Dem unbekannten Gott

Dem unbekannten Gott

Recentelijk verscheen bij uitgeverij Pentagon een boek met de uitnodigende titel: ‘Mensen zonder Ik’, het persoonlijk voornaamwoord inderdaad met een hoofdletter geschreven. Het is de vertaling vanuit het Duits met de oorspronkelijke titel ‘Gibt es Menschen ohne ein Ich? – Über die Mysterien des Iches und das Erscheinen ichloser Menschen in der Gegenwart’. Bij onze oosterburen zijn ze goed in het gründlicher aanduiden wat nou eigenlijk bedoeld wordt. Het boek komt uit handen van Erdmuth Grosse (1928-2012) die vanuit antroposofisch gedachtegoed geschiedenis en kunstgeschiedenis doceerde maar daarnaast ook in het bedrijfsleven en overheidsorganen zijn sporen heeft verdiend als organisatie adviseur.

Ik zal hier verder niet op de inhoud van dit boek ingaan maar wil er graag wat uitlichten dat meer relevantie heeft met deze website. Het is namelijk het aangehaalde gedicht ‘An dem unbekannten Gott’ van een nog jonge Friedrich Nietzsche. Dus eerst maar eens het gedicht zelf:

Dem unbekannten Gott

Noch einmal eh ich weiter ziehe

Und meine Blicke vorwärts sende

Heb ich vereinsamt meine Hände

Zu dir empor, zu dem ich fliehe,

Dem ich in tiefster Herzenstiefe

Altäre feierlich geweiht

Daß allezeit

Mich seine Stimme wieder riefe.

Darauf erglühet tiefeingeschrieben

Das Wort: Dem unbekannten Gotte:

Sein bin ich, ob ich in der FrevIer Rotte

Auch bis zur Stunde bin geblieben:

Sein bin ich – und ich fühl’ die Schlingen,

Die mich im Kampf darniederziehn

Und, mag ich fliehn,

Mich doch zu seinem Dienste zwingen.

Ich will dich kennen Unbekannter,

Du tief in meine Seele Greifender,

Mein Leben wie ein Sturm durchschweifender

Du Unfaßbarer, mir Verwandter!

Ich will dich kennen, selbst dir dienen.

Drie strofen die al het nodige stof hebben doen opwaaien door zowel interpretaties in christelijke kring als ook in studies rondom het gedicht zelf. Een uitwerking die de 20-jarige Nietzsche destijds niet heeft kunnen bevroeden.

Het gedicht verscheen in vermoedelijk september 1864. De exacte datum is niet bekend en dat is ook direct weer voeding voor speculaties; slaat het ‘weiterziehen’ op de volgende stap in zijn eigen leven nu hij Schulpforta gaat verlaten om samen met Paul Deussen in Bonn theologie te gaan studeren? Of is het meer overdrachtelijk en doelde Nietzsche eerder op zijn eigen innerlijke reis waarin hij wat ging verlaten en verder gaat naar een volgende plek in zijn persoonlijke geestelijke ontwikkeling? Zijn innerlijk gemoed liet hem niet met rust, de zoektocht kreeg steeds meer fundament. Vijf jaar ervoor schreef hij als 14-jarige jongen midden februari 1859 nog aan zijn jeugdvriend Wilhelm Pinder: ‘Mein Herz wallte über von heiligen Empfindungen; ich wurde empor gehoben zu Gott in stillem Gebet und tiefe Ruhe kam über mein Gemüth. Ja Herr, segne meinen Eingang und behüte mich auch in dieser Pflanzstätte des heiligen Geistes leiblich und geistig. Sende deinen Engel daß er mich siegreich durch die Anfechtungen, denen ich entgegengehe, führe und laß mir diesen Ort zu wahren Segen für ewige Zeiten gereichen.’

Maar het kinderlijke en enigszins pathetische karakter van zijn geloof in een god, een heilige geest en een engel had zich ontwikkeld tot een meer volwassen zoektocht. Daarin bleef een zekere voorkomendheid, vertrouwen op de kracht van een god en daarmee gemeenschappelijke verbinding met vooral thuis wel overeind. Een brief aan zijn moeder en zus, twee dagen na zijn 19e verjaardag, laat daar geen onduidelijkheid over bestaan: ‘Zuerst nun danke ich euch recht schön, recht vielemal für alle eure guten Wünsche, zu denen Gott seinen Segen geben möge: dann habe ich mich recht über alle eure Geschenke gefreut, besonders da ich auch noch andre mit all’ den schönen Eßsachen erfreuen konnte. Schade daß das Buch nicht das richtige ist: ich habe dies nicht bei Domrich bestellt, es ist ein Irrthum.’ En ook een jaar later is er nog geen spoor van een breuk met god te bespeuren wanneer hij in een van de vele brieven aan de predikant Hermann Kletschke schrijft: ‘Ich wünsche nur, daß ich Ihnen durch mein zukünftiges Leben Freude machen und auf diese Weise Ihnen einen ungenügenden Dank abstatten kann. Möge Gott im Himmel Ihnen Kraft und Gesundheit schenken, möge er Ihnen, was Sie an mir gethan, vergelten! Ihr dankbarer Famulus F. Nietzsche Es empfiehlt sich Ihnen meine Mutter auf das dankbarste.’

‘Nog eenmaal richt ik, mijn handen in de lucht’

Eerst maar eens de vertaling. Uitgeverij Pentagon deed een vriendelijk verzoek het gedicht voor de Nederlandse lezer te vertalen. Ik kwam tot het volgende:

Aan de onbekende god

Nog eenmaal richt ik, mijn handen in de lucht,

eer ik verder ga, mijn blik op wat er voor me ligt,

hef ze vereenzaamd in het zicht,

omhoog tot jou, naar wie ik vlucht.

aan wie ik tot het diepste beroeren

vele altaren heb gewijd

opdat te allen tijd’

zijn stem mij zal vervoeren.

Waar het woord gekerfd staat geschreven,

Daar ontgloeit: aan de onbekende god,

ik ben van hem, wanneer ik als zondaar verrot,

tot het laatste uur zal zijn gebleven:

ik ben van hem en voel de stroppen

die in mijn strijd mij doen verzuchten,

en die, als ik zou kunnen vluchten

mij, hem ten dienste, zullen stoppen.

Jij onbekende, jou wil ik begrijpen

die diep in mijn zielenroerselen leeft,

die als een storm door mijn leven zweeft,

jij ongrijpbare, aan mij gelijke,

ik wil jou kennen, en zelfs dienen.

De jonge Nietzsche doet hier misschien een aftrap naar zijn theologiestudie die hij zoals we weten niet zal voltooien. Maar het is onomstotelijk een feit dat hier een adolescent aan een verdere zoektocht begint. En het is niet zomaar een student nu we weten dat hij vijf jaar later al doceert aan de universiteit in Bazel. De docent Steinhart schrijft vanuit Schulpforta aan professor Saarschmidt in september 1864: “……Nietzsche ist eine tiefe, sinnige Natur, schwärmerisch der Philosophie, namentlich der platonischen, zugethan, in die er schon ziemlich eingeweiht ist. Er schwankt noch zwischen Theologie und Philologie, doch wird die letztere wol siegen, besonders aber wird er unter Ihrer Leitung sich freudig der Philosophie zuwenden, zu der ihn doch sein innerster Trieb hinführt.“ Helemaal duidelijk is het niet wat hem ertoe dreef om zich in Bonn toch op de theologiefaculteit in te laten schrijven. Was het vanuit een innerlijke overtuiging dat het zijn roeping was? Of onder druk van een zekere conventie en verplichting naar zijn moeder en overleden vader? Of misschien toch omdat het ook de keuze van Deussen was en het daarmee een verbinding met een studievriend gaf? De innerlijke zoektocht en nieuwsgierigheid naar filologie, specifiek de oude Griekse teksten, had zich allang ingezet.

Misschien is het wel het meest verstandig om zowel de vele interpretaties vanuit kerkelijke invalshoek (al redelijk snel na het overlijden van Nietzsche) als vanuit niet-religieuze hoek, te laten voor wat ze zijn. Ik lees vooral het verlangen van Nietzsche om iemand te leren kennen naar wie hij een grote nieuwsgierigheid heeft. Het werd nu een keer tijd dat god vanachter de boom tevoorschijn zou komen en hem nu eindelijk eens vertelt hoe het allemaal zit. Het verzoek gaat in alle vriendelijkheid, ja zelfs vroomheid. Hoe anders kun je van een in stijl diepreligieuze denker verwachten?

Wie het gedicht eens voorgelezen wil krijgen (en wat prettiger dan met die vreselijke declamatie van Klaus Kinski) verwijs ik graag naar de volgende link:

(n.b. De naamsaanduiding god is in de vertaling als ook in dit artikel met een kleine beginletter geschreven aangezien het niet direct verwijst naar een bepaalde god maar naar het begrip c.q. fenomeen god.)

Eén gedachte over “ Dem unbekannten Gott

  1. Een boom eenzaam op een op een vlakte, getergd door weer en wind. Wordt zijn ‘vorm’ nu veroorzaakt door de boom of de wind?

    ‘Door het leven heen’ bedreef Friedrich Nietzsche zeer succesvol taalevolutie en evolutiepsychologie toen deze woorden nog niet eens bestonden. De evolutietheorie gaat hoofdzakelijk uit van dat de boom zich aanpast aan de wind, Nietzsche stelt dat in de boom een ‘vernietigingsdrang’ van de natuur schuilt. Slechts door te vernietigen schept men (vrolijke wetenschap), door God te vernietigen, vernietigd het ook het Ik! In ieder geval een deel ervan, het Ik wordt namelijk door het Zelf geconstitueerd, het Ik, een nar, een marionet, een werktuig van het Zelf die het Ik de waanvoorstelling, de illusie voorhoudt van een ware en schijnbare wereld die Nietzsche uiteindelijk opheft. Stephan merkt in de laatste alinea terecht op; het Ik kwam in opstand tegen het Zelf, vertel mij de waarheid! De inkijkende en compromisloze Ik tegenover het eigen Ik werd geboren. Is niet bijna elke ‘analyse’ over Nietzsche van apollinische aard in plaats van de wereld te zien als een ‘stroom’, het Dionysische? Terecht merkt de evolutiepsycholoog Nietzsche op dat deze denkers in het ‘voordeel’ zijn. Een voordeel dat schuilt in het handelen, het doen, het beslissen. Wat deze denkers echter niet zien is de Nietzsche, Nietzsche Zelf, de boom eenzaam op een vlakte, getergd door weer en wind, die in Zijn ‘levensstroom’ en daarmee de scheppende krachten van het Zelf probeert vrij te maken. Want het Ik is niet zomaar een Ik, want de slimmerik Nietzsche had maar al te goed ingezien dat deze Ik gevormd werd door de kuddewind. Groepsselectie, wat ooit Nietzsche onsterfelijk zal maken is dat hij als geen ander heeft ingezien dat de scheppende krachten in het individu teniet gedaan worden door het kudde-instinct. In Ecce Homo heeft hij ook de bekentenis gedaan dat hij het leven gemeden, hij is uit de wind gaan staan. Hoe goed hij de kuddewind niet door dat haar kracht en sterkte ontleende aan achterklap, samenspannen, veinzen, manipuleren, al dat soort zaken dat de ‘morele mens’ wel bij de ander zag, maar niet bij zichzelf? Merkt Nietzsche niet terecht op dat sterk en zwak relatieve begrippen zijn?

    ‘Egoïsme is de wet van het perspectivisme’, hier had de evolutiepsycholoog die taalevolutie bedreef een instrument in handen zo zuiver als de wet van Newton, waarbij hij zeker niet altijd de juiste conclusies getrokken heeft, het zijn de bezittende waarlangs de taal evolueert, in deze tijd had Nietzsche dat ook echt kunnen waarnemen. Het zijn de socialisten en neoliberalen die de taal in bezit hebben genomen. Nietzsche merkt daarbij terecht op dat als je geen ‘verbinding’ hebt met een van de politieke stromingen, je de hele kudde tegen je hebt. Wie zijn eigenlijk die mensen die het liefst dier willen blijven, die mensen die vervulling vinden in de egoïstische behoefte van het dier? De rijken, mensen die het gemaakt hebben in de kudde, mensen die hun pleziertjes hebben voor de dag en de nacht, mensen die vervulling hebben gevonden in hun dierlijke behoefte? De mens als schakel tussen dier en übermensch heeft een lange lange weg te gaan, want die mensen die bepalend zijn, hun grootste vernietigingsdrang kunnen botvieren, willen het liefst dier blijven. Het zal elk scheppend individu vernietigen, buitensluiten, marginaliseren, levensvoorwaarden ontnemen, tot verschoppeling maken. Ik heb het met eigen ogen gezien en ervaren.

    Nietzsche is mij nooit vreemd geweest op velen zaken, veel ideeën had ik zelf al ontwikkeld, toch is mijn levenservaring heel anders dan die van Nietzsche. Ik kon mijzelf niet uit de wind houden, maar stond op de hoogste toppen toen de kuddewind in mij keek. Heeft hij iets ‘gezien’ in dit gedicht? Voelen is waarnemen, ik denk dat het sleutelwoord van dit gedicht gelegen zit in het ‘vereenzaamd’. Nog een maal gooi ik de handen in de lucht, dan zal ik God verlaten en ga mijn eigen weg, waarbij weggaan zowel het weg-gaan eigen-weg-gaan, weg van de kudde, een kuddewind dat schepper is van God.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *