Nietzsche in de Hispania (2/3)

Nietzsche in de Hispania (2/3)

‘Aldus sprak een mentaal zieke’ schreef ooit een Franse arts. In dit tweede deel van mijn betoog over de positie van Nietzsche in de Spaanstalige wereld ga ik nog even kort in op de geestelijke gezondheid van Nietzsche. Immers, ook in de Hispania kon daar vrijelijk over gefantaseerd worden, en dat gebeurde dus ook. Tekenend is bijvoorbeeld de verklaring van de Jezuïet Quintín Pérez dat de schepper van ‘Der Wanderer und sein Schatten’ alleen maar een geesteszieke kon zijn geweest, die tot in de ‘kern van zijn hersens ziek was’, zonder daar overigens verder argumenten voor aan te voeren. De anekdote vertelt dat de Bask Xavier Zubiri daarop gereageerd heeft met de opmerking dat ‘het niet de hersens zijn die denken’.

Udo Rukser haalt in zijn boek ‘Nietzsche in der Hispania’ Gottfried Benn er in deze context bij die op zijn beurt er al eens op gewezen heeft dat onder de grootste genieën en kunstenaars die de wereld heeft voortgebracht veel geesteszieken en schizofrenen zaten. Ik voeg daar graag Heinrich Heine aan toe, iemand die ook niet bepaald vrij van wilde ideeën was, die zo mooi wist te zeggen dat wij niet het idee hebben maar het idee ons en vervolgens ons de arena in slingert waar we als een gladiator gedwongen worden voor ons idee te gaan vechten… Er zijn weinig mensen überhaupt – en in de Hispania in het bijzonder – die de geestelijke ineenstorting van Nietzsche als een groots gebeuren in de westerse filosofie hebben gezien.

Ezequiel Martínez Estrada

Voor de Argentijnse schrijver, literair criticus en essayist Ezequiel Martinez Estrada (1895 – 1964), was dat wel zo. ‘Had niemand hem naar het sanatorium gebracht dan was niemand erachter gekomen dat je verstand verliezen ongeveer hetzelfde is als weinig verstand hebben’. Voor Estrada waren de laatste werken van Nietzsche niet de creaties van een gek maar getuigde het wat Nietzsche ten diepste heeft bedoeld en waarbij hij de verbinding met de menselijke ziel via de muziek heeft gemaakt. De meest ‘Spaanse’, mystieke interpretatie over de ziekte komt overigens onbetwist van de hierboven genoemde Rivero. Voor hem was het duidelijk dat Nietzsche door allerlei lagen van kennis en inzicht is gegaan en toen hij de laatste ‘schil’ doorboorde waarna hij ‘alles zag en het onzegbare begreep’ zijn bewustzijn dit niet kon verwerken, hetgeen tot de grootste tragedie van de mensheid leidde, een ‘drama vergelijkbaar met de kruisiging op de Calvarieberg’.

‘Was ich erzähle, ist die Geschichte der nächsten zwei Jahrhunderte. Ich beschreibe, was kommt, was nicht mehr anders kommen kann: die Heraufkunft des Nihilismus’. Het vijfde hoofdstuk van het boek begint met twee citaten; eentje uit de ‘Ecce Homo’ en bovengenoemde uit de Nachlaß (1887-1888). Een zin die een klein staartje heeft waar je met groot gemak veel actualiteit in kunt categoriseren; ‘Diese Geschichte kann jetzt schon erzählt werden: denn die Nothwendigkeit selbst ist hier am Werke.’ Het is evident dat het Noord-Europese nihilisme zoals zich dat in de geschriften van Nietzsche als profetieën na de dood van God ontvouwde, onder de Spaanse zon een eigen plek moest krijgen. Unamuno schrijft in zijn ‘El sentimiento trágico de la vida’; Si no muero? Que sera de mi? Y si muero, ya nada tiene sentido’, vrij vertaald; ‘wat zal er met mij gebeuren wanneer ik niet sterf (en er dus een hiernamaals is). En wanneer ik sterf heeft niets meer zin.’ De Argentijnse existentialist Carlos Astrada ziet op diverse plekken in de ‘Wille zur Macht’ (de onheuse uitgave waar veel uit geciteerd is) de essentie van Nietzsches nihilisme (dat overwonnen moet worden) terug, zo ook in aforisme 134: ‘All die Schönheit und Erhabenheit, die wir den wirklichen und eingebildeten Dingen geliehen haben, will ich zurückfordern als Eigenthum und Erzeugniß des Menschen: als seine schönste Apologie’. Het is in de grote opruiming door Colli en Montinari teruggebracht naar de Nachlaß (1887-1888). Het nihilisme krijgt niet de ruimte die het – gezien de aandacht die het van Nietzsche krijgt – een goede weergave van zijn werken zou zijn, immers voordat het nieuwe een gezicht kan krijgen moet het oude opgeruimd zijn en daar zit ‘m nu juist de kneep; de traditionele Christelijke waarden zijn zeer diep verankerd en laten geen enkel ruimtelijk licht over welk nihilisme dan ook schijnen.

Antonio Machado, een ijverige Heidegger lezer en in die zin vertrouwd met de begrippen van Zijn en het Niets, was in Spanje een van de eersten die de grootsheid van Nietzsches boodschap een plek wist te geven. Hij dichtte: ‘Dijo Dios: brote la nada / Y alzó la mano derecha / hasta ocultar su mirada. / Y quedó la nada hecha’ (‘God sprak; daar zij het Niets en tilde zijn rechterhand totdat deze zijn ogen bedekte en zo werd het Niets geschapen’.) Indien ‘Iets’ uit het ‘Niets’ voorkomt, zal toch eerst het ‘Niets’ er moeten zijn. Voor de poëet  Machado was dat als een zwarte tafel waarop het wezen van de dingen zich laat zien. In zijn ‘Cancionero apócrifo de Juan Mairena’ vind je de mooie dichtregel terug: ‘Borraste el ser; quedó la nada pura. / Muéstrame! Oh Dios! La portentosa mano / que hizo la sombra: la pizarra oscura / donde se escribe el pensamineto humano’ (‘U hebt het Zijn gedoofd, alleen het zuivere Niets bleef. Toon mij O God, uw machtige hand die de schaduw schiep, de zwarte tafel waarop het menselijke verstand zijn tekens schrijft’, vert. S.P.). Het bestaan van het Niets als tegenhanger van het niet-bestaan, was ook een grote trigger voor de Peruaan Mariano Iberico (1892 – 1974), een filosoof die overigens veel inspiratie uit de ideeën van Bergson haalde, ik memoreerde die invloed al eerder. Ook het ‘Gott ist tot’ postulaat van Nietzsche ligt – in het verlengde van het nihilisme – zwaar op de maag in de academische milieus van Spanje en Latijns-Amerika. Astrada bestrijdt in zijn eigen land Argentinië de interpretatie die bijvoorbeeld van Heidegger stamt, nl. de doodsverklaring van God als de ultieme afrekening van elk bestaan of Zijn aan gene zijde van de dood. Astrada ziet het als het probleem van de vrijheid die de mens heeft. Doordat de mens in vrijheid de irrationele weg kan inslaan vervreemdt hij van zichzelf. Eduardo Nicol ziet Nietzsche eigenlijk als een Kierkegaard maar dan zonder een zingevende God. Zonder God te leven is voor hem een verantwoordelijkheid voor de mens die God heeft omgebracht. Het is een opgave die volgens hem geen onderwerp voor de filosofie kan zijn omdat het gehele leven na de dood van God verandert.

María Zambrano

Ortega ging pas later met de inzichten vanuit het nihilisme verder waarbij hij ook de dood van God als een terugkerend fenomeen ziet maar ook als een onmisbaar vertrekpunt voor elke filosofische activiteit. Leerlinge van Ortega, María Zambrano (1904 – 1991), representante van de Generatie van ’36, verwerkte het idee dat de verdere ontwikkeling van de mensheid niet uit de bronnen van het Christendom gehaald diende te worden maar uit het Duitse idealisme. Een uitspraak van haar uit haar werk “El hombre y lo divino’: ‘De waan van de mensheid om God te willen zijn heeft in de persoon van Nietzsche tot een slachtoffer geleid. Een opoffering die hem afzonderde van het geestelijk leven in die tijd, hem tot een zonderling en onbegrijpelijk maakte’, (vert. S.P.). Zambrano is overigens een filosoof die in 2017 op de tentoonstelling ‘Delirium & Destiny in Rotterdam veel aandacht kreeg.

Een kritische houding ten opzichte van de vertrouwde God is de gedachte van de goddelijke projectie die Vicente Fatone bezigde. Voor deze Argentijn (1903 – 1962), bekend door zijn boek over het nihilistisch boeddhisme, was het duidelijk dat we ons van onszelf verwijderen wanneer we God eren. We creëren dan immers een projectie waar alles op gericht is en de-centreren onszelf. Om de waarde van onszelf terug te kunnen vinden zullen we dus alle heilige leugens overboord moeten gooien. Moeten durven gooien. 

Toch zal de inbedding van gedachten die het bestaan van God in een ander licht benaderen gering zijn in de Hispania. Er waren geen schrijvers met een aanhang dan wel beweging zoals Gide, Sartre of Camus die zich meer met dit existentiële probleem hadden bezig gehouden. Zij die Nietzsche wel lazen en bestudeerden hebben er in ieder geval wel voor gezorgd dat het vitalisme van Nietzsche een fundament heeft kunnen krijgen. De Spaanse literatuurcriticus César Barja (1890 – 1951) wijst in dit opzicht op het belang van Nietzsche. Door Nietzsche komt het leven pas tot zijn echte waarde, niet als een middel of instrument voor iets dat later of voor iemand anders plaats zal vinden, maar gewoon als onafhankelijke realiteit, als een zelfstandige kracht en ook als een eigen waarde. Voor hem geldt het Dionysische ja-zeggen tegen de wereld zoals deze is. De waarde van het leven hangt af van dit ja-zeggen, een zienswijze die Ortega onderschrijft en ook zijn leerling Rivero. Het leven heeft geen rechtvaardiging van iets of iemand buiten onszelf nodig. De waarheid en de redenen voor die waarheid liggen voor Nietzsche immers als symptomen in het leven zélf, zij zijn alleen op hun werkzaamheid en niet op een verabsoluteerde waarheid van elders terug te voeren. In de optiek van Ortega is Goethe in dit opzicht Nietzsche al voorgegaan; het doel van het leven is besloten in het leven zelf, niet door iets dat erbuiten ligt. Als Ortega al een doel zou moeten noemen ligt dat in een morgen dat beter is dan vandaag. Het leven is nu eenmaal niet iets vastomlijnds maar bestaat juist uit een voortdurend zichzelf makend geheel van momenten. Hij wijdt in zijn deel 2 van zijn verzameld werk (‘El tema de nuestro tiempo’) een heel hoofdstuk (‘Valores vitales’) aan deze op Nietzsche geïnspireerde zienswijze.

Rafael Garcia Bárcena

Der Wille zur Macht als concept krijgt uiteraard veel aandacht in het werkveld van ‘Nietzsche in der Hispania’ wanneer je je als onderzoeker beroept op Nietzsches hoofdwerk met dezelfde titel. Al zijn de verwijzingen in biografisch opzicht onjuist, toch blijft de essentie overeind. Veel verwijzingen gaan naar die essentie terug; de wil tot waarheid is niet zozeer gestoeld op motieven voor die waarheid zélf maar veel meer een wil tot onontbeerlijkheid, een wil tot nut en voordelen, een wil tot macht. Rafael García Bárcena (Cuba, 1908 – 1964) grondlegger van het MNR (Moviemento Nacional Revolucionaria) tijdens de Cubaanse revolutie, wijst in zijn ‘Estampa espiritual de Friedrich Nietzsche’ op de juiste dimensie van die wil tot macht. Niet als een egoïstische uitleg dat het de macht voor de elite zou betreffen maar dat het de macht betreft die ons collectief verder brengt, die ons leven de inhoud geeft. Niet de macht die sommigen erin lazen zoals rijkdom, dominantie of militaire kracht.

De riten en dogma’s in religies zijn voor de Catalaanse psychiater, schrijver en filosoof Diego Ruiz Rodríguez (1881 – 1959), ook tekenen van een wil tot macht. Ze borgen immers de ‘absolute waarheid’ en onschendbaarheid van haar vertolkers. José Gaos bespeurt dezelfde wil tot macht in de filosofie, met name in diens leraren die hun wil tot macht verstoppen in kennis en pedagogiek. Voor de Chileen Enrique Molina, diens kritische en ongenuanceerde woorden haalde ik al eerder aan, was de wil tot macht de zoveelste stap te ver én in de verkeerde richting, het zou namelijk leiden tot een afschaffing van de cultuur en een terugkeer naar de barbarij, zo schreef hij in 1958. En dat terwijl vier jaar daarvoor Eduardo Nicol al duidelijk op de essentie van de wil tot macht had gewezen en had aangetoond dat Nietzsche daarmee de wereld voor een groot pessimisme had behoed. Voor hem was de wil tot macht een nieuw perspectief waardoor de vitaliteit en de kunst weer meer waardering konden gaan krijgen. Luis Díez del Corral (1911 – 1998), jurist, politicoloog en schrijver, was zeer verheugd met het idee van Nietzsche. Hij zag dat Nietzsche de kunst zeker stelde, namelijk als vorm, als middel waarin die wil tot macht zich kon manifesteren. Azorín (pseudoniem voor José Augusto Trinidad Martínez Ruiz (1873 – 1967) kon als schrijver goed voortborduren op de wil tot macht gedachte van Nietzsche. Als lid van de Generatie ’98, wilde Azorín vernieuwing in de kunst, in de literatuur met omverwerping van alle traditionele kunstopvattingen en waarden. 

In Mexico was het Antonio Caso die Nietzsche niet helemaal begrijpend wel een lans voor hem brak aangezien deze Duitser ‘veel bijgeloof omver wierp en het actieve leven als zijn evangelie predikte’. Enrique Molina, de Nietzsche tegenstander die ik al even eerder opvoerde, zag in de ‘Umwertung aller Werte’ een ‘delirio intelectual’. Karl Jaspers en anderen waren volgens hem er gewoon ingetuind, Nietzsche was immers geen filosoof maar een schrijver van pamfletten. Voor Francisco Romero lag het anders. Hij maakte kennis met de ‘Genealogie der Moral’ en zag in hoe we producten zijn van eerder gevormde moraalopvattingen, overtuigingen en conventies. Dat gaf sommigen het gevoel van bevrijding zoals de Argentijn Jose Ingenieros, een positivist die in zijn jeugd een groot fan van Nietzsche was geweest. In zijn onderzoek naar seksuele moraal interpreteerde hij Nietzsches uitspraak dat ‘elke moraal een spontaan resultaat is van een collectieve ervaring’. Hij vertaalde het in zijn ‘Hacia un moral sin dogmas’ naar een ‘moral ecónomica’, de moraal die door de meerderheid over de minderheid werd uitgestrooid. Jezuieten als Quintín Pérez bleven ondertussen worstelen met Nietzsches ‘Umwertung aller Werte’.

‘Así hablaba Zorrapastro – un libro para nadie y para todos’

Een verkondiger van een soort evangelie, een boek met een titel en aureool van iets heiligs, dat moet de Spanjaard rond de eeuwwisseling aanspreken. Dat deed het ook. Voor de Argentijnse essayist Martínez Estrada konden de complimenten niet groot genoeg zijn; een samenspel van winnaars, een euforisch intermezzo, een eruptie van de slimste veronderstellingen over het menselijk leven waarbij Nietzsche in zijn ogen alle vormen van de poëzie inzet: de mythe, de allegorie, de parabel, het raadsel, de hymne, de elegie, waaruit zijn oprechte boodschap zeer intensief spreekt. Maar er zijn ook tegengeluiden, zeer zeker van de inmiddels bekende Jezuïet Quintín Pérez die in de Zarathustra duidelijk sporen van Hölderlin’s ‘Empedokles’ en de ‘Epimetheus’ van Spitteler meent te ontdekken. Nietzsche zou volgens hem ook veel van Stendhal hebben gestolen. Zonder de boodschap(pen) in het werk op enige andere waarde te schatten gaat hij in zijn ongenuanceerde aanval verder door het werk als een ‘dagboek van bedenkelijk niveau en noch epos noch roman’ te betitelen. Een boek zonder plan, op goed geluk geschreven, zonder een groter idee’. Het zijn zo her en der bij elkaar gesprokkelde waarderingen die Pérez in 1943 bezigde over de Zarathustra.

Diegene die zich verder vanuit een traditionele en rationele filosofie met dit werk bezighield kon eigenlijk ook niet veel anders concluderen dan dat dit op z’n zachtst gezegd een bijzonder werk was. De Peruaan Costilla Larrea had aan het hele boek nog wel een Don Quichotte vergelijking gewijd en in zijn boek uit 1943 paralellen rond entiteiten als geleerden, God, de kerk en heiligen getrokken. In Spanje waagde een anonieme schrijver zich aan een cynische parodie op het werk; ‘Así hablaba Zorrapastro – un libro para nadie y para todos’ (Valencia, 1904) wat vrij vertaald zoveel wil zeggen als ‘Zo sprak Jan Dronkaard – een boek voor niemand en voor iedereen’. In plaats van een Übermensch wordt er een falende mens ten tonele gevoerd, een ‘hombre inhábil’.
In weer een andere parodie uit 1923 ‘Así me fecundó Zaratustra – Recuerdo de una ex-mujer’ doet de auteur Joaquin Arderius een experiment door de belevenissen van de Zarathustra uit het origineel vanuit een vrouwelijk standpunt te bezien. Een oude vrouw die samen met een kraai hoog in de bergen leeft kijkt terug op haar leven…
Een serieuzere benadering van de Zarathustra komt in 1906 met de uitgave ‘Paradox rey’ van de Bask Pío Baroja (1872 – 1956), een werk dat overigens ook in het Nederlands is vertaald (‘Koning paradox’) en waarin weliswaar op een persiflerende wijze de grotere onderwerpen uit het origineel terugkomen. De eeuwige terugkeer van het gelijke is zo’n thema.

Jorge Luis Borges

Een andere, betekenisvolle benadering, komt van een Argentijnse dichter die nog niet ter sprake is geweest maar die alleszins een prominente plek in de Spaanstalige en de wereldliteratuur heeft ingenomen; Jorge Luis Borges (1899 – 1986). Deze icoon van fantasie en werkelijkheid – volgens Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa ‘de grootste Spaanstalige schrijver sinds Cervantes’ – verdiepte zich in die intrigerende gedachte van Nietzsche over de terugkeer van het gelijke. De gedachte had in zijn belevenis niets te maken met een feitelijke onwetendheid, verwardheid rond een herinnering en inspiratie, of een vermeende ijdelheid van de verkondiger. Voor Borges was het een grammaticale vondst door de profeet vanuit de eerste persoon enkelvoud te laten spreken. Geen aanhalingstekens of verwijzing naar een wijsheid uit vervlogen tijden maar een eigen gedachte die geen aanhalingstekens behoeft. En de boodschap was helder: Nietzsche’s alter ego is op zoek naar mensen die de gedachte van een eeuwige wederkeer van het gelijke kunnen doorstaan, ja zelfs toejuichen. In 1944 doet een andere filosoof uit Argentinië (met Italiaanse roots), Rodolfo Mondolfo (1877 – 1976) een dappere poging om vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt de tegenstelling tussen de ‘wil tot macht’ – die immers steeds een nieuwe situatie schept – en de ‘eeuwige terugkeer van het gelijke’ toe te lichten. Die uiteenzetting is te uitgebreid om hier te vermelden maar zijn werk is misschien wel om te onthouden al was het maar om de intrigerende titel ‘Determinismo contra voluntarismo en la filosofía de Nietzsche’

Veronderstellen dat Nietzsche de ogenschijnlijke tegenstelling tussen beide leren uit zijn eigen Zarathustra niet zou hebben opgemerkt getuigt van een grove onderschatting van Nietzsches geest, aldus Rukser. Daarvoor komt hij ook op de zienswijze van Heidegger op deze thematiek te spreken, een uitleg die vooral semantisch is aangezien Heidegger ‘De wil tot macht’ vooral vanuit het ‘wat’ duidt en de eeuwige wederkeer vanuit het ‘hoe’. Misschien zou Nietzsche de wetenschappers en filosofen vanuit zijn graf in Röcken graag willen toefluisteren dat ze verder moeten wandelen dan de steen in het Zwitserse Engadin waar hij louter en alleen een gedachte kreeg, geen bewijs voor een theorie…

‘El superhombre’ voor de caballeros de la hispanidad?

De Catalaan Pompeyo Gener die ik al eerder noemde als een van de eerste vertolkers van Nietzsche in Spanje, had weliswaar moeite met het krijgslustige taalgebruik van Nietzsche en diens alter ego maar de verdere gedachten achter de superhombre kregen van hem een warm onthaal. Hij begreep de gedachte die Nietzsche in zijn boek had gelegd en dan met name de opgave die Nietzsche de mensheid had gegeven. Hij dichtte deze superhombre wel goddelijke gaven toe door hem als een God in wording (in fieri) voor te stellen. Gener legde met zijn enthousiasme in de Hispania een loper uit voor deze superhombre maar was daarmee ook in het begin verantwoordelijk voor de interpretatie bij zijn taalgenoten en vakbroeders. ‘Begeisterte’ Nietzscheanen zagen de draagwijdte en de grootte van de ‘Übermensch’ als bewijs voor een volgende episode in de geschiedenis. Die positieve duiding bleek echter minder op de filosofische inhoud gestoeld dan op de literaire waarde. Enrique Molina bijvoorbeeld reageerde nogal ongenuanceerd op het werk door het weg te zetten als het zoveelste heldendicht over heldendom. Nietzsche zou volgens hem alleen hebben geprobeerd om rond heldenstatus en heerszucht een denksysteem op te tuigen. In Mexico krijgt Zarathustra van Antonio Caso ook geen warm bad. Hij noemt de held zelfs de ‘de zoon van pijn’. De Baskische schrijver Ramiro de Maeztu, ook onder de vleugels van de Generatie ’98 en wel eens de ‘Spaanse Nietzsche’ genoemd,  goot een Spaans sausje over de Übermensch zoals ze dat in sommige Duitse kringen ook voor hun geopolitieke toekomstvisie aan het construeren waren. Die superhombre….was dat niet een toekomstvisie voor de ‘caballeros de la hispanidad’ die eigenlijk ‘caballeros de la humanidad’ moesten worden? Veel begrip over de Zarathustra bleef hangen op een Darwiniaanse uitleg die voor de Spaanse studenten en schrijvers zelfs over meer wetenschappelijke basis vervoegde dan Nietzsche. Ortega verwerkt zijn eigen afdronk in zijn ‘La rebelión de las masas’ (‘Opstand van de massamens’, zie ook mijn blog van 8 december 2021). Voor hem is het na anderhalve eeuw Christelijke nivellering de hoogste tijd om duidelijk te stellen dat er onderscheid tussen groottes in geest waar te nemen zijn. Grotere geesten willen scheppen, kleinere zijn tevreden met het eenvoudig bestaan en hun eigen zijn, aldus Ortega in zijn rebelión. In de ogen van Eduardo Nicol is de minachting van Nietzsche voor de kleine geesten met name gegroeid doordat zij geen ontwikkeld gevoel hebben voor het tragische.

Carlos Astrada

Carlos Astrada ziet de superhombre louter als een doel; de mens die boven zichzelf uitsteekt als doel van de menselijke existentie. En voor Astrada is het boek van de ‘profeet’ niet een groei van de civilisatie maar een ultiem bewijs van het labyrint waar de mensheid zich in begeeft; een tragedie zonder uitweg. Het zal ook de vroegere existentialist en latere marxist Astrada zijn die de strijd met Lukács aangaat wanneer deze Nietzsche als een voorloper van de nazi’s beschouwt. De positie van de Antichrist wordt door Rukser vooral vanuit kritiek op het instituut kerk, de ‘Institutionalisierung des Heiligen’ behandeld. Hij opent dit fragiele onderwerp met de kritiek die Unamuno op Nietzsche had en spreekt zijn spijt uit dat Unamuno niet wat meer Nietzsche zélf had gelezen in plaats van óver hem aan te horen en daardoor zijn conclusies te trekken. Gelukkig was er de bekende essayist en filosoof Julián Marías (1914 – 2005) die Nietzsche en Kierkegaard als Christelijke criticasters in één adem noemde. Na Nietzsche was de oproep aan het individu om autonoom de eigen existentie te zoeken sterker geworden en zich te ontdoen van het Christelijke juk. Voor anderen was dat door Nietzsche met name bedoeld richting het Duitse Christendom en niet zozeer de Latijnse variant….Het is maar wat je wilt begrijpen.


– Die Kirche ist exakt das, wogegen Jesus gepredigt hat -‘

Rukser zelf betrekt in zijn beschouwingen vooral Dostojewski om aan te tonen hoe deze Rus en Nietzsche een overeenkomstige en meedogenloze afkeur richting Paulus hebben aangezien deze een belangrijke grondlegger was voor menig theologische interpretatie. Dat Nietzsche tegen alles wat naar religie rook in opstand kwam wil Rukert graag nuanceren. Hij haalt hiervoor ‘Jenseits Gut und Böse’, en wel ‘Das religiöse Wesen’ aan: ‘Jesus sagte zu seinen Juden: „das Gesetz war für Knechte, — liebt Gott, wie ich ihn liebe, als sein Sohn! Was geht uns Söhne Gottes die Moral an!“ — . Desalniettemin heeft het in de Hispania erg lang geduurd voordat men iets van een verschil tussen de Christelijke leer en die van Jezus zag, aldus Rukert. Hij haalt hiervoor ook nog een uitspraak uit de ‘Wille zur Macht’ aan (nr. 168): ‘— die Kirche ist exakt das, wogegen Jesus gepredigt hat — und wogegen er seine Jünger kämpfen lehrte —’ (Een zin die later veilig is opgeborgen in de Nachlaß 1887, 11-257). Voor de Cubaan Bárcena had Nietzsche in heel zijn anti-Christendom opstelling juist alles van een Christen in zich: waarheidsgetrouw, plichtgevoel, religieus karakter, een dappere wil, zelfoverwinning, ascese en liefde. Bárcena heeft er meer respect voor dan voor de talloze meelopende Christenen die zich lui en gemakkelijk achter dogma’s en kerkleer verschuilen en daarmee diametraal tegenover de leer van Jezus staan. Voor de Jezuïeten Gironella en Pérez gaat de Antichrist van Nietzsche echter over elke denkbare schreef. Nietzsche wordt door hen niet filosofisch benaderd maar zuiver wetenschappelijk en dan in de categorie ‘oppervlakkig, niet geschikt voor enige geleerdheid’ in de hoek gezet. 

Ramiro de Maeztu

Eem van de meest gepassioneerde Nietzsche aanhangers uit de Generatie van ’98 was, zoals ik al eerder noemde, Ramiro de Maeztu. Na zijn bekering tot het katholieke geloof bleef hij openhartig over zijn schatplichtigheid aan Nietzsche. In 1934 schreef hij een betoog over zijn bekering en schrijft daarin het volgende – en ja, ik wil graag ook even het Spaanse origineel mee laten klinken, waarna ik een Nederlandse vertaling zal geven:

“Aún es más extraño que deba yo a Nietzsche mi alejamiento de los utopistas y mi convicción de que es preciso para que los hombres se perfeccionen, que se sientan de nuevo pecadores, como en los siglos de más fe. Esta consecuencia de las doctrinas de Nietzsche no ha llamado tanto la atención como su odio al Cristianismo y su concepción del superhombre, pero creo que, andando el tiempo, será Nietzsche considerado como uno de los precursores del retorno de los intelectuales a la Iglesia, y merecerá este honor por haber sido el pensador moderno que con más elocuencia ha enseñado a las gentes a desconfiar de sí mismas. Yo había leído a Nietzsche por patriotismo. La flojedad que sentí en mí y en torno mío durante los años de las guerras coloniales, terminadas en 1898 con la agresión de los Estados Unidos, que a su prestigio de potencia invencible unió la aureola de nación libertadora de pueblos oprimidos, me hizo sentir la necesidad de hombres superiores a los que teníamos. ¡Hombres superiores! Lo que España necesitaba es lo mismo que Nietzsche había predicado: «Os enseño el superhombre. El hombre es algo que debe superarse. ¿Qué habéis hecho para superarle?”

Het klinkt misschien vreemd dat ik het aan Nietzsche te danken heb dat ik mij los heb kunnen maken van de utopisten en tot de overtuiging ben gekomen dat de mensen zich net als in meer gelovige tijden weer zondaars moeten voelen om betere mensen te worden. Deze consequentie uit Nietzsches leerstellingen heeft niet zoveel aandacht getrokken als zijn haat tegen het christendom en zijn opvatting van de Übermensch, maar ik geloof dat Nietzsche mettertijd zal worden beschouwd als een van de voorlopers van intellectuelen die naar de kerk terugkeren. Deze eer komt hem toe omdat hij als geen enkele andere moderne denker de mensen heeft geleerd zichzelf te wantrouwen. De zwakte die ik in mezelf en om heen voelde tijdens de jaren van de koloniale oorlogen, die in 1898 eindigden door de agressie van de Verenigde Staten, die aan hun prestige als onoverwinnelijke macht met een aureool van een natie die onderdrukte volkeren bevrijdde, bijdroeg, maakte dat ik behoefte had aan mannen die superieur zijn aan degenen die we destijds hadden. Mannen met meer kracht! Wat Spanje nodig had, is hetzelfde wat Nietzsche had gepredikt: ‘Ik leer je de superman. De mens is iets dat overwonnen moet worden. Wat hebben jullie gedaan om hem te overwinnen? (vert. S.P.)

Het derde en laatste deel van mijn betoog over de ‘Spaanse Nietzsche’ verwacht ik eind augustus te kunnen publiceren.


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *