De strijd om Nietzsche

De strijd om Nietzsche

“Antichrist! Het stuit me tegen de borst en ik kan er niets aan doen dat de meningen van Fritz mij steeds meer tegen gaan staan want ik zie niet in wie er ook maar iets mee geholpen is. Weet je, ik zou het liefste zien dat Fritz de zienswijzen van Förster zou hebben. Die heeft idealen die de mensen beter en gelukkiger maken wanneer we deze zouden steunen en opvolgen. (…) Je zult zien, men zal Förster nog een keer prijzen als een van de beste Duitse mannen en weldoeners van zijn volk.” (vert. SP). Aan het woord is Elisabeth Förster-Nietzsche in een brief aan haar moeder. We schrijven april 1884 en het oneindig juridische getouwtrek over het nalatenschap en de werken van haar broer moet nog een begin krijgen. Waar de een strijd mét Nietzsche levert, levert de ander het óm hem. Niels Fiebig (1966) heeft een grondige studie gemaakt onder de bijna cynische maar wel rake titel ‘Der Kampf um Nietzsche, Menschliches Allzumenschliches von Elisabeth Förster-Nietzsche’. Het is de vierde band in de serie ‘Schriften zum Nietzsche-Archiv (uitg. Bernhard Fischer en Thomas Föhl) die in 2018 uitkwam bij de Weimarer Verlagsgesellschaft in der Verlagshaus Römerweg. De randen van het dagelijkse leven of beter gezegd de banaliteit ervan, hebben een jaar later ook tot een andere studie van Fiebig geleid; ‘Nietzsche und das Geld’. Een studie die in het verlengde ligt van ‘Der Kampf um Nietzsche’.

Nils Fiebig: Der Kampf um Nietzsche

Een boek van bijna 300 pagina’s dat bol staat van een jarenlange juridische strijd die Elisabeth heeft gevoerd om haar zin te krijgen opdat ze de teksten van haar broer kon sturen en manipuleren zoals deze naar haar eigen beperkte inzicht gelezen en begrepen zouden moeten worden. Waar dat allemaal toe heeft geleid is hoegenaamd bekend maar heeft evenzogoed wel decennia lang een eigen leven kunnen leiden. Dat die interpretaties niet alleen in de jaren ’30 van de vorige eeuw maar ook tot op de dag van vandaag in verkeerde handen en monden terecht kan komen is niet moeilijk te traceren. Op Youtube is voldoende te vinden waaruit blijkt dat er voor diverse groeperingen – ook politiek actieve jongeren in eigen land – eerst een eigen theorie en wens bestaat waar vervolgens woorden van Nietzsche als ‘intellectuele’ onderbouwing bij worden gezocht.

Wanneer Friedrich Nietzsche in Turijn zijn geestelijke inzinking krijgt, zijn Bernard Förster en zijn echtgenote Elisabeth al drie jaren in Paraguay, aangezien Förster in 1886 al is gevlucht voor een juridische vervolging in Duitsland. Friedrich heeft dan na stevig aandringen door zijn zus voor 300 Reichsmark ook een ‘Stücken Erde’ van de kolonie ‘Nueva Germania’ in Paraguay gekocht. Maar het noodlot slaat voor Elisabeth twee keer vlak achter elkaar toe; eerst pleegt haar man op 3 januari 1889 zelfmoord – een actie die ze aanvankelijk probeert te verdoezelen – en haar broer die zich in december 1888 nog kritisch uitliet over het project in Paraguay, vervalt nog geen week later in waanzin en is vanaf dat moment aangewezen op zorg.

De falsificaties, manipulatie en verdraaiingen door Elisabeth laten niet lang op zich wachten. Nog maar net weer op Europese bodem (augustus 1893) bindt ze de strijd aan met deze en gene die prominente rollen in het leven van haar broer hebben gespeeld; Peter Gast (zijn echte naam Heinrich Köselitz) en Franz Overbeck. Maar niet alleen met hen, ook diverse uitgevers en medewerkers van kranten en literaire bladen moeten het ontgelden. Al gauw is het duidelijk dat er in decennia strijd er sowieso lachende derde partijen zijn, te weten de diverse advocaten die hun facturen doorgaans met een dikke pen weten te schrijven. 

Elisabeth windt er geen doekjes om. Eind 1893 maakt ze in het gezaghebbende ‘Magazin für Litteratur’ kenbaar een allesomvattende biografie over haar broer te gaan uitgeven waarbij bronnen die alleen exclusief haar ter beschikking staan zullen worden gebruikt. En dat ze niet alleen een gewiekste onderhandelaarster is maar ook een slimme zakenvrouw bewijst wat ze er financieel mee weet te winnen. Verdiende Nietzsche zelf mondjesmaat van zijn werken, Elisabeth weet met een inmiddels ook door haar uitgeven ‘Gesammtwerk’ voor haar moeder 14.000 Reichsmark te incasseren en voor haarzelf staat de teller in 1905 al op 250.000 Reichsmark, in die jaren een gigantisch bedrag! Geld dat ze spendeerde aan de vele archiefwerkzaamheden, publicaties, onderzoek, marketing en niet in de laatste plaats om dure advocaten te kunnen bekostigen.

‘Menschen wie meine Schwester müssen unversöhnliche Gegner meiner Denkart und Philosophie sein: Das liegt im ewigen Wesen der Dinge begründet.’

Nadat haar moeder in april 1897 is overleden, is de weg helemaal vrij om alles rondom haar broer volledig naar haar eigen hand te zetten. De villa Silberblick in Weimar komt door een relatief gunstig huurcontract met de eigenaresse Meta von Salis binnen haar bereik. Precies drie maanden na het overlijden van haar en Friedrichs moeder verhuist ze haar broer naar de villa waar hij tot aan zijn dood drie jaar later zal worden verzorgd. Een van de eerste publicitaire acties die ze vervolgens doet is alle speculaties over de geestelijke ineenstorting van haar broer de kop indrukken. Maar ze begint met een verklaring om de verhuizing te onderbouwen en dat doet ze in de Frankfurter Zeitung. In Naumburg zou het lawaai van voorbijkomend verkeer soms storend voor haar broer zijn geweest waardoor ze de rust van Weimar heeft opgezocht, voor het welbevinden van Friedrich dus. En de geestelijke onmacht van haar broer is voor haar onomstotelijk ontstaan door een teveel gebruik van ‘Chloralhydrat’ dat Friedrich al vanaf 1889 frequent gebruikte om zijn enorme hoofdpijnen te kunnen weerstaan.

Elisabeth Förster-Nietzsche in de bibliotheek van de Villa Silberblick

Vanaf de verhuizing kon de juridische strijd, de titel van het boek is niet moeilijk uit te leggen, flink van start gaan. Uitgever Naumann was de eerste die voor de rechter gedaagd werd vanwege zijn uitlatingen in ‘Der Fall Elisabeth’. Naumann kan niets verweten worden maar Elisabeth ziet de voor haar vervelende passages uit het stuk liever verdwijnen en probeert Naumann te paaien door hem originele notities van Nietzsche aan te bieden. Ze bereikt het tegenovergestelde want Naumann plaatst een deel van zijn eerder gepubliceerde tekst in het voorwoord van zijn ‘Zarathustra Commentar’.

De polemieken en juridische strijd maar ook de frustratie over de incompetente bemoeienissen van Elisabeth met de inhoudelijke nalatenschap van Friedrich Nietzsche leven sterk in diverse uitgeverij- en intellectuele kringen. In 1906 is het Eduard Platzhoff-Lejeune die onomwonden de koe bij de horens vat wanneer hij Cosima Wagner en Elisabeth Nietzsche op een weegschaal legt. Cosima is vele malen slimmer, dringt zich niet op maar weet achter de coulissen te sturen. Ze is ook niet zoals Elisabeth pretendeert met de ‘authentieke interpretatie’ van de teksten bezig. In de tussentijd is een team van deskundigen onder leiding van Elisabeth zeer ijverig bezig met het doorwerken van alle manuscripten en wie het niet ‘goed’ doet wordt weggestuurd. Dus met grote regelmaat nemen onderzoekers afscheid van Elisabeth. Platzhoff-Lejeune bevestigt dat Nietzsche weliswaar lijfelijk veel steun aan zijn zus heeft gehad maar is het ook een grote tragiek dat uitgerekend zij de beheerder over de inhoudelijke nalatenschap heeft. ‘Nog nooit is zo’n grote geest zo klein benaderd, zo slecht verdedigd en daardoor zo treurig in allerlei dagelijks muggenzifterij afgedaald als nu Nietzsche overkomt. Wat zijn zuster over hem schrijft, los van de feitelijke biografische dingen, is zo onbedoeld komisch, zo naïef ijdel en zo ontroerend kinderlijk dat men het bijna met plezier leest’. (vert. SP). Elisabeth had inderdaad, behoudens wat privélessen uit de koker van Rudolf Steiner, weinig tot geen kennis en inzicht in de filosofie, laat staan in de specifieke teksten van haar broer Friedrich.

Seelen wie Du eine hast, meine arme Schwester, mag ich nicht, am wenigsten, wenn sie sich moralisch blähen.’

Maar Elisabeth heeft haar doel scherp in zicht. In 1902 geeft ze na een donatie van haar neef Adalbert Oehler (40.000 Reichsmark groot!) Henry van de Velde de opdracht om voor het aangezicht en de ruimtes in de villa een architectonisch plan te maken. Voor de uitwerking maar ook voor meubels moet ze daarna nog eens 50.000 Reichsmark op tafel leggen. Maar nogmaals, alles kan en mag in het grote plan om de werken en de bekendheid van haar broer internationaal op grote hoogte te brengen. Daar horen bijvoorbeeld ook gipsbustes en foto’s van haar broer bij die voor de ware vereerders van Nietzsche een welkome aanvulling in hun huis of bibliotheek zijn.

Peter Gast ps. van Heinrich Köselitz

In haar grote argwaan en jacht op alles wat haar broer aan verdere teksten en correspondentie  heeft geschreven is Peter Gast aan de beurt. Elisabeth had Heinrich Köselitz die met zijn pseudoniem Peter Gast door het leven ging, al eens op het altaar gehezen (‘Preister am Nietzsche-altar’) of zoals in een brief uit september 1893 bleek, zelfs als de ‘enige ware verkondiger van Nietzsches leer’ en ‘hoeder van de heilige vlam’ betiteld. In 1899 had Gast zich al eens door het Archiv laten uitbetalen (2.000 Reichsmark) voor diverse brieven maar had toen de meest compromitterende brieven niet aan Elisabeth overhandigd. Brieven die onomwonden de mening van Nietzsche over zijn moeder en zus behelzen zoals bijvoorbeeld ook in Ecce Homo te lezen valt: ‘Wenn ich den tiefsten Gegensatz zu mir suche, die unausrechenbare Gemeinheit der Instinkte, so finde ich immer meine Mutter und Schwester, — mit solcher canaille mich verwandt zu glauben wäre eine Lästerung auf meine Göttlichkeit.’

Het ‘canaille’ was tot vijf jaar na zijn overlijden druk doende om bij Franz Overbeck een verklaring af te dwingen waarin deze de theorie over de syfilis aandoening – die Nietzsche bij een bordeelbezoek in zijn studententijd zou zijn opgelopen – zou weerleggen. Het was immers toen een publiekelijk geheim dat er een medische verband tussen die opgelopen infectie en zijn geestelijke ineenstorting zou zijn. Overbeck hield zijn troeven tegen de borst en wist wat Nietzsche ervan zou vinden indien hij de pogingen van zijn zuster om zijn filosofische nalatenschap te regelen zou hebben meegekregen. Deze brieven wist Overbeck via een codicil bij zijn testament naar de universiteitsbibliotheek van Bazel te laten gaan, waar de uitgever Albrecht Bernouilli mandaat kreeg. En dus gingen de brieven niet naar Elisabeth Förster-Nietzsche. Bernouilli op zijn beurt onderstreepte na het overlijden van Overbeck in 1905 diens weerzin tegen de pogingen om van zijn vriend in een ‘Nietzsche-Archiv’ een museumstuk te maken.

Ida Overbeck zal nog wel te maken krijgen met de vasthoudendheid van Elisabeth. Maar ook de weduwe van Franz Overbeck is duidelijk wanneer het gaat over vermeende verduistering van grote aantallen manuscripten. ‘De bewering dat grote aantallen manuscripten door deze verduistering verloren zijn gegaan is gauw gemaakt’, schrijft ze begin oktober 1905 in de Neue Zürcher Zeitung, maar ‘het bewijs daarvoor te leveren zou mevrouw Förster-Nietzsche nog wel eens zwaar kunnen tegenvallen.’ (vert. SP).

Elisabeth is ook naarstig op zoek naar bewijzen voor het geplande boek ‘Umwertung aller Werte’ en frustreert zichzelf hetgeen zich uit in wraakgevoelens richting het echtpaar Overbeck; ‘Aber es kommt auch mein Tag….’

Ze vervolgt haar juridische strijd door te eisen dat de correspondentie van haar broer met deze en gene, haar als wettelijk erfgename van haar overleden broer, toebehoort. Ze vergeet daarbij echter het recht van de geadresseerde. Maar helemaal kansloos is ze niet omdat er destijds niet echt duidelijke juridische richtlijnen over een kwestie als deze  bestond. Bij de Wagners was er al wel eens een dergelijk proces gevoerd waarbij de uitkomst wees op het recht van de erfgenaam wanneer de correspondentie een kunstzinnig dan wel scheppend karakter zou hebben. Maar daarom ging het Elisabeth niet; ze wilde brieven met daarin voor haar compromitterende passages niet in de openbaarheid hebben. 

Advocaten, uitgevers, rechters van laag tot hoog buigen zich daarom jarenlang over de wenselijkheid en onwenselijkheid van een intellectuele erfenis zoals die van Nietzsche. De uitkomst is een gulden middenweg waarbij een eerste uitgebreide brieven editie bij Insel Verlag zal worden voorbereid. Tijdens deze voorbereiding kwamen beide partijen overeen om geen publicaties hieromtrent te doen zodat de strijdbijl begraven kon worden. Insel verzamelde de brieven zowel vanuit de Universiteitsbibliotheek uit Bazel als van het Nietzsche-Archiv in Weimar. In maart 1913 verscheen al een voorproefje van 17 brieven. Een geplande uitgave in 1914 liet door de oorlog nog twee jaar op zich wachten maar in 1916 is dan een daadwerkelijke gedrukte uitgave van een selectie van de brieven uit Nietzsches nalatenschap een feit. In december van dat jaar zijn opnieuw de rapen gaar en besluit Elisabeth weer tot een tirade richting Ida Overbeck en begint haar spel met het tegen elkaar uitspelen van haar tegenstanders.

‘Ich habe mich seit Jahren gegen Liesbeth gewehrt wie ein verzweifelndes Tier und sie hört nicht auf mich zu quälen und zu verfolgen.’

En dat ze nog lang niet uitgestreden is blijkt wel uit haar pogingen om de correspondentie tussen haar broer en Peter Gast te beïnvloeden. Maar ook de correspondentie tussen Gast en Overbeck wordt de inzet van een volgende juridische strijd, immers ook hierin zijn mogelijk dingen te lezen die haar en daarmee het Nietzsche-Archiv niet ten goede komen. De advocaat van uitgever Bernouille, ene Hetzel, probeert de brieven veilig te stellen door erop te wijzen dat Bernouille van Overbeck al eerder een garantie heeft gekregen – o.a. in een brief uit 3 januari 1905 – de correspondentie met Gast in bezit te krijgen. Dit om een bewijs voor de verdachtmakingen van vervalsingen in het Nietzsche-Archiv, en dus tegen Elisabeth, rond te kunnen krijgen. Het bewijs werd nog sterker omdat Bernouille ook beschikte over verklaringen van een ex-medewerker uit het Archiv – Fritz Koegel – wiens weduwe zo scherp was om deze stille getuigenverklaring en informatie over de vervalsingen, aan Bernouille te geven, brieven en briefontwerpen die als de zg. ‘Koegel-Exzerpte’ in later Nietzsche onderzoek een eigen plek kregen. 

Franz Overbeck

Het zal veel tijd, moeite en geld kosten om uiteindelijk boven water te krijgen hoe de zus van Nietzsche stelselmatig probeerde zaken in haar voordeel te verdraaien. Maar de internationale reacties zijn heftig wanneer blijkt hoe Elisabeth en het Nietzsche-Archiv al twee decennia lang de wereld om de tuin weet te leiden. In juli 1908 schreef Eugen Diederich in de Jenaische Zeitung; ‘ Es wirkt erheiternd, mit welcher Sicherheit Frau Förster-Nietzsche die Briefe Ihres Bruders an seinen besten Freund für ‘Mystifikationen’ erklärt, nur weil ihr der Inhalt nicht paßt.’

De ‘strijd om Nietzsche’ gaat maar door en lijkt geen einde te kennen. In het boek van Bernouille dat al verschenen is moet op last van een rechterlijke uitspraak in 1908 bepaalde passages ‘gezwart’ worden hetgeen alleen maar nieuwsgieriger maakt waardoor er hogere verkoopcijfers ontstaan

Een jaar later vertrekt Peter Gast uit het Archiv. Hij schrijft in een brief: ‘(…) wie leicht und wohl mir ist, seit ich von jenem Lügenhügel da oben über Weimar erlöst bin. (…) `Die Schmeichelkomödie da oben wurde mir mit den Jahren immer degoutanter, zumal seit der Publikation der Overbeckschen Briefe an mich über die Turiner Abholung (….).’

In 1909 stopt de uitgever Naumann vanwege zijn leeftijd met zijn activiteiten, die vervolgens door het bekende Kröner Verlag uit Leipzig worden overgenomen. Met deze uitgeverij sluit Elisabeth nieuwe contracten af die haar verzekeren van inkomsten die op 15% van de verkoopprijs worden gebaseerd. Een van de eerste acties van Kröner is het stoppen van een goedkopere uitgave op sterk houthoudend en vergelend papier. De gedrukte boeken gaan in de ramsj. In Weimar worden ze al een beetje achterdochtig; is dit een voorbode voor een nieuwere en mooiere uitgave zonder het Archiv er in te betrekken? Het werd weer eens tijd (inmiddels 1930) voor een proces en een advocaat die er 6100 Reichsmark voor Elisabeth uit sleept. Daar kwam nog eens een tweede betalingsverplichting bij van 12.000 Reichsmark die Elisabeth met de schoonzoon van de uitgever overeenkwam. Deze had ogenschijnlijk zijn hand betreffende de contracten wat overspeeld. 

Ein Problem, über das ich oft nachgesonnen habe, ist, wie wir beide überhaupt verwandt sein können.’

Het Nietzsche-Archiv plande een volledig nieuwe uitgave inclusief het zogeheten hoofdwerk dat ‘Wille zur Macht’ moest gaan heten. De basis voor die uitgave was een verzameling aforismen die door met name Peter Gast al in 1901 waren samengesteld en door het Archiv uitgegeven. In 1906 kwam dat aantal na een grondige ‘studie’ op 1067 aforismen uit. Elisabeth had zich inmiddels als mede-uitgever naast Kröner gepositioneerd maar deze had geen zin om voor een nieuwe editie vanuit die hoedanigheid met haar samen deze editie uit te gaan geven. Door met de oude drukplaten – inclusief eerdere zetfouten – te werken dachten de advocaten van Elisabeth daar uiteraard anders over. Maar daarover iets gaan eisen stond wel in scherp contrast met een nieuwere uitgave van ‘Der Wille zur Macht’ die ze voor ogen had en waarin weer het een en ander gewijzigd moest worden. Voor de rechter was de vraag dus zeer opportuun: wat is nou het werkelijke manuscript van Friedrich Nietzsche? Er van uitgaande dat dit manuscript als zodanig bestond… Toch weet ze er weer winst voor haarzelf uit te slepen, ze had immers, zo bleek als een konijn uit de hoge hoed, in 1927 een aantal titels contractueel vast laten leggen waaronder ook ‘Wille zur Macht’. En het werk dat Peter Gast ervoor had gedaan? Die had volgens haar nergens recht op ‘denn ich allein habe die ganzen Aphorismen mit großer Mühe aus den Manuskripten herausgesucht und in die vier Bücher des Willens zur Macht verteilt.’ Ongemerkt was er door de ‘Bildungsphilister’ Elisabeth een begin gemaakt met hetgeen Nietzsche zo tegenstond; de politisering van een filosofie, ‘die Niederlage (…) des deutschen Geistes, zugunsten des deutschen Reiches’ (uit; ‘David Friedrich Strauß, der Bekenner und Schriftsteller’.)

Kröner wil tot een akkoord komen. Mocht dit niet lukken dan is een andere volgorde van de aforismen wellicht voldoende om contractueel onder de afspraken uit 1927 uit te komen. Elisabeth krijgt eenmalig 3000 Reichsmark aangeboden maar die wijst ze af en gaat voor een proces. Daarin wordt ze in het gelijk gesteld en Kröner moet haar eenmalig 4500 Reichsmark betalen, ter grootte van 500 Reichsmark exemplaren aan haar geven en mag de totale revisie van het boek niet uitvoeren. Zo langzamerhand was Elisabeth een professional geworden op het gebied van intellectueel eigendom en uitgeversrechten…  Ze vond het ook maar vreemd dat er geen gelijk erfrecht voor materiële en immateriële zaken bestond.

Wat resteert is haar gedweep met Mussolini c.s. en Hitler. Volgens Elisabeth zou Nietzsche indien hij nog had geleefd Mussolini als een God hebben vereerd. Ook Max Oehler, de neef van Nietzsche, onderstreepte dit en vond de Duce zelf ook de enige staatsman van groot formaat. Daarmee werd het duidelijk; de politiek had Nietzsche gevonden. Elisabeth ontving op haar 85e verjaardag van Mussolini een financiële ondersteuning voor haar Nietzsche-Archiv ter grootte van 20.000 Lire, een bedrag dat destijds nog wel wat voorstelde. Het kreeg pas echt een stroomversnelling toen ze op de avond van 30 januari 1932 in het theater van Weimar ene Adolf Hitler ontmoette…Die zou ze nog vaker gaan ontmoeten.

Elisabeth Förster-Nietzsche bleef tot vlak voor haar dood (8 november 1935) strijdlustig tegenover haar ‘vijanden’. Ze blies haar laatste adem uit in de villa waar haar broer dat al 35 jaar eerder had gedaan. Hitler was aanwezig bij de begrafenis in Röcken waar ze naast haar broer en vader kwam te liggen. Mussolini stuurde een condoléance. 

Het verdere stuntelige verloop van onderzoek naar Nietzsches werk had zijn oorsprong in deze – historisch gezien – wat onhandige volgorde van overlijden…

Elisabeth Förster-Nietzsche in Villa Silberblick

Bovenstaande vier in het blauw geplaatste teksten komen uit de zogeheten ‘Koegel-Exzerpte’, brieven en briefontwerpen uit het bezit van Fritz Koegel, ex-medewerker van het Nietzsche-Archiv in Weimar.


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *