Een kwestie van smaak…

Een kwestie van smaak…

Met onder andere een toelichting op het begrip sapientia dat vrij vertaald vanuit het Latijn zowel wijsheid als smaak behelst, gaf Robin Mattias Hurkens in zijn proefschrift (in 2002 nog onder de naam Maria Hurkens) ‘Een kwestie van smaak’, een aftrap naar een groot onderzoek naar ‘smaak’ in het werk van Friedrich Nietzsche. Destijds om de een of andere reden volledig aan mij voorbij gegaan, en nu, nadat ik vriendelijk op het bestaan ervan was gewezen, kan ik na lezing beamen dat dit werk van Hurkens een bijzondere aanwinst is. De grammaticale woordvondst ‘Kant-tekeningen bij Nietzsche’ wijst op het perspectief van het onderzoek al zijn we Kant in het onderzoek dat destijds bij Uitgeverij Damon  verscheen, in grote delen kwijt en belanden we onder een gedegen vergrootglas op Jenseits von Gut und Böse, of om nog specifieker te zijn op het eerste (‘Von den Vorurtheilen der Philosophen’), zevende (‘Unsere Tugenden’) en negende (‘Was ist vornehm?’) hoofdstuk uit Nietzsches werk dat in 1886 in druk verscheen.

Een kwestie van smaak, Kant-tekeningen bij Nietzsche

Smaak dus, een begrip waarover zowel Kant, Nietzsche als ook menig andere denker, zijn of haar licht heeft laten schijnen. Echter, Nietzschelezers zullen het beamen dat het in diens werk met enige regelmaat terugkomt; ‘Geschmacksache’, en wel heel fundamenteel zoals Hurkens dat ook vaststelt. In zijn nalatenschap meer dan in zijn gepubliceerde werk, maar alles bij elkaar voldoende voer voor een onderzoek. Smaak als een meer bepalende factor dan een rationeel standpunt en ook als basis voor een ethisch perspectief, eenduidig verwoord in de zin ’Dies ist die allgemein herrschender Form der Barbarei , daß man noch nicht weiß, Moral ist Geschmacks-Sache’ (Nachlass, 1883). Je gewoon laten leiden door hetgeen je driften en affecten je ingeven omdat smaak gevormd door een andere ethiek buiten jezelf om niet langer een betekenis heeft – ‘emotionele incontinentie’ zoals Hurkens in het onderzoek het als probleem aansnijdt? De terechte vraag dient zich aan: hoe valt dit te rijmen valt met Nietzsches pleidooi voor een goede smaak? Gaat het Nietzsche wel om het fenomeen smaak zoals wij deze begrijpen, de goede smaak wel te verstaan? Wellicht is het beter om dan de Nachlass maar te laten voor wat het is want, stelt Hurkens, het werk dat we daarin vinden is niet voor niets ongeschikt voor publicatie bevonden. En hoe jammer denkt wellicht menigeen samen met mij in retrospectief, want als er ergens een strijdende en noest werkende Nietzsche te ontdekken is, dan is het wel in dit laboratorium van zijn eigen werken. Maar ja, dat is misschien ook wel een particuliere Geschmackssache.
Het onderzoek naar smaak krijgt in de basis vorm door Nietzsches denken breed neer te zetten. Breder dan je van een onderzoek naar smaak misschien zou verwachten. Via enkele kritische noten richting de Nietzsche vertolkingen van Bertram, Baeumler en Kaufmann (persoonlijke en omstreden interpretaties waarin Nietzsche lijkt te ‘verdwijnen’ en zoals zoveel vaker voor een eigen kar gespannen) komt Hurkens bij de ‘Wil tot macht’ duiding van Müller-Lauter en later bij die van Paul van Tongeren in diens Nietzscheboek uit 1989 ‘Die Moral von Nietzsche Moralkritik’. Van Tongeren heeft hierin duidelijk geschetst hoe die ‘Wil tot macht’ in zijn optiek gelezen dient te worden; de strijd die elke ethiek in de tijd levert, de essentie van Nietzsches boodschap dat die strijd altijd zal voortduren en er geen absolute moraal kan bestaan die een algemeen geldende uniciteit kan opeisen. Nietzsche onderging misschien wel als een van de weinigen het ‘schitterende ongeluk’ (PvT) om elke morele strijd tot in elke finesse te doorleven. 

De Franse interpretaties uit handen van o.a. Bataille, Derrida of de Amerikaan Gary Shapiro komen in dit onderzoek beduidend als ondermaats uit de verf. Het ‘Franse’ denken, de ‘Franse’ stijl van filosoferen zou naar Hurkens’ oordeel duister, onsystematisch en ongefundeerd zijn. Al kan ik hierin voor een deel meegaan, de Franse denkers kunnen me op Albert Camus na, nooit echt bekoren (wederom Geschmackssache), toch zou enige nuancering hier misschien op z’n plaats zijn en wel betreffende Shapiro. ‘Nietzsche’s Earth’ (2016) van Gary Shapiro was in 2002 nog niet verschenen en het brengt me bij de vraag wat de visie van Hurkens op de confrontaties met Franse denkers en actuele onderwerpen als mondialisering en het zoekende uitroepen van noodsituaties door menig landbestuur, op dit boek zou zijn? 
Om elke dwangmatige zoektocht naar enige systematiek in het werk van Nietzsche  te voorkomen heeft Hurkens gekozen voor dat ene werk; Jenseits von Gut und Böse (JGB), een bonte verzameling van aforismen dat in zijn ogen het best als een groot verhaal kan worden gezien, een narratief zonder welke waarheidspretentie dan ook maar dat wel degelijk een kop en een staart heeft. En dat beaam ik graag, als is het niet bepaald een vrolijk makend verhaal, ondanks de krampachtige oproep tot lachen die Nietzsche de lezer in dit (en andere) denkwerk toewerpt. Het pleidooi dat hij in zijn verschillende werkkamers waar zich soms een geestelijke en fysieke lijdensweg afspeelde, zichzelf in de spiegel aanschouwend heeft voorgehouden. JGB heeft als ook de meeste andere werken van Nietzsche niet een echt systematisch karakter, kent vele uitstapjes, verschillende aanlooproutes, humor en vocabulaire uitdagingen waardoor het ook zo slecht valt samen te vatten. Om de lezer van het onderzoek daarom enigszins houvast te geven is er door Hurkens geen moeite gespaard en elk aforisme uit JGB teruggebracht tot een eigen vertaling (zowel letterlijk als figuurlijk) om de pointe van het betreffende aforisme toe te lichten. Resultaat: 54 pagina’s tot een zekere essentie platgeslagen aforismen met een eigen titel, een stevige klus. Dat het mooie proza daarmee verdwijnt is evident en zien we – onderstaand louter als bijvoorbeeld –  in aforisme 215:

Wie es im Reich der Sterne mitunter zwei Sonnen sind, welche die Bahn Eines Planeten bestimmen, wie in gewissen Fällen Sonnen verschiedener Farbe um einen einzigen Planeten leuchten, bald mit rothem Lichte, bald mit grünen Lichte, und dann wieder gleichzeitig ihn treffend und bunt überfluthend: so sind wir modernen Menschen, Dank der complicirten Mechanik unsres „Sternenhimmels“ — durch verschiedene Moralen bestimmt; unsre Handlungen leuchten abwechselnd in verschiedenen Farben, sie sind selten eindeutig, — und es giebt genug Fälle, wo wir bunte Handlungen thun.

De uitleg achterin het boek: Wij moderne mensen zijn door verschillende moralen bepaald, onze handelingen zijn dubbelzinnig.

gesetzt dass auch dies nur Interpretation ist…’

Met metaforen als die van een camera en een schematische weergave van de stelling van Pythagoras bespreekt Hurkens begrippen als waarheid, werkelijkheid, interpretatie en vrije/onvrije wil (‘….im wirklichen Leben handest es sich nur um starken und schwachen Willen’). Aan de hand van Heidegger’s duiding op Nietzsches ‘Der Wille zur Macht’, wandelt hij in een duidelijke en uitnodigende stijl samen met de lezer door de eerste aforismen uit JGB. Langzaam maar zeker dreigt het onderzoek naar smaak naar de achtergrond te verdwijnen en krijgen we een gedegen en vooral ook analytische toelichting op het gedachtegoed van Nietzsche. Achter de vragen doemen steeds weer nieuwe en Hurkens lijkt niet gauw tevreden te zijn met de visie van andere Nietzsche interpretaties of een voor de hand liggende uit eigen koker. Een grondige en kritische analyse van aforisme 36 valt de lezer ten deel. Der Wille zur Macht niet als aanduiding over iets dat zich in de werkelijkheid bevindt of zoals de werkelijkheid los van een kennend subject bestaat, maar over de werkelijkheid als geheel waar dus degene die deze Wille zur Macht onderkent, ook zelf deel van uit maakt en die voortdurend aan verandering onderhevig is. ‘Auto-referentieel’, zegt Hurkens; ‘Der Wille zur Macht’veronderstelt zichzelf maar verwijst ook naar zichzelf. Elke tegenspraak of andere interpretatie die de ‘Wille zur Macht’ oproept past in het auto-referentiele karakter van de uitspraak. Het is de hond die in zijn eigen staart bijt en…’gesetzt dass auch dies nur Interpretation ist – und ihr wird eifrig genug sein, die einzuwenden? – nun, um so besser’. Voor de volledigheid, geef ik graag een nadere aanduiding van dat ‘dies’ uit aforisme 22: ‘(…)Aber, wie gesagt, das ist Interpretation, nicht Text; und es könnte Jemand kommen, der, mit der entgegengesetzten Absicht und Interpretationskunst, aus der gleichen Natur und im Hinblick auf die gleichen Erscheinungen, gerade die tyrannisch-rücksichtenlose und unerbittliche Durchsetzung von Machtansprüchen herauszulesen verstünde, — ein Interpret, der die Ausnahmslosigkeit und Unbedingtheit in allem „Willen zur Macht“ dermaassen euch vor Augen stellte, dass fast jedes Wort und selbst das Wort „Tyrannei“ schliesslich unbrauchbar oder schon als schwächende und mildernde Metapher — als zu menschlich — erschiene; und der dennoch damit endete, das Gleiche von dieser Welt zu behaupten, was ihr behauptet, nämlich dass sie einen „nothwendigen“ und „berechenbaren“ Verlauf habe, aber nicht , weil Gesetze in ihr herrschen, sondern weil absolut die Gesetze fehlen , und jede Macht in jedem Augenblicke ihre letzte Consequenz zieht.’ (vert.: ‘Maar zoals gezegd, dat is interpretatie, geen tekst; en er zou iemand kunnen komen die met een tegenovergestelde bedoeling en een totaal andere interpretatiekunst in diezelfde natuur en met betrekking tot dezelfde verschijnselen, juist een tiranniek-meedogenloze en onverbiddelijke vermenging van machtsaanspraken weet te lezen – een exegeet die u de absolute geldigheid en onvoorwaardelijkheid van alle ‘wil tot macht’ zo overtuigend onder ogen zou brengen dat haast ieder woord, zelfs het woord ‘tirannie’, ten slotte onbruikbaar of in ieder geval een verzwakkende, verzachtende – als te menselijke – metafoor zou blijken; en die niettemin tenslotte hetzelfde van deze wereld zou beweren als wat gij beweert: dat haar gang ‘noodzakelijk’ en ‘berekenbaar’ is, maar niet omdat er wetten in haar heersen, maar omdat die wetten absoluut ontbreken en iedere macht op ieder moment haar laatste consequentie trekt.’)

Ueberzeung ist der Glaube, in irgend einem Puncte der Erkenntniss im Besitze der unbedingten Wahrheit zu sein

Waarom waarheid? Waarom waarheidsvinding? Hurkens zet de vraag die Nietzsche zo vaak opriep centraal en plaatst op geheel Nietzscheaanse wijze de geleerde en deskundige tegenover de beschouwer en filosoof. Een beproefde kruisbestuiving die geen één vaststaand antwoord op welke vraag dan ook overeind laat. Waarheden (hoeveel kunnen we er verdragen?) worden opgeroepen door de vragen die we stellen, dus hoe belangrijk is het om ook de juiste vragen te stellen, ze op de juiste wijze te verwoorden? Hurkens gooit er nog een schepje bovenop door te stellen dat onzinnige vragen geen antwoord verdienen en wanneer er geen vraag gesteld wordt eigenlijk elk antwoord onzinnig is. Een duaal karakter tussen vraag en antwoord die menig interviewer van deze tijd zich ter harte mag nemen wanneer de bevraagde weg komt met slechts podium nemen. Een echte vraag is namelijk een vraag waarvan we het antwoord gewoon niet weten, vandaar de vraag die gedreven is door die ene wil tot waarheid. En wat is dan die waarheid die Nietzsche in zijn werk ook zo vaak als een vorm van smaak etaleert zoals bijvoorbeeld in Menschliches Allzumenschliches: Ueberzeung ist der Glaube, in irgend einem Puncte der Erkenntniss im Besitze der unbedingten Wahrheit zu sein.

In het derde deel ‘Eerlijkheid als alternatief’ komt deze deugd vanuit verschillende perspectieven voorbij. Uiteraard in de Christelijke uitleg maar ook de voor-Christelijke en die van Nietzsche zelf. Het denken over moraal en het geloof in tegenstellingen (egoïsme versus altruïsme, ongelijkheid versus gelijkheid, liefde versus haat) blijft, een wezenlijke en terechte vaststelling in het onderzoek, een relatie met de geschiedenis houden. Met onze eigen geschiedenis voortgekomen uit de moralen die soms mijlenver achter ons liggen. We kunnen het dagelijks vaststellen; idealen en morele standpunten kunnen wijzigen maar we kunnen niet ontkomen aan het feit dát ze veranderen, er is immers geen vaststaand moreel criterium. Een dergelijk gevoel van onmacht ontstaat in onze poging eerlijk te zijn tegenover onszelf. Ook daar zitten we als een Baron von Münchhausen vast in ons eigen perspectief. Anderen beoordelen op hetgeen zij doen en laten is een fluitje van een cent maar hoe zit het met zelfkritiek wanneer we ons eigen onbewuste moeten gaan toetsen. Jezelf langs een ethische meetlat leggen kan in de optiek die Hurkens nog eens toelicht, alleen wanneer het om bewuste en a priori niet om de onbewuste driften gaat, ze heten niet voor niets onbewust. Terwijl dat voor Nietzsche als een Freud avant la lettre, nu juist veruit de grootste motor achter ons handelen is. Wanneer het onbewuste gekend wordt begeven we ons al in het bewuste, dat is de paradox waarmee we te dealen hebben. De strijd die we leveren om de eerlijkheid een kans te geven speelt zich in de arena van wil tot waarheid en wil tot schijn af. Het lijkt misschien psychologie van de koude grond maar het is ontegenzeggelijk een bekend fenomeen, de ervaring dat we de kern van onszelf, het ‘graniet van ons geestelijk fatum’ (aforisme 231) in de ogen van Nietzsche, als een onneembare vesting een leven lang bij ons dragen. Toch nuanceert Nietzsche die strijd tussen de wil tot waarheid en de wil tot schijn door ze als complementair te beschouwen. Als vraag en antwoord die in een continue afhankelijkheid van elkaars bestaan, een voortdurend spel van ‘willen’ in ons zelfonderzoek, over elkaar heen tuimelen totdat de wil tot schijn de overhand krijgt omdat het antwoord er niet meer is, hjet heeft opgegeven. De ‘eerlijkheid’ die dan resteert zegt volgens Hurkens dan niets meer over wie we diep van binnen eigenlijk zijn maar wel alles over het punt waar we zijn beland in de diepgravende zelfreflectie. Het bruggetje is dan gauw gelegd; hoe kan een filosoof in deze zin een eigen mening hebben, de vertrekpositie van de kluizenaar die de afzondering zoekt? Komen we hier niet zozeer in de buurt van zelfkennis maar meer in de sferen van….smaak? Of in de niet gepubliceerde woorden van Nietzsche die hij Zarathustra in de mond legt: ‘(…) deine Tugend ward dir lieb: so heiße sie nunmehr auch nicht mehr Tugend, sondern deinen Geschmack — so nämlich will es guter Geschmack! (…)’. Smaak die op zichzelf geen blijk van kennis geeft maar door deze te hebben en te tonen iets over degene die de smaak etaleert vertelt, zoals Hurkens een stuk verderop verwoordt. Echter, noblesse oblige, al kan het smaakoordeel weliswaar nooit helemaal eerlijk zijn, de smaakhebber draagt wel de verantwoordelijkheid voor zijn eerlijkheid of leugen. Ook Nietzsche met zijn ‘leugens’ over vrouwen in de JGB, een voorbeeld dat Hurkens afsluitend in zijn derde hoofdstuk aanhaalt.

Aber im Grunde von uns, ganz „da unten“, giebt es freilich etwas Unbelehrbares, einen Granit von geistigem Fatum

Er volgt een brede uiteenzetting over de veelbesproken ‘Herren- und Sklaven Moral’. Ik laat deze overigens wel interessante en actuele reflecties over de uiteindelijke samenleving van middelmatigheid – en Nietzsches duiding van het begrip ‘individu’- verder buiten deze beschouwing over en onderzoek naar smaak. Wel vermeldenswaard acht ik het uitgangspunt van Hurkens om buiten de discussies over de meerduidigheid (ieder zijn eigen Nietzsche) te blijven door zijn geschriften vooral als een esthetische filosofie te zien en uit te leggen. Een eerlijke en in mijn ogen terechte vondst. Het past uiteraard ook omdat het hier een onderzoek naar smaak betreft, smaak die Nietzsche ook van de lezer vraagt ja zelfs afdwingt en voor een ieder een persoonlijk aspect is. Smaak die immers een vervolg kent in de vorm van de interpretatie en uiteindelijk het laatste woord in onszelf heeft. Smaak die juist niet om objectiviteit vraagt en daarom een grote rol opeist in de ontwikkeling van degene die zich met regelmaat aan zelfreflectie wijdt, om idealiter zichzelf steeds weer van een nieuwe smaak te voorzien, als een voortdurend vervellen en verkleuren tot een aangename kleur graniet die zich uiteindelijk tot ons lot lijkt te willen vereeuwigen. Nietzsche had er wellicht een goede smaak voor ontwikkeld, wandelend door het Zwitserse Engadin, in zijn eenzaamheid genietend van de imposante granietvormen om hem heen…

Graniet in het Engadin

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *