Het wendbare verleden. Nietzsche in postmoderne tijden

Het wendbare verleden. Nietzsche in postmoderne tijden

Met het waarschuwende gezegde ‘wat aandacht krijgt groeit’ in mijn gedachten, rijst tevens de vraag of je als lezer blij moet zijn met het groeiende aantal publicaties over opkomend populisme. Internationale studies, essays en krantenartikelen geven al jaren aandacht aan het fenomeen en met het vorig jaar bij uitgeverij Damon verschenen ‘Het wendbare verleden, Nietzsche in postmoderne tijden’ heeft Sybe Schaap ook weer een vervolg gegeven aan het maatschappelijk fenomeen dat hem intrigeert. In voorgaande titels als ‘Het onvermogen te vergeten’, ‘De mens als maat; Nietzsche’s worsteling met het ressentiment’ en ‘Het rancuneuze gif’, kwamen al veel van de onderwerpen aan bod die in deze laatste aanwinst ook de revue passeren. En passeren doen ze want eerlijk is eerlijk; het boek boeit wanneer je interesse voor Nietzsche, populisme en ressentiment hebt, maar het was zoveel boeiender geweest wanneer het zich tot maximaal de helft had beperkt en de auteur zichzelf niet zo vaak had herhaald. Het heeft er soms de schijn van dat hij de tien hoofdstukken op zeer verschillende tijdstippen heeft geschreven en met een maximaal vermogen om te vergeten (…) al weer kwijt was wat hij al vaker heeft gemeld. Echter, het onderwerp verdient aandacht, ook wanneer het daarmee zou groeien; op de snijlijnen van Nietzsche’s naar waarschuwing lijkende uitspraken en de hedendaagse populistische  afnemende waardering voor feitelijkheden, ontspint zich een patroon dat naar een cocktail van diverse soorten ressentiment smaakt. 

Ook in een studie als deze is de positie van de door Nietzsche dood verklaarde God onmiskenbaar van grote betekenis. Schaap haalt de parabel van Zarathoestra op het marktplein nog maar weer eens aan en belicht in de context van zijn onderzoek zijn visie op hetgeen Nietzsche hier nu eigenlijk via zijn Zarathoestra verkondigt. De moord van God die verder gaat dan een populaire duiding van ontkerkelijking of vermeend atheïsme. Nee, een roekeloze daad waarvan we de portee nog niet helemaal kunnen overzien nu we het met beide benen op de grond alleen moeten doen, zonder God of welke andere metafysische invulling dan ook. Hoe staat het met onze zedelijke verbondenheid, verleend gezag aan autoriteiten en de vitaliteit van de samenleving? En hoe om te gaan met het kwaad dat een andere connotatie dan het ‘slechte’ krijgt? 

vertrekkend zeilschip

Schaap gaat op reis met Nietzsche en vertaalt in eigen woorden maar met een vreemde aforisme nummerverwijzing; ‘We hebben het land verlaten en zijn scheep gegaan! We hebben niet alleen de bruggen, – we hebben ook het land achter ons gesloopt! Wel, schepelingen! kijk om je heen! Overal om je heen de oceaan, en het is waar, hij raast niet altijd. Maar er komen momenten dat je zult ontdekken dat hij oneindig is en dat er niets vreselijker is dan oneindigheid… Wee het moment dat je overvallen wordt door heimwee naar land, alsof daar meer vrijheid heerste, – en er is geen ‘land’ meer!’ 

In het originele Duits van Nietzsche klinken de klanken als volgt: ‘Im Horizont des Unendlichen. — Wir haben das Land verlassen und sind zu Schiff gegangen! Wir haben die Brücke hinter uns, — mehr noch, wir haben das Land hinter uns abgebrochen! Nun, Schifflein! sieh’ dich vor! Neben dir liegt der Ocean, es ist wahr, er brüllt nicht immer, und mitunter liegt er da, wie Seide und Gold und Träumerei der Güte. Wehe, wenn das Land-Heimweh dich befällt, als ob dort mehr Freiheit gewesen wäre, — und es giebt kein „Land“ mehr! ‘Die fröhliche Wissenschaft’, 124.)

Sybe Schaap maakt zelf ook een brug in zijn studie; nu de vaste en eeuwige samenlevingsorde is afgebroken, het ‘vaderland’, is de ‘waarheid’ voor iedereen grijpbaar geworden en kan ook de postmodernist zichzelf in staat achten boven de afgrond van al die nieuwe vrijheid te volharden met een eigen waarheid die teruggrijpt op het regressieve. ‘Vluchtwegen’ heten deze in de tekst. De oude geschreven geschiedenis dient plaats te maken voor een nieuwe variant met daarin prominente plaatsen voor entiteiten als macht, volk, natie en identiteit. Ik citeer de auteur: ‘Bedreiging: dat is de eigenlijke afdekking van het drijfzand, waarop het verhaal is gebouwd. Van buitenaf de bedreiging door volksvreemde entiteiten, van binnenuit door groeperingen of ideologieën die het verraad organiseren.’ Identiteit die de plek inneemt van het ‘goede’ waar het niet-goede –  lees niet-identieke-  tegenover komt te staan. En waar nodig roepen we nog de oude God aan die vanuit een evangelische ‘waarheid’ zich manifesteert in een populistisch denken dat een uiteindelijk gepolitiseerd standpunt mogelijk maakt. Hoe dan ook, in elke constellatie is de vijand ‘de ander’ en het weggevallen sacrale fundament van de zedelijke ordening heeft een nieuwe invulling nodig. Maar kent de postmodernist zichzelf? Wil de populist wel een vorm van zelfreflectie? Is hij überhaupt op zoek naar zelfkennis? Weten vanwaar hij komt en waarheen hij wil?

In het derde hoofdstuk neemt de auteur de lezer mee naar Nietzsche’s wil tot macht. Hij haast zich al gauw door er voor de niet-Nietzsche lezer op te wijzen dat hier macht geenszins bedoeld is als wil tot overheersing van een ander of anderen. Je vraagt je sowieso af welke lezer de auteur voor ogen heeft gehad bij het schrijven van dit boek? Zijn eigen filosofische en politieke mix geeft wellicht al iets prijs van het antwoord op die vraag. Diverse onderwerpen die aan Nietzsche – en in een breder perspectief aan de filosofie – kleven, komen in het boek aan de orde. Bij ‘wil tot macht’ vertaalt Schaap een kort fragment uit de Zarathoestra (een gedeelte uit “Von der Erlösung”) om een licht te werpen op het fenomeen ‘de wraak’. In de vertaling van de auteur; ‘Willen bevrijdt: maar hoe heet datgene wat zelfs de bevrijder nog in ketenen slaat? “Het was”: zo heet het knarsen der tanden en de eenzaamste treurnis van de wil. Onmachtig jegens wat is gedaan – is hij een boze toeschouwer van heel het verleden. De wil kan niet achterwaarts willen; dat hij de tijd niet kan breken…is zijn eenzaamste treurnis… Dat de tijd niet terugloopt stemt de wil verbolgen; “wat was” – zo heet de steen die hij niet kan wentelen. En dus wentelt hij stenen uit verbolgenheid en wrevel en wreekt hij zich op degene die niet, zoals hij, verbolgenheid en wrevel voelt. Zo werd de wil, de bevrijder, een pijniger: en neemt hij wraak op al wat kan lijden, wreekt hij zich omdat hij niet terug kan. Dit, dit alleen is bepalend voor de wraak: de weerzin tegen de tijd en zijn “het was”. 

Het Duitse origineel inclusief de tussenliggende zinnen: 

Wollen befreit: aber wie heisst Das, was auch den Befreier noch in Ketten schlägt?

„Es war“: also heisst des Willens Zähneknirschen und einsamste Trübsal. Ohnmächtig gegen Das, was gethan ist — ist er allem Vergangenen ein böser Zuschauer.

Nicht zurück kann der Wille wollen; dass er die Zeit nicht brechen kann und der Zeit Begierde, — das ist des Willens einsamste Trübsal.

Wollen befreit: was ersinnt sich das Wollen selber, dass es los seiner Trübsal werde und seines Kerkers spotte?

Ach, ein Narr wird jeder Gefangene! Närrisch erlöst sich auch der gefangene Wille.

Dass die Zeit nicht zurückläuft, das ist sein Ingrimm; „Das, was war“ — so heisst der Stein, den er nicht wälzen kann.

Und so wälzt er Steine aus Ingrimm und Unmuth und übt Rache an dem, was nicht gleich ihm Grimm und Unmuth fühlt.

Also wurde der Wille, der Befreier, ein Wehethäter: und an Allem, was leiden kann, nimmt er Rache dafür, dass er nicht zurück kann.

„Diess, ja diess allein ist Rache selber: des Willens Widerwille gegen die Zeit und ihr „Es war.“

(Uit ‘Also sprach Zarathustra II: Von der Erlösung’). 

Schaap neemt hier al een sprintje naar voren en wel naar het onderwerp van zijn een-na-laatste hoofdstuk; Historiciteit, dat handelt over de eeuwige terugkeer van het gelijke.  ‘De wil tot macht’ duurt onverminderd door waarbij Nietzsche in de woorden van Schaap zich afvraagt welke gedrevenheid en gerichtheid zich in deze wil manifesteren? Voor de wils-sterkte heeft hij wel een uitleg; het is het vermogen naar zichzelf te luisteren, zichzelf te horen en te kennen en daarop te reageren. Zonder weerzin zichzelf te beheersen. In het verlengde daarvan stelt Schaap dat over zichzelf machtig zijn vooronderstelt dat men zichzelf dient te kennen. En daarenboven; de wil boven zichzelf uit te stijgen, zichzelf te overwinnen. Grote woorden uit de geschiedenis komen gemakkelijk de huiskamer is maar afsluitend met Nietzsche’s wens mensen te vinden die hem niet volgen, vindt Schaap mij bij zijn analyse aan zijn kant. Alleen jammer dat hij het Zarathustra fragment nogmaals aanhaalt. Zoals ik al stelde lijkt deze auteur soms een verrassend vermogen om te vergeten te hebben. 

Het wendbare verleden
Het wendbare verleden. Nietzsche in postmoderne tijden

Ook de Übermensch en de uitleg die Schaap eraan geeft, krijgt een plek in dit grote manifest tegen het populisme. Want we hebben het niet over de atheïst stelt Schaap, niet over de God ontkennende of bestrijdende, maar over de mens die op de allegorische markt zijnsgelijken zoekt tussen hen die eveneens verstoken zijn van een zedelijke geordendheid. Met de tweeledige uitleg van ‘Über’ in de hand krijgt de lezer de datief en accusatief uitgelegd om uiteindelijk te eindigen in de stelling dat de Übermensch zich uitgedaagd weet naar het betekenisvolle, zinvolle, waarden-volle en verheffende. Daarna volgen in dit hoofdstuk nog vele interessante pagina’s waar Schaap ingaat op het probleem van het goede en het kwade en het verschil met het slechte. Een prominente plek daarbij krijgt het onmenselijke dat immers ook menselijk is ‘ongeacht de moraal-context’. Het is dan nog maar een kleine stap naar het frequent aangehaalde ressentiment. Het onvermogen afstand te bewaren, of om het wat fraaier in termen van Nietzsche te zeggen de ‘pathos van distantie’. Geboren is de status die voortkomt uit onmacht zichzelf gevoelsmatig te benaderen, drijfveren te begrijpen laat staan die van een ander. Onmacht die zich vertaalt in wraakzucht. Daar voelen we de connectie bij de tijd van vandaag en eveneens de terugkeer van het gelijke; tijdloze driften. De slachtoffers krijgen het gelijk aan hun zijde, zijn immers slachtoffer van ‘elites’ die zich aan gene zijde in een groot complot hebben verenigd. De ‘slachtoffers’ wordt tekort gedaan. Tijd om het accent op een eigen identiteit te leggen, de gezamenlijke geschiedenis te omarmen en een gedeelde herkomst te koesteren; nationaal, etnisch en misschien ook nog wel raciaal. De ‘ander’ krijgt iets obsessief dreigends waarmee de onzen het goede aan hun zijde krijgen. Schaap gaat in de versnelling en fileert de meest actuele stand van zaken in de samenleving. Dat zoiets ook buiten en zonder Nietzsche kan is evident, maar toch; hier raken historische en actuele lijnen en het knettert, het is geladen.

De pathos van distantie uit Nietzsche’s werken krijgt in dit boek vervolgens veel aandacht. En terecht zou ik willen stellen, zeker nu de polarisatie zich op allerlei tonelen aftekent en naar ik mag geloven zich ook afspeelt op de digitale kanalen waar ressentiment elkaar vindt, versterkt en nog niet aangeslotenen aanspoort. Nietzsche wenst de mensen op de markt een andere toekomst, een die zich niet laat invullen door onverschilligheid, valse verzinsels of ressentiment maar veeleer een perspectief dat ontstaat door zichzelf machtig te worden. 

Die Wüste wächst: Weh dem, der Wüsten birgt! Die Wüste wächst: weh wer zur Wüste ward!

‘Het afgrondelijke’ heet het vijfde hoofdstuk. Schaap gaat nog eens langs de ideeën van Nietzsche betreffende een wereldorde, door in een summiere toelichting de chaos in het zadel te tillen en wel vanuit de vrolijke wetenschap. Ook hier rijst bij mij de vraag waar de verwijzing ‘146’ op slaat. Ik citeer uit het boek: : ‘De Wüste heeft voor hem (Nietzsche s.p.) ten diepste de betekenis van chaos. Het chaotische ziet hij kosmologisch, dan wel metafysisch als het ultieme kenmerk van de wereld – in het grote en in het kleine. Hij huldigt dan ook de stelling, dat de wereld onontkoombaar en tot in alle eeuwigheid chaos is. De wereld is ten principale niet geordend, doelbepaald, schoon of edel, evenmin definitief in evenwicht te brengen door esthetische waarden of morele regels. De voormoderne bewering, dat de fysieke zowel als de menselijke kosmos een orde vormen – zelfs een volmaakte orde – is ten enenmale onjuist. Dat chaos ten principale  eigen is aan de wereld in algemene zin, wil echter niet zeggen dat hiermee een destructief oordeel over de menselijke leefwereld is uitgesproken. De mens kan als mens wel degelijk ordenend inwerken op zijn leefomgeving – al levert dit geen eindresultaat op dat de chaos geheel en definitief overwint (…)’. Aldus de nuchtere Fries. Als lezer raak je even de rode draad van de algehele aanklacht jegens het populisme kwijt maar desalniettemin weet Schaap hier de lezer wel te boeien door verder in te gaan op het ‘Ungeheuer’, het afschrikwekkende geheel aan krachten dat in een volkomen ordeloze willekeurigheid de chaos vormt. Volgens Schaap infecteert momenteel de “Wüste” de samenlevingen omdat het eenmaal voor het van God los geraakte individu een aantrekkingskracht heeft gekregen waarin boosheid culmineert en de beschaving van binnenuit kan eroderen.

Van de vele dieren die de Zarathoestra rijk is, haalt Schaap de kameel van stal en legt nog eens uit hoe dit dier, gewend zware lasten te dragen, knielt zoals de mens die het zwaar vindt zichzelf te dragen en teveel vreemds op zijn schouders meezeult. Om te eindigen in “En voorwaar! Ook veel eigens valt zwaar te dragen!” Maar zonder de pathos van distantie, zonder die zelfkennis, ontwikkelt de kameel zich in dit hoofdstuk tot leeuw, in de ‘Genealogie der Moral’ krijgt het type de benaming het ‘Blonde Bestie’ – die is dan ook maar vast genoemd – dat om zich heen slaat en zich alles van eigen waarde toekent, om vervolgens te eindigen als het kind dat zich laaft aan het grote ‘Ja-sagen’, zonder zwaarmoedigheid, zonder de chaos van de Wüste en dat zijn eigen waarden kan scheppen. (In mijn gedachten maak ik een kleine oversteek naar Schiller’s woorden: ‘Der Mensch spielt nur, wo er in voller Bedeutung des Wortes Mensch ist, und er ist nur da ganz Mensch, wo er spielt.’). Wanneer de ontwikkeling zich niet voordoet en er veeleer sprake is van regressie komen we in een verleden dat zich laat aanpassen, zich laat interpreteren en zich zelfs laat institutionaliseren. Voilà, de titel van de studie zij vertaald en de ultieme link met de dag van vandaag ook. Een moraal die zich baseert op het onvermogen distantie van zichzelf te nemen, zichzelf niet begrijpt en meegesleurd wordt in een lavastroom van regressie en ressentiment. Waar kennen we dat van? Maar dat sommige instituten niet meer deugen, ligt dat dan aan de instituten of veeleer aan… onszelf? Haastig en onverantwoord leven dat als vrijheid wordt uitgelegd..? Voorbij de zelfkennis, los van de aarde is het heerlijk vertoeven; je creëert immers je eigen perspectief dat gelukkig maakt; regressief geluk weliswaar maar wat niet weet dat niet deert. “De narcist is niet in staat naar binnen te kijken”, schrijft Schaap op pagina 144 na zelf een gedachtesprongetje te hebben gemaakt. “De narcist, wellustig genietend in zijn hemelse sferen, vergeet dat hij zijn eigen afgrond vrij spel geeft.” De werkelijkheid, de waarheid is van alle waarde ontdaan, alles is toch maar ‘schijn’, zeker ook in de politieke arena’s. De oude geloofswaarheden zijn bij het oud vuil gezet, bij de kringloopwinkel hebben we nog wat oude sentimenten weten te vinden. Wie goed zoekt vind er nog het tegeltje ‘God is dood’ en gebruikt het om de ontkerkelijking van een verklaring te voorzien en verder is alles in een zoete dipsaus van cynisme gedrenkt. Waarom nog naar waarheid zoeken wanneer er ook andere wegen en paden te bewandelen zijn? Die naar andere oorden leiden? Andere werelden met andere waarheden? Waar klimaatproblematiek geen rol speelt en feiten zich met het grootste gemak in een ander perspectief laten plaatsen. ‘Hinterweltler’, zegt Schaap, Nietzsche uit ‘Menschliches Allzumenschliches’ citerend. Een term die hier overigens eerder verwarring zaait dan iets toevoegt want de ‘hiernamaalsgangers (vert. Graftdijk/Driessen en later ook door Wilfred Oranje in de Zarathustra) heeft m.i. meer betrekking op de predikers van ander pluimage. Het populisme dat een basis zoekt voor een eigen these zou ik nou niet bepaald een transcendent wereldbeeld willen toedichten, tenzij de regressieve blik naar oude werelden als bovennatuurlijk mag gelden.

(Om gezien de actualiteit geen onnodige verwarring te veroorzaken zij ook gezegd dat de in het boek besproken ‘slavenmoraal’ helemaal niets uit te staan heeft met de discussies over slavernij of het slavernijverleden, maar een connectie heeft met de creatieve invulling van de moraal vanuit ressentiment en de slaafse instelling van de zich slachtoffer voelende -echter niet werkelijk zijnde – mens die een rechtvaardiging zoekt in nieuwe waarden).

Sybe Schaap
Sybe Schaap

Schaap kan er geen genoeg van krijgen, telkens weer herhaalt hij zijn boodschap; hoe ressentiment voeding kan geven aan het moraliseren van een ieder die betrokken is in het domein van de waarheidsidee; wetenschappers, media, politici, ‘elites’. Daartegenover het moraliseren van hen die hier slachtoffer van zijn. Dit mantra loopt als een rode draad door het boek en ja, populisten en autocraten als Trump, Poetin en Baudet worden op sommige plekken ook bij name genoemd. Dan bekruipt je wel de gedachte in hoeverre de politicus Schaap zijn visie en stelling(en) laat bekrachtigen door er Nietzsche teksten feilloos op aan te laten sluiten. Anderzijds hebben de door Nietzsche uitgesproken en beschreven beelden betreffende de wil tot macht, God is dood (en zij die hem hebben ‘vermoord’) en het passieve dan wel actieve nihilisme, een enorme actuele zeggingskracht. En dat Sybe Schaap ook als niet-politicus zijn Nietzsche kent zij gezegd.

De geciteerde en door Sybe Schaap zelf vertaalde teksten hebben een aanduiding die mij niet duidelijk zijn. Waarom niet verwijzend naar het aforismenummer in de KSA-uitgave of een van de diverse Nederlandse vertalingen? Daarnaast is het jammer dat er geen of een haastige eindredactie heeft plaatsgevonden. Er staan nét iets te vaak spellingsfouten, typografische slordigheden of gewoon kromme zinnen in die er in een dergelijke uitgave gewoon niet in mogen staan (b.v. op pag. 209: ‘De belofte die de goeden werd gedaan, beroofde van de beleving van zin in het heden van deze leefwereld’, ik kan er geen chocola van maken). Het boek verdient ook een mooiere papierkeuze voor zowel omslag als binnenwerk en de gestileerde zandloper op de voorzijde  mag dan wel een wendbaar verleden voorstellen maar uitnodigend is het nou niet echt. 

Al met al is ‘Het wendbare verleden. Nietzsche in postmoderne tijden’ een interessante studie over een uitermate actueel onderwerp en zijn er veel steekhoudende analyses te vinden. In 128 pagina’s had het ook gekund; beter behapbaar voor een breder publiek in een tijd waarin dit thema alle aandacht verdient, de mogelijke groei die door aandacht ontstaat dan maar op de koop toenemend.

Eén gedachte over “ Het wendbare verleden. Nietzsche in postmoderne tijden

  1. Grote grote moeite had ik om dit artikel uit te lezen. Een ik dat zich voortploetert in de middelmatigheid waarin ieder aangrijpingspunt ontbreekt waaruit het zelf zich kan verheffen. Grote en machtige vijanden heeft de schrijver nodig. Groter dan hemzelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *