Het jaar 1875…

Het jaar 1875…

‘Ik droom over een samenleving met mensen die onvoorwaardelijk zijn, die geen enkele terughoudendheid kennen en “vernietigers” genoemd willen worden: ze houden vast aan de norm van hun kritiek en offeren zichzelf op voor de waarheid. Het slechte en het verkeerde zouden aan het licht moeten komen! We willen niet te vroeg bouwen, we weten niet of we ooit kunnen bouwen en of het beter is om niet te bouwen. Er zijn luie pessimisten, mensen die zich terugtrekken – bij hen willen we niet horen’. (Uit ‘Wir Philologen’, vert. S.P.)

(‘Ich träume eine Genossenschaft von Menschen, welche unbedingt sind, keine Schonung kennen und „Vernichter“ heissen wollen: sie halten an alles den Maassstab ihrer Kritik und opfern sich der Wahrheit. Das Schlimme und Falsche soll an’s Licht! Wir wollen nicht vorzeitig bauen, wir wissen nicht, ob wir je bauen können und ob es nicht das Beste ist, nicht zu bauen. Es giebt faule Pessimisten, Resignisten — zu denen wollen wir nicht gehören.’)

Wir Philologen
Wir Philologen

Het zijn de laatste regels uit de uitgave ‘Wir Philologen’ (Gedanken und Entwürfe zu der Unzeitgemäßen Betrachtung) die Nietzsche in de zomer van 1875 aan het papier toevertrouwde maar die geen uitgever destijds als zodanig heeft uitgegeven. De woorden brengen me bij de actualiteit maar evenzogoed bij 1875. Waarom precies dát jaar mij vaak intrigeert is me eigenlijk ontschoten of beter gezegd nooit echt duidelijk geworden, maar het blijft me altijd bij als een belangrijk jaar; het geboortejaar van Thomas Mann, dat mag een onnozel feit zijn dat je in je herinnering stomweg met je meedraagt. En dat Maurice Ravel, Rainer Maria Rilke, Carl Gustav Jung en Antonio Machado – een van mijn favoriete Spaanse dichters – in datzelfde jaar werden geboren, blijft me ook altijd bij. Maar waarom blijven dit soort feitjes je altijd plagen? Is het omdat het vanaf 1875 gemakkelijk rekenen is? Maar toch… de Duitse dichter Eduard Mörike overlijdt in juni en George Bizet beleeft niet alleen de première van zijn befaamde ‘Carmen’ in Parijs, maar ook zijn eigen overlijden op 3 juni, al kunnen we van dat beleven niet al teveel voorstellen. Maar de wetenschap dat ene Matthew Web als eerste in een kleine 22 uur het kanaal overzwom behoort toch wel tot de categorie ‘informatie ballast’. Of de geboorte van Ina Boudier-Bakker op 15 april en de enkele maanden daarvoor geboren Albert Schweitzer, al was hij de eerste waar ik in de basisschool een ‘werkstukje’ over maakte.

Malwida von Meysenbug
Malwida von Meysenbug

En hoe ziet 1875 bij Nietzsche er uit? Vanaf dat jaar ontstonden er regelmatig emotionele dalen, periodes van eenzaamheid en intellectuele crises. Zijn fascinatie voor Schopenhauer en Wagner is inmiddels tanende. Het jaar zelf begint ook niet al te optimistisch met een van zijn eerste brieven, aan Malwida von Meysenbug, als antwoord op een brief van haar uit midden november 1874. In Naumburg waar hij op 23 december vanuit Bazel gearriveerd is, begint hij de brief aan zijn vriendin op afstand (Rome) met de regels: ‘Liebe hochverehrte Freundin, wenn ich so spät auf einen so ausgezeichneten und jedes Dankes würdigen Brief antworte, so liegt der Grund in meinem curiosen Elend, zu dem jetzt mein Baseler Beruf geworden ist’, waarna hij zijn drukke agenda voortvloeiend uit zijn verplichtingen richting de universiteit en zijn studenten hekelt. Verderop verklaart hij haar zijn affiniteit met de muziek als een erfenis van vaders’ zijde (op 26 december voltooide hij zijn ‘Hymnus an der Freundschaft’), evenals in een Schopenhaueriaanse context zijn ‘wil’ die van zijn vader zou komen. De herkomst van zijn intellect dicht hij haar zijn moeder toe. Hij vertelt Malwida hoe hij diezelfde avond door hoge sneeuw de trein naar Bazel zal nemen maar kan het niet laten om haar zijn benijden richting de doden te verklaren, zo sterk is zijn angst voor de komende tijd: ‘(…)es ist schrecklich und gefährlich zu leben…’. Hij is met getallen en leeftijden in de weer, wil ondanks zijn lichamelijk lijden graag oud worden en prijst in een brief aan zijn moeder van eind januari haar leeftijd – ze wordt 49 – een leeftijd die de Grieken volgens Nietzsche hoog schatten; ‘(…) man sei in diesem Jahre auf der Höhe und befinde sich geistlich und leiblich recht gut.’ In een briefje aan zijn zus verzoekt hij haar drie Napoleons = 15 Tahler uit zijn naam aan moeder te geven. Met Malwida von Meysenbug deelt hij zijn gedachten om misschien eens wat meer goed voor de mensen te doen, als een soort voornemen om elke dag iets aardigs te doen, aangezien hij al zo vaak menigeen voor het hoofd heeft gestoten met zijn schrijverij…

Ik weet het; het is de historische gelijktijdigheid die me boeit, de kracht die dingen, plaatsen en gebeurtenissen laat samenvallen wanneer je met een helikopterblik over het landschap van de geschiedenis en het nu scheert. Wellicht door zijn volle agenda maar ook vanwege de fysieke afstand gaat de première van de opera Carmen aan Nietzsche voorbij – zijn muziekbeleving concentreert zich destijds nog veel op Wagner – maar Bizet zal hem later tot veel superlatieven brengen, o.a. in een brief aan Heinrich Köselitz (alias Peter Gast die hij in oktober van 1875 heeft leren kennen) van zes jaar later, 5 december 1881: ‘(…) Ich hörte Carmen zum zweiten Male — und wieder hatte ich den Eindruck einer Novelle ersten Ranges, wie etwa von Mérimée. Eine so leidenschaftliche und so anmuthige Seele! Für mich ist dieses Werk eine Reise nach Spanien werth — ein höchst südländisches Werk! Hoe sterk spreekt Nietzsche hier het Zuid-Europese temperament aan, de nog immer levende tegenstelling met onze rationele koude bovenwindse levensmotto’s die ons doorgaans veilig onder het maaiveld houden.

George Bizet
George Bizet

Nietzsche, in het voorjaar en de zomer van 1875 nog dertig jaren jong, heeft in resp. 1873 en 1874 reeds drie van zijn vier ‘Unzeitgemäße Betrachtungen’ geschreven. Hij begint dit jaar aan zijn vierde, ‘Richard Wagner in Bayreuth’ waarvan de publicatie nog even op zich zal laten wachten. Eerst moet ‘Schopenhauer als Erzieher’ nog naar de uitgever, hetgeen op 14 maart gebeurt. In de ‘Nachlaß’ ontmoeten we o.a. een jonge professor die zijn beroepsmatige weg zoekt. Het brengt hem bijvoorbeeld in maart tot een overpeinzing en wellicht op enige zelfreflectie gestoeld aforisme wanneer hij schrijft: “Hoe weinig de rede, hoezeer het toeval onder de mensen de dienst uitmaakt, blijkt wel uit het feit dat er zo vaak een wanverhouding bestaat tussen het zogenaamde levensberoep en de geschiktheid daarvoor: gelukkige gevallen zijn uitzonderingen, net als gelukkige huwelijken, en ook die worden niet door de rede gesloten. De mens kiest zijn beroep op een moment dat hij nog niet tot kiezen in staat is, hij kent de verschillende beroepen niet, hij kent zichzelf niet; vervolgens slijt hij zijn productiefste jaren in dat beroep, besteedt er al zijn nadenken aan, wordt ervarener; bereikt hij het toppunt van zijn inzicht, dan is het doorgaans te laat om nog aan iets nieuws te beginnen, en de wijsheid heeft op aarde bijna altijd iets afgeleefds en een gebrek aan spierkracht vertoond. De opgaaf is meestal om weer goed te maken en ongeveer recht te zetten wat in aanleg mis was; veel mensen zullen erkennen dat het latere deel van het leven een moedwilligheid te zien geeft die uit een oorspronkelijke disharmonie is ontstaan; het leven sleept zich voort. Maar op het eind van zijn leven is men er toch aan gewend – dan kan men zich over zijn leven vergissen en zijn domheid loven: bene navigavi cum naufragium feci (‘ik heb goed gevaren als ik schipbreuk heb geleden’), en zelfs een loflied op de ‘voorzienigheid’ aanheffen.” Nietzsche heeft er dan vier jaar opzitten als hoogleraar klassieke filologie, een positie die naar zijn eigen vermoeden, minder op zijn rede dan op toeval is gestoeld (het waren de filoloog Friedrich Ritschl die hem aanbeval, Nietzsches voorganger Adolf Kiessling die enorm onder de indruk was van de jonge Nietzsche, en het raadslid voor Opvoeding en Onderwijs van Bazel, Wilhelm Visscher-Billfinger, die Nietzsche uiteindelijk formeel aanstelde). Bovenstaand aforisme is dan ook te lezen als het eerste deel van zijn ‘Wir Philologen’, de aanvankelijk bedoelde vierde ‘Unzeitgemäße Betrachtung’ die, zoals reeds gesteld, nooit als zodanig het licht heeft gezien. In 2013 durfde het Tredition Verlag het aan om ‘Wir Philologen’ als een separate uitgave op de Duitse markt te brengen. Met aforisme nummers die om een nader onderzoek vragen. Een Nederlandse vertaling is naar mijn weten overigens nooit verschenen. 

Ik heb goed gevaren als ik schipbreuk heb geleden

Aangezien de ‘Nachlass’ nooit een breed publiek heeft gevonden, ook in de huidige tijd niet, is het wel eens aardig om zo af en toe in te zoomen op minder bekende teksten uit Nietzsches pen. In maart 1875 schrijft hij bijvoorbeeld: ‘IJdelheid is de onwillekeurige neiging je als individu voor te doen, terwijl je er geen bent; dat wil zeggen als onafhankelijk, terwijl je afhankelijk bent. Wijsheid is het omgekeerde: zij doet zich afhankelijk voor, terwijl ze onafhankelijk is.’ En in het perspectief van waaruit hij naar de beroepskeuze en roeping staat lezen we: ‘Zoals de mens tegenover zijn levensroeping staat, sceptisch-melancholisch, zo moeten we ons tegenover de hoogste levensroeping van een volk opstellen: om te begrijpen wat leven is.’

De gelijkenissen met de huidige perikelen in de samenleving poppen soms spontaan maar bovenal niet toevallig op. Nietzsche heeft weliswaar niet zozeer de ‘Spießburger’ uit de niet-academische kringen voor ogen, maar meer de geschoolde en zichzelf als ‘ontwikkeld’ noemende geestelijk wetenschapper wanneer hij noteert: ‘Het geloof in de individualiteit – of je dat zou kunnen wegdenken! (vertaler Mark Wildschut laat hier het woordje ‘als’ naar mijn mening onterecht achterwege – sp) In elk geval gaan we tijden tegemoet waarin de menselijke meningen best wel eens sterk geüniformeerd konden raken; maar daarmee gaan de individuen meer op elkaar lijken, al leven ze steeds meer gescheiden. De vijandigheid steekt dan bij kleine verschillen des te heviger de kop op.’ Een ieder die steeds meer autonomie opeist, privacy met gouden letters schrijft en voor een eigen leuk leven en toekomst gaat, maar ondertussen slaaf wordt van de geldende norm, mode en conventies. Radicaal als Nietzsche kan zijn kijkt hij in de zomer in een kritische spiegel: ‘(…) het radicalisme van onze meningen en onze waarheid is het gevolg van het radicalisme van onze dwalingen en fouten (…).

Ivan Toergenjew
Ivan Toergenjew

Voorjaar 1875. Er ontstaan “Ausflüge’, reisjes naar bijvoorbeeld Baden Baden om daar zijn zus te ontmoeten. Elisabeth getuigt in haar biografie over haar broer hoe zij en Friedrich in het park met elkaar zaten te praten, een heer naar de woorden van Friedrich luisterde en hoe deze even later – nadat hij op het luisteren door broer en zus ‘betrapt’ was – opstond en aan hen voorbij liep. Het bleek later niemand minder dan Toergenjew te zijn geweest, die destijds al faam had verworven met diverse proza, novellen en toneelstukken zoals zijn ‘Liza’, ‘Een koning Lear van de steppe’, ‘Faust’, ‘Lentebeken’ en met name het prachtige ‘Vaders en zonen’.

Tussen allerlei praktische zaken zoals het verblijf van zijn zus tot eind juni, de kennismaking met zijn latere zwager Paul Förster en de voorbereidingen voor een verhuizing, schrijft Nietzsche ondanks vele hoofd- en maagpijnen, in een continue stroom van gedachten over veel onderwerpen die later door publicatie meer bekendheid zullen krijgen, al ging dat laatste zoals we weten tijdens Nietzsches leven maar mondjesmaat. Over religie bijvoorbeeld; ‘De pijnstillers die de mensen gebruiken zijn veelal verdovingen. Religie en kunst behoren tot de verdovingen middels voorstellingen. Ze compenseren en temperen; het is een lagere trap van de geneeskunst voor zielenpijnen. Wegnemen van de oorzaak van het lijden door een aanname, bijvoorbeeld bij de dood van een kind aannemen dat het nog leeft, mooier leeft, en dat er ooit sprake zal zijn van een hereniging. Zo moet de religie er zijn voor de arme, met haar vertroosting. Is de tragedie nog mogelijk voor iemand die niet meer in een metafysische wereld gelooft? Je moet aantonen hoe ook het hoogste van de mens tot dusver aan die lagere geneeskunst is ontsproten.’

Religie en kunst behoren tot de verdovingen middels voorstellingen

De buitensporige toekenning van een hogere waarde, een door materialisme ingefluisterd welzijn – en daarmee de uitdagende positionering van geldelijk gewin – krijgt in de post-coronale reflecties niet voor niets een grote rol. Het daarmee verbonden gemis aan geestelijke verdieping dat momenteel steeds sterker opgeld doet, ademt zoals we weten her en der door de poriën van het gehele latere werk van Nietzsche. Maar ook Nietzsches sterke wens dat de mens via een groeiproces de diverse stadia van intellectuele en geestelijke ontwikkeling in vormen en gedaantes als een rups, een cocon, achter zich zal laten, uit zich in overdenkingen waarbij je je afvraagt waarom hij (i.c. tevens zijn uitgever) dat aan een ‘Nachlass’ heeft overgelaten en daardoor niet de (zelf)kritische lezer eerder heeft bereikt met zinnen als: ‘De doelen van de menselijke welvaart zijn grosso modo volstrekt andere dan het verwekken van de hoogste intelligentie. Het welzijn wordt veel te belangrijk geacht en volkomen uiterlijk opgevat, zo ook de school en de opvoeding.’ Nee, dan de kunsten, die krijgen een prominente rol, al was het alleen maar de muziek van Wagner die hij in 1875 nog op een hoge en ‘Unzeitgemäße’ plek heeft staan: ‘Mij is er alles aan gelegen niet over Wagners tegenstanders te spreken; want dan zou ik over iedereen moeten spreken. Wie heeft zich hier niet aan bezondigd? Door een oppervlakkig niet-willen-horen of half horen en wat dies meer zij. Maar ik doe er het zwijgen toe: hoe ik het begrijp, blijkt wel uit de titel, uit het feit dat ik deze beschouwing oneigentijds noem.’ Nietzsche ziet de kunst als ‘een hoger stadium van de religie, zonder de laaghartige basismotieven van de religie, het bedelen bij goden (…) en grossiert veel bij Wagner – die in 1875 delen van zijn Götterdämmerung in Wenen dirigeert -, en die hij bijna als diens zoon zijn liefde betuigt. Maar toch…de scheuren openbaarden zich al. Muziek moest met ‘lichte voeten’ gedanst kunnen worden, zoals de ‘Carmen’ en bovendien bleef die Wagner toch nog te vaak aan het Christendom hangen zoals zijn nieuwe toenadering tot dit geloof in zijn ‘Parsifal’. 

Bovenstaande kleine aantekeningen zijn als een stoeptegel uit 1875 die eventjes gelicht wordt. De vraag blijft; waarom blijft uitgerekend dit jaar mij boeien? Terwijl de jonge professor Nietzsche zijn wegen in de filologie, filosofie en kunsten zoekt, wordt ‘De jongeling’ van Dostojevski geboren, evenals de 5e symfonie (Pastorale)  van Antonin Dvořák en de 3e symfonie (de Poolse) van Tsjaikovski. En in het Teutoburger Wald wordt na 37 jaar bouwen eindelijk het zogeheten Hermannsdenkmal ingewijd. Een andere schrijfmachine dan die van Nietzsche wordt uitgevonden, in Den Haag wordt het Binnenhof gerestaureerd, het drama ‘Vorstenschool’ van Multatuli komt uit, evenals de ‘Peer Gynt’ van Henrik Ibsen. De gelijktijdigheid bewijst, bevestigt en verplettert…ook vandaag, ook morgen. Regeert over grenzen en mensen en slaat haar vleugels uit. Tijdloos.

Professor Nietzsche
Professor Nietzsche

‘(…) ik heb het dus in elk geval gebracht tot keurige schoolmeester, bijna tussen de bedrijven door, want tot op dit moment heb ik dit ambt alleen uit plichtsbesef en zonder enige trots vervuld, ook zonder vreugde. Misschien lukt het me ook zo tussen de bedrijven door en als het ware in mijn slaap een filoloog te worden’, klinkt het in een brief aan zijn vriend Erwin Rohde in oktober van 1875. Gelukkig heeft hij enkele jaren later (april 1879) het besluit genomen zich te wijden aan het toen nog onbekende pad van het nomadische bestaan en kregen zovele duizenden woorden in diverse uiteenlopende leefsituaties, ruim baan. ‘Veel teleurgestelde verwachtingen berusten op overspannen vooronderstellingen aangaande medemensen. Als we onrecht lijden, is het immers het eigen wezen waarvan we de consequenties te verduren krijgen. Andermans gezindheid die zich niets van onze lotgevallen aantrekt, is overigens vaak maar schijn; de mensen zijn met hun eigen nood bezig, ze hebben geen oog voor die van anderen.’ Het is een gedachte die midden in een overweging over de kennis staat en die begint met de vraag die aan Aristoteles appelleert; in hoeverre kan meer of minder kennis een bron worden van respectievelijk vreugde en leed? Een vraag die Nietzsche min of meer al van een voorzichtig antwoord voorziet; ‘Kennen berust op een behoefte. De ‘zuivere vreugde van de kennis’ is niets anders dan de tevredenheid vanwege opgeruimde hindernissen (…) vooroordelen kunnen ons net zo goed gelukkig als ongelukkig maken; denk aan de gelukzaligheid als gevolg van bijgelovige opvattingen. Menige gelukkig stemmende waanvoorstelling, bijvoorbeeld die van een goede en liefhebbende God, zou je als waardevoller dan de waarheid kunnen beschouwen (…)’.

Het gelijktijdige toonde zich minder aan de oppervlakte dan in onze huidige tijd maar was er onmiskenbaar zoals heden ten dage de berichten ons doen geloven. Een nog naïef verscholen synchrone klok der dingen tikte even zacht in een pension in Bazel als in Zuid-Frankrijk waar de overstroomde Garonne honderden levens eist, in China waar Kwang Su de 11e ‘Emperor’ van de Qing dynastie wordt, bij de Engelse Scilly eilanden waar het Duitse stoomschip de ‘Schiller’ vergaat – en er 312 doden te betreuren zijn – als ook in Naumburg en omgeving waar menigeen nog erg moet wennen aan hetgeen de ‘domineeszoon’ in Bazel allemaal aan het papier toevertrouwt. Het zou evenwel nog veel verder gaan dan die vele rake woorden uit 1875; allesvernietigend, onbegrepen, misschien ooit hoopgevend, maar toen in ieder geval tot eenzaamheid gedoemd…

(vertalingen uit ‘Friedrich Nietzsche – Nagelaten fragmenten’ Uitgeverij SUN)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *