuze deel van de Spaanstalige landen. Dat vindt zijn oorsprong in de kloof tussen de ontwikkeling ten zuiden van de Pyreneeën en het noorden van Europa in de tweede helft van de 19eeeuw; in de wetenschap, politiek, kunsten, en economie nam Spanje een andere plaats in. Zeker na de nederlaag van Frankrijk in de Duits/Franse oorlog (1870/1871) kwamen de muziek, literatuur, en filosofie van Duitsland in de Noord-Europese schijnwerpers te staan. Maar niet alleen de Duitse, ook de Engelse en Scandinavische kunst en wetenschap lieten van zich horen, meer dan de Spaanstalige van het Iberische schiereiland laat staan uit Zuid-Amerika.

De conclusie dat er vanaf het begin van de 20e eeuw een inhaalslag te maken is, een gedachte die zich bijvoorbeeld manifesteert in de zogeheten ‘Generatie van ‘98’, is niet voor iedereen van toepassing. Want al waren en zijn namen als Miró , Solana, Picasso en Dalí pseudoniemen voor grote en bekende kunst, ze ontketenden geen intellectuele bewegingen zoals in andere landen. Toch waren er in het fin – de siècle  wel degelijk denkers met vergezichten al doen ze zichzelf soms tekort zoals Machado en Ortega (zie mijn blog van 8 december 2021) wanneer deze laatste opmerkt wat het verschil tussen de Duitse cultuur – die van de werkelijkheid en de diepte –  en de Latijnse cultuur is; die van de ‘oppervlakkigheid’. Een positie die de Mexicaanse schrijver en dichter Octavia Paz (Nobelprijswinnaar literatuur 1990) in 1956 al hekelde door zich kritisch uit te laten over het opkomende nihilisme rond de eeuwwisseling. Wat anders mag je verwachten na eeuwen dogmatiek van staat en kerk, het juk dat langer en zwaar aanvoelde in Spanje en dat door sommigen ‘decadencia progresiva de cuatro siglos’ genoemd werd. Vier eeuwen theocratisch denken met een sterke binding tussen kerk en staat, een samenleving die stijf stond van tradities en morele opvattingen. Geen sinecure om in de kunsten en de filosofie de grens naar het noorden over te steken. 

Julián Sanz del Río

Art nouveau en art-deco vertaalden zich tijdens en na de ‘Generatie van ‘98’ in het fraaie modernismo. Onzichtbaar in de wetenschap en literatuur maar wel (nog steeds) te bewonderen in de architectuur en beeldende kunst van Spanje. Op de achtergrond speelde voor de ‘modernistas’ een baanbrekende filosoof, dichter en denker die eveneens Europa dichterbij bracht: Friedrich Nietzsche. Dat was een hele stap want het was inmiddels al meer dan een halve eeuw terug toen de enige naam van betekenis, Julián Sanz del Río in 1843 door de Spaanse regering naar Heidelberg was gestuurd om daar filosofie te gaan studeren. Pas de ‘Generatie van ‘98’ met prominente Spaanse schrijvers en kunstenaars als Azorín, de Unamuno, Baroja, del Valle-inclan, Costa, Ortega y Gasset, Machado en Miró, gaven een stevige slinger aan het rad van veranderingen en opvattingen. Zowel in Spanje als in Latijns-Amerika. De heren, we spreken over Spanje van meer dan een eeuw terug, waren noodgedwongen autodidact; filosofie was niet een vak dat een plek had gekregen in de scholing die met name gericht was op praktijkonderwijs. Ook in de theologische studies was de dogmatiek verstikkend, laat staan dat Nietzsche er een voet tussen de deur had gekregen. Het heeft ook wel eens tot de vraag geleid (bij bijvoorbeeld Torrente Ballester) hoe de Spaanse literatuur eruit had gezien indien de kennis over Nietzsche in vroegere jaren meer en beter was geweest? Een goede Spaanstalige uitgave van zijn werk bestond er gewoonweg niet. Zo kon het gebeuren dat men decennia lang zich veel met de vraag bezighield of Nietzsche nu een filosoof was of meer een geleerde, een genie, een gek misschien wel, of een gestoorde schrijver die je alleen maar in vervoering wilde brengen. Hoe de kunstenaar inhoudelijk te kennen zonder een goed beeld over hem te kunnen vormen? Want hoe kun je in vredesnaam zowel dichter als ook filosoof zijn in een denkwereld waarin deze twee – fantast versus realist – niet in één persoon verenigd kunnen zijn?

De eerste ontdekkingen

Eind 19e eeuw, nog tijdens zijn leven, werd Nietzsche lezen salonfähig in de Franse wereld. Een beroemd voorbeeld is ‘Lettres à  Angèle’, gedateerd door Gide op 10 december 1898 en waarin hij zijn bewondering voor Nietzsche uitspreekt. Die populariteit van Nietzsche was niet direct in de universitaire kringen maar vaak meer onder dichters en schrijvers. Zij, en dan vooral de jongeren, zagen in hem een denker die het leven weer terugbracht naar zijn essentie. Over die invloed komen we nog te spreken maar tekenend en als voorafje is de uitspraak van Giménez Caballero, een leerling van Ortega (en een man die later politiek een bedenkelijke afslag zou nemen), die de stelling aandurfde dat Nietzsche voor de ‘Generatie van ‘98’ van een vergelijkbare grootte was als Erasmus voor de humanisten. Onder de kunstenaars was een vonk overgesprongen die niet altijd even rationeel te verklaren was maar zich meer uitte door de bewondering voor het radicale, het niets ontziende, de eerlijkheid en de pathos waar Nietzsche zich door kenmerkte wanneer hij over geschiedenis en toekomst spreekt. De benaderingswijze en de stijl zoals Nietzsche die hanteerde had voor vele liefhebbers vaak een nog grotere aantrekkingskracht dan de inhoud. Nietzsche was verantwoordelijk voor het definitieve einde van verstikkende dogma’s maar daarmee ook voor de totale verwarring die hij achterliet bij zijn lezers.

Pío Baroja

Dat wil niet zeggen dat er geen kritiek ontstond, vaak nog vanuit een onwetendheid wanneer Nietzsches wereldbeeld bijvoorbeeld door de Baskische schrijver Pío Baroja (1872 – 1956) – die zichzelf én anarchist én atheïst noemde – over één kam wordt geschoren met die van Schopenhauer. Dezelfde schrijver poneerde ook stellig dat Nietzsche allang uit de mode zou zijn voordat al zijn werken in het Spaans vertaald zouden zijn. Het tegendeel zou gaan blijken en het bijzondere is dat Baroja daar zelf een groot aandeel in heeft gehad. Veel schrijvers dus, maar zo af en toe was er ook een heuse filosoof die de grote invloed en kracht van Nietzsche wist te definiëren. José Gaos (1900 – 1969) bijvoorbeeld, een leerling en vriend van Ortega, kon er niet omheen en noemde zijn twee grote bronnen, Schopenhauer en Nietzsche; de eerste af en toe wat fragmentarisch maar Nietzsches invloed bleef groeien en is dat volgens zijn eigen zeggen blijven doen. Terugblikkend op de portee van Nietzsche weet hij het nog treffender te formuleren; ‘Nietzsche is er nooit mee opgehouden actueel te zijn’

Een andere beroemde uitspraak komt van de dichter/schrijver en Nobelprijswinnaar Juan Ramón Jiménez (1881 – 1958); ‘Destijds circuleerde Nietzsche in Spanje in slechte Spaanse vertalingen, vaak in populaire uitgaven. Unamuno las Nietzsche maar het meest van iedereen Maeztu. Ook Azorín sprak veel over Nietzsche (…). Ik herinner me dat op een dag Ortega langskwam om afscheid te nemen voordat hij naar Duitsland vertrok. Ik had twee boeken bij me; de Ecce Homo en een boek over het modernismo van Abbés Loisy. Ik zal niet vergeten hoe blij Ortega was omdat hij de filosoof van het modernisme zeer bewonderde.’

Maar wat was er in Spanje destijds feitelijk voorhanden om anders dan via slechte vertalingen kennis te maken met Nietzsche? In de bibliotheek van Ortega kwamen er vanwege diens studie in Duitsland al wel schoorvoetend andere titels richting Spanje zoals bijvoorbeeld ‘Schopenhauer und Nietzsche’ (1907) van Georg Simmel, ‘Nietzsche der Künstler und der Denker’ (1897) van Alois Riehl, ‘Friedrich Nietzsche – sein Leben und sein Werk’ (1909) van Raoul Richter, ‘Nietzsche in seinen Werken’ (1894) van Lou-Andres Salomé en ‘Nietzsche – der Versuch einer Mythologie’ (1918) van Ernst Bertram. Stuk voor stuk zwaar beduimeld doordat ze door vele handen waren gegaan. Vanaf 1900 kwamen er sporadisch de eerste vertalingen in het Spaans die al eerder door een ‘handwasje’ waren gegaan omdat ze gebaseerd waren op Franse edities. Niet iedereen was het met die Franse tussenkomst eens. De interesse om zich met Nietzsche bezig te houden was groot dus nieuwe vertalingen, direct uit het Duits volgden; na een eerste Frans/Spaanse uitgave van de Zarathustra volgde in 1899 daarom een betere versie in een vertaling van Juan Fernández. Een jaar later ‘Götzendämmerung’ en ‘Die Geburt der Tragödie’, in 1901 de ‘Genealogie der Moral’‘Jenseits von Gut und Böse’ en ‘Menschliches Allzumenschliches’, allemaal direct vanuit het Duits vertaald.

In Latijns-Amerika was de populariteit van Nietzsche wat minder. Daar had men meer op met de werken van Henri Bergson, niet in de laatste plaats omdat deze denker en schrijver in het Frans schreef en men die taal beter beheerste dan het Duits. Maar zeer zeker ook omdat Bergson niet die allesvernietigende kritiek op kerk en Christendom had als Nietzsche. De vraag blijft of men daar en toen voldoende de vele overeenkomsten (het vitalisme en irrationalisme) tussen Bergson en Nietzsche heeft opgemerkt? De confronterende stijl van Nietzsche heeft daar in ieder geval niet aan bijgedragen. De eerste die volgens Rukser in Latijns-Amerika over Nietzsche heeft geschreven was Rubén Darío, een schrijver en dichter uit Nicaragua. In 1894 schrijft hij een opstel over Nietzsche, in één adem overigens ook handelend over Multatuli en Nietzsche tevens sterk vergelijkend met Goethe met wie hij, Nietzsche, een universele denkwereld gemeen zou hebben. Een bijzondere en wellicht interessante vergelijking kwam ook uit Zuid-Amerika maar dan wat later, 1947, in Peru. Emilio Costilla Larrea komt dan met ‘Don Quijote i Zaratustra’ een vergelijking tussen Nietzsche en Miguel de Cervantes, geestelijk vader van de dolende ridder uit La Mancha die misschien wel minder idioot is dan we doorgaans aannemen. 

‘Hoeveel tijd hebben sommige filosofen nodig om te merken dat ze gestorven zijn?’

Maar het stevige wortel schieten van een goed begrip zette zich voor de Spaanse intellectueel van eind 19eeeuw nog niet echt door. Geen wonder wanneer je bedenkt hoe het land tot die tijd veel aan de rand van de Europese verlichting had gestaan en niet in de lijn met hetgeen Kant in zijn ‘Was ist Aufklärung?’ stelde, zich van een ‘eigen verstand’ kon bedienen; zoveel religie en theocratie in elke vezel van de samenleving. Maar wanneer  de barrières beslecht zijn, dan gaat het ook op z’n Spaans; gepassioneerd, creatief, mystiek en met veel fantasie. Een vraag van de Spaans/Venezolaanse filosoof en priester Juan David García Bacca (1901 – 1992) is daarin tekenend: ‘Hoeveel tijd hebben sommige filosofen nodig om te merken dat ze gestorven zijn?’ Of de uitspraak van de Bask Miguel de Unamuno dat de filosofie nooit zuiver intellectueel kan zijn omdat niet alleen het hoofd maar het hele lichaam denkt. Ik liet het onlangs nog eens door mijn hoofd gaan toen ik na een lange intensieve dag moe langs zijn geboortehuis in Bilbao liep….

De katholieke wereld worstelde enorm met hetgeen Nietzsche allemaal riep in zijn boeken. Dat moest een gek zijn die op de een of andere wijze aan een psychische aandoening moest lijden. De meeste orthodoxen lieten Nietzsche daarom volledig links liggen, niet wetende wat je met deze denker aan zou moeten. Elke filosofie die vanuit een volledige vrijheid de religie op relativerende wijze de maat naam was a priori een ‘escandalosa libertad de pensamientos’. Het gevecht met Nietzsche kon alleen vanuit het strenge dogma plaatsvinden, elke andere benadering was ondenkbaar. Een van de eerste opvallende uitzonderingen was de Mexicaanse socioloog en filosoof Antonio Caso (1883 – 1946) die verder op onderzoek ging en niet stil bleef staan bij de veroordeling omdat het teksten van een ongelovige waren. Een ander was de Augustijner monnik Graciano Martinez die in 1919 met een eerste boek over Nietzsche kwam: ‘Semblanza del primer superhombre o Nietzsche y el nietzschismo’. Zijn kennis over Nietzsche (‘de schijn van de eerste Übermensch’) was weer een stapje maar ook hij komt niet verder dan de polemiek die door het dogma is ingegeven vandaar dat hij o.a. de Übermensch wegzette als een bewerkte gedachte van Machiavelli, het individualisme als gestolen van Stirner, het immoralisme als dat van La Rochefoucauld en een verheerlijking van de instincten die Nietzsche bij de antieke hedonisten zou hebben afgekeken. Niets nieuws onder de Spaanse zon; ‘No ha hecho nada, absolutamente nada’.

Enrique Molina Garmendia

Het zou dertig jaar duren voordat er een tweede boek over Nietzsche zou verschijnen. Dit keer van de Jezuïet Quintin Pérez die Nietzsche vanuit een ongelimiteerde non-kennis neersabelde, zelfs ‘examenkandidaat’ noemde en Nietzsches irrationalisme als een grote zonde zag. Logisch ‘want een filosoof die buiten in plaats van aan een schrijftafel allerlei dingen opschrijft kan zichzelf alleen maar tegenspreken; een zonde tegen de natuur’. Een ander Jezuïet (Juan Roig Gironella) zet Nietzsche weg als een niet-originele denker, een geraffineerde dilettant, een combinatie van Schopenhauer, Jean Paul en Heine, een woordvoerder met Engelse humor’. De Chileen Enrique Molina Garmendia (1871 – 1964) doet er in zijn boek ‘Nietzsche dionisiaco y asceta. Su vida y su ideario’ uit 1944, nog een schepje bovenop door te zeggen dat Nietzsche als filosoof, als leraar en voorbeeld voor de mensheid een gevaar is! Wie zich met Nietzsche inlaat zal zijn ‘ziel vernietigen en zijn leven ruineren’. De ‘gevaarlijke Nietzsche’ vind veel bijval in de Hispania; Nietzsche als het kwaad van de tijd. 

Het moest eerst 1956 worden voordat er wat grondiger naar de denkwereld van Nietzsche werd gekeken. Dat gebeurde door een andere Chileen, Mario Ciudad Vásquez, die in zijn studie ‘Una approximación paradojal’ Nietzsche met Kierkegaard vergeleek en op veel overeenkomsten stuitte. Ook Ortega laat zich rond die tijd gelden met diverse studies zoals ‘Qué es filosofia?’ waarin hij Nietzsches kritiek op de wetenschappelijke methode verdedigt. Wetenschap wil slechts weten, weliswaar kritisch maar kent altijd de grens van het kenbare, filosofie is onbegrensd op zoek naar waarheid die ver boven de wetenschap uitstijgt. Maar wat schiet de mens die op zoek is naar praktische handvaten er mee op te weten wat de mens redt of te gronde richt? In zijn ‘La idea de principio en Leibniz’ onderstreept Ortega het verschil tussen het religieuze bezit van de waarheid en het streven naar waarheid dat voor de filosofie van even groot belang is als het bezit ervan. Ter introductie citeert Rukser ‘aforisme 606 uit ‘Der Wille zur Macht’ dat in zijn vervorming ook iets anders weergegeven is dan het origineel in de Nachlaß (2/174):  “Man findet in den Dingen nichts wieder als was man einst selbst hineingesteckt hat: dies Kinderspiel, von dem ich nicht gering denken möchte, heißt sich „Wissenschaft“? Im Gegentheil: führen wir fort mit Beidem, es gehört guter Muth zu Beidem — die Einen zum Wiederfinden, die Andern — wir Anderen! — zum Hineinstecken!“ — der Mensch findet zuletzt in den Dingen nichts wieder als was er selbst in sie hineingesteckt hat: das Wiederfinden heißt sich Wissenschaft, das Hineinstecken — Kunst, Religion, Liebe, Stolz. In Beidem, wenn es selbst Kinderspiele sein sollten, — — —.” In dat kader haalt hij ‘Der Wille zur Macht’ nog een keer aan, en wel  aforisme nr. 452: Die Behauptung, daß die Wahrheit da sei und daß es ein Ende habe mit der Unwissenheit und dem Irrthum, ist eine der größten Verführungen, die es giebt”, een uitspraak die de Nachlass is ingegaan onder nr, 15[46] uit het voorjaar 1888. Ortega sluit zich zelfs aan bij een eerdere uitspraak van Nietzsche die kort door de bocht behelst dat een objectieve waarheid alleen bestaat voor diegene die er naarstig naar op zoek is en metafysica alleen bestaat voor diegenen dit het nodig heeft. In het verlengde daarvan is Nietzsche beroemde zienswijze dat er geen waarheid doch slechts alleen perspectieven zijn,  i.c. de subjectieve invulling van de denker, een perspectivisme dat in Spanje meer vorm zou gaan krijgen door de inspanningen van José Gaos. Voor de Latijns-Amerikaanse filosoof Francisco Romero (1891 – 1962) is het de basis voor het grote aantal ‘tegenspraken’ in het werk van Nietzsche, de denker die volgens hem het ‘positivisme ombouwde naar het relativisme en dat vervolgens verabsoluteerde’. Ook de Spaans/Amerikaanse schrijver George (Jorge) Santayana (1863 – 1952) die de voorkeur gaf aan het Engels in o.a. zijn naam, graaft niet veel verder dan Romero in het werk van Nietzsche. De heren zijn op zoek naar de oorsprong van Nietzsches denken en komen niet veel verder dan temperament en romantiek in de kinderlijk aandoende vraagstelling ‘wanneer de wereld een gevolg is van mijn idee, en elke dag weer nieuw is, wat heb ik dan met de waarheid te schaften?’ Toch heeft zijn spreuk die in Auschwitz aan een muur hangt ‘Wie zich het verleden niet herinnert, is gedoemd het opnieuw te beleven’, een aardig nietzscheaanse connotatie. En dat terwijl hij Nietzsche veel ‘geniale domheid’ verweet; ‘Wat hij heeft gezegd is waardeloos, maar dat hij het heeft gezegd is het enige belangrijke’.

Indien Nietzsche het hart van de Heilige Franciscus zou hebben gehad dan zou hij de grootste profeet aller tijden zijn geweest’

De eerste die in Hispania Nietzsche als de vernieuwer in de filosofie beschouwde was de Catalaan Pompeyo Gener (1848 -1920, op z’n Catalaans: Pompeo) die vooral de anarchist maar ook de vitalist in Nietzsche zag. Hij verklaarde de wat wreed aandoende teksten als voortkomende uit Nietzsche ‘Tataarse’ afkomst en verder mistte hij vooral de liefde in het werk van Nietzsche; ‘indien Nietzsche het hart van de Heilige Franciscus zou hebben gehad dan zou hij de grootste profeet aller tijden zijn geweest’. En al klikt het absurd, ik kan me die gedachte goed voorstellen. In ieder geval leken de Spaanse filosofen en schrijvers, al waren ze met een achterstand begonnen, sterk op hun Noord-Europese vakbroeders; een ieder had zijn mening over Nietzsche en interpretatie van zijn schriften. En wat ze ook deelden was het grotere aandeel ‘mening’ en een kleinere dosis kritisch-zelf-Nietzsche-lezen. De Nietzsche vertaler en filosoof Edmundo González-Blanco (1877 – 1938) opperde dat Nietzsche ‘de mensheid geen nieuwe waarheden heeft gegeven maar wel nieuwe vragen heeft gesteld’, ook een Gonzalez-Blanco maar dan Andrés, de literatuurcriticus, vergeleek de werken van Nietzsche met mooie bloemen in een veld met onkruid, Antonio Machado (zie ook verder in dit blog, juni 2017) roemde het grote psychologische inzicht van Nietzsche en diens Zarathustra. En de Argentijn Mariano Antonio Barrennechea was in zijn ‘begeisterung’ nóg ruimer aangezien hij in Nietzsche de onsterfelijke wijsheid zag waartoe de mensheid op aarde is, een wijsheid die volgens Berrennechea verder niet aan enig intellectualisme gebonden was. Nietzsche was voor hem de avonturier van het denken met ‘explosies vanuit zijn innerlijk’ wetende dat Nietzsche voor een mathematische, systematische analyse ronduit zou zakken.

Joacquín Sánchez de Toca

Toch was het niet een filosoof of schrijver maar uitgerekend een politicus die Nietzsches relativiteit van de perspectieven als uitkomst op waarde wist te schatten; Joacquín Sánchez de Toca (Madrid 1852 – 1942) ooit nog Minister President van Spanje en burgemeester van Madrid geweest. Na zoveel uitleg door Feuerbach, Schopenhauer en Stirner (en die lijst is met groot gemak langer te maken) kon er niet weer een nieuwe algemeen geldende waarheid op het wereldtoneel komen. Maar ook dat perspectief zou Nietzsche geweld aandoen, althans dat meende Angel Sánchez Rivero (Madrid, 1888 – 1930) in zijn ‘Papeles pósthumos’ uit 1930. Hij zag in Nietzsche niet alleen een denker met meningen en een visie, – die zijn namelijk net als bij elk ander aanvechtbaar – maar Nietzsche had iets nieuws, een persoonlijkheidsvorm gecreëerd die qua grootte kon wedijveren met Socrates of Jezus. Rivero zag in Nietzsche tevens de verbinder tussen de renaissance en de reformatie. De Columbiaanse schrijver en diplomaat Andrés Holguín (Bogotá 1918 – 1989) sloot zich aan in de rij met bewonderaars en zag in Nietzsche de schepper van een totaal andere atmosfeer waarin een vernieuwende kracht, energie en beleving konden ontstaan.

De eerder genoemde Mexicaan Antonio Caso en Argentijn Francisco Romero (auteur van o.a. ‘Nietzsche, su espíritu y su obra’) zijn in de onderzoeken van Rukser de twee personen die bij uitstek het fundament voor een beter begrip van Nietzsche in de Hispania hebben gelegd. Romero is te zien als het intellectuele vliegwiel voor de filosofie in Argentinië zoals Ortega dat voor Spanje is geweest. In Argentinië – waar momenteel de Nietzsche populariteit weer zeer hoog is, zie ook mijn blog van 10 mei 2022 – leerde men door Romero voorbij het letterlijke lezen van Nietzsches teksten te gaan. Bij Nietzsche gebeurde voor deze eerste Argentijnse Nietzsche onderzoekers iets merkwaardigs; voor het eerst werd een filosoof gelezen en besproken zonder dat deze letterlijk aan zijn teksten werd gehouden. Er ontstond een dynamische interpretatie die meer met bewondering en respect te maken dan met adoratie of afkeuring zoals bij andere filosofen. Ook voor Carlos Astrada (1894 – 1970) een grote Heidegger vertolker voor Argentinië, was Nietzsche de beschermer, de pater familias van de filosofie als geheel. De Uruguayaan Luis Gil Salguero was er in zijn ‘Persona y destino. Ensayo sobre la idea de la existencia indeterminada en F.N’. uit 1937 duidelijk over; ‘in de basis hebben we het bij Nietzsche niet over ideeën maar om persoonlijke aardtrillingen en ervaringen die zijn manier van denken bijna als een droom doen verschijnen zonder dat deze intellectueel uit te leggen zijn en daardoor ook niet aan elkaar te smeden zijn.’ (vert. s.p.)

‘Aldus sprak een mentaal zieke’

José Gaos

Voor José Gaos, ooit nog leerling/vriend van Ortega en vertaler van Heidegger naar het Spaans, was Nietzsche de grootste filosoof waarbij hem vooral de interpretatie van decadentie als geestelijke ziekte en het teloor gaan van de levenswil zeer aansprak. 

Rukser heeft in dit boek uit 1963 het ook nog even over Xavier Zubiri, de Bask uit San Sebastián die samen met twee andere Ortega leerlingen (Gaos en Marías) de ‘Escuela de Madrid’ oprichtte. Zubiri begreep in de lijn van de zoeven geschetste wijze van Nietzsche lezen en interpreteren, dat filosofie niet alleen geholpen is met ‘begrijpen’ maar dat het een bewegen is tussen visies en ideeën, vrij van elk formalisme zoals dat denkers als Goethe en Nietzsche tekent, aldus Zubiri. Een voorlopig laatste naam die ik in het kader van een groeiend begrip wil aanhalen is de eerste naam die ik noemde; Eduardo Nicol. Deze filosoof begreep in de Hispania al in een vroege periode wat de impact van Nietzsches woorden was; geen waarheid meer van God maar ook niet meer van een vervangende autoriteit. Het nihilisme dat eruit brult zal overwonnen moeten worden. Dat was een grotere visie dan die van een Franse arts die in die jaren verkondigde dat Nietzsche alles omgekeerd zag (‘Umwertung aller Werte’) vanwege een hersenaandoening en dat zijn hoofdwerk dus ook had moeten heten ‘Aldus sprak een mentaal zieke’, de filosoof ‘die aforismen schreef omdat hij alleen springend kon denken…’ (wordt vervolgd dus…).


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *