De opstand van de massamens

De opstand van de massamens

Op het gevaar af dat dit schrijfsel een moraliserende toon of een enigszins politieke geur krijgt, breng ik graag een denker en publicist onder de aandacht die een sterke verbinding met Nietzsche voelde en Nietzsches concept van ‘De laatste mens’ als een rode draad in zijn geschriften heeft verweven: José Ortega Y Gasset (1883-1955). De hoogleraar metafysica schreef in een wat journalistieke en toegankelijke stijl zijn ‘La rebelión de las masas’, het werk dat hem bij publicatie in 1930 (het was een verzameling eerder verschenen krantenartikelen) wereldwijd bekend maakte. De Grote Wereldoorlog was achter de rug, de Tweede stond her en der al in de steigers. Maar ‘wie zou aan het einde van deze eeuw van uitersten willen beweren dat de geladen zinnen louter de echo zijn van een voorbije tijd?’ schreef Paul Scheffer eind 1997 terecht in zijn boekbespreking ‘oogst van onze eeuw’ over ‘De opstand der horden’ in de NRC. De actualiteit tekent na een kleine kwart eeuw opnieuw de helderheid van de analyse die in ‘De opstand der horden’ te lezen valt. Het is dan ook niet voor niets dat na 16 drukken (vanaf de eerste vertaling door Johan Brouwer uit 1933) in 2015 een nieuwe vertaling op de Nederlandse markt is gekomen (Uitg. Lemniscaat, vertaling door Diederik Boomsma) met de nieuwe titel ‘De opstand van de massamens’

De opstand van de massamens

Door de tsunami aan meningen en standpunten die de laatste maanden het publieke debat vult, denk ik vaak terug aan mijn allereerste kennismaking en lezing van het boek en stel mezelf de vraag of het een kwestie van cultuurpessimisme is wanneer je de actualiteit op de weegschaal van de geschiedenis legt? Met enige regelmaat komt ook het herkenbare destillaat van Ger Groot in mijn gedachten voorbij die in zijn bijdrage voor NRC en ‘De Leesclub Van Alles’ bij de verschijning van de nieuwe vertaling schreef hoe heden ten dage rechten klakkeloos worden opgeëist zonder dat daar enig plichtsgevoel tegenover staat, verlangens direct vervuld dienen te worden en enig verantwoordelijkheidsgevoel ‘met een zaklantaarntje’ te zoeken is. De soms vrijblijvend lijkende democratie heeft, los van welke sociale status, een type mens voortgebracht dat zich onderscheid door zelf het onderscheid tussen ‘lagere’ en ‘hogere ‘zaken moeilijker lijkt te kunnen maken. Of nog beter gesteld te willen maken. Louter omdat de beschouwing niet meer geleerd is maar de lokkende en gemakzuchtige bevrediging van een spontaan opkomende behoefte elk moment op de loer ligt. Een tekort aan geest bij zowel hoog- als laagopgeleiden en bij zowel arm als bij rijk.

Ik herlas mijn eigen uitgave uit 1956 en was opnieuw verrast hoeveel reflecties van destijds op de huidige tijd van bijna een eeuw later te plakken zijn. In zijn eigen voorwoord ‘Voorbericht voor Fransen’ schrijft Ortega, voormalig professor in psychologie, logica en ethiek, over de openbare macht in Europa die vooral gestoeld is op de manipuleerbare (‘techniek om haar te beïnvloeden’) openbare mening. Dat levert een angstaanjagend idee op wanneer je bedenkt hoe die techniek zich vanaf die vermaning tot op de dag van vandaag tot duizelingwekkende hoogte heeft ontwikkeld en de openbare mening zich lijkt te beperken tot een culminatie van simpele en gemakkelijk te verteren leuzen en uitspraken. Ortega stelt zelfs dat er geen onvermurwbaar en onvervreemdbaar eigen innerlijk is dat zich niet laat wegdringen. Ik voeg er graag het belang van een eigen ik en een zelfstandig verworven visie aan toe. Een heel simpel voorbeeld is de opsplitsing in de schijnbare tegenstelling in politiek links en rechts, volgens Ortega ‘een van de ontelbare wijzen van zijn die de mens kan uitkiezen om een imbeciel te wezen’. Het kenmerkt overigens ook de directe stijl van zijn pleidooi. Hoe fijn is het recht om een eigen mening te mogen hebben echter het sapere aude (‘durf te weten’) van Horatius indachtig, lijkt me een eigen gedachte daarvoor net zo onontbeerlijk.

Tegen het einde van zijn bijna 50 pagina’s tellende voorwoord wordt de Übermensch van Nietzsche door Ortega aangehaald. Het is voor hem het zinnebeeld van de mens die behept met het grootste geheugen de behoefte voelt om tot een afbraak over te gaan en die als een orang oetan de voor hem liggende continuïteit opnieuw zou wensen te beginnen. Ondertussen loopt de horde in de door Ortega genoemde ‘hyperdemocratie’, al ‘het afwijkende, verhevene, het persoonlijke, het verdienstelijke en uitgelezene onder de voeten’. De gehoorzame burger van nog niet zoveel decennia terug heeft plaats gemaakt voor de zelfbewuste enkeling die niet alleen het genot zoekt – het moet immers altijd leuk en gepassioneerd zijn – maar deze levenshouding, het liefst in het populaire ‘hier en nu’, als norm- en maatgevend voor zijn of haar omgeving oplegt. De medemens die niet perse volgens de normen van zijn tijd leeft is voor de mens die deze norm wel hanteert, en dus in zekere zin modern is, al snel gebombardeerd tot een conservatieveling of (cultuur)pessimist. Echter, en hier komt een Nietzscheaanse doorkijk van Ortega om de hoek kijken, moderniteit die zich vertaalt in politiek en cultuur is in zekere zin alleen de schil van de geschiedenis. Ortega noemt het zelfs de ‘korst’ waarmee hij het iets minder vloeibaar heeft gemaakt. Het is de schil om de krachten die de geschiedenis maken, anders gezegd al het gebeurende laat zijn. Dit bewustzijn, deze kennis, brengt de beschouwer wat minder snel in datzelfde ‘hier en nu’ maar meer op de noodzakelijke afstand van het perspectief, de beschouwing en verwondering. Het brengt Ortega bijvoorbeeld in een voetnoot bij de conclusie hoe vooruitgang en snelheid oorzakelijk samen gaan omdat we niet het eeuwige leven hebben. Waartoe anders in een auto de reis afleggen wanneer we alle tijd van de wereld zouden hebben? De beperking die de behoefte creëert. Hoe fijn is het dan om in die tijd- en ruimtebeperking een gevoel van vrijheid te mogen ervaren door het ongelimiteerde pallet aan keuzes en koopmogelijkheden die de moderne mens wordt aangereikt. En hoe sterk voelt de teleurstelling, de tegenslag, wanneer dat even wat minder kan? 

Ortega y Gasset

Voor de gelovige mens is het zoveelste Armageddon in aantocht. Opgegroeid met het vermogen tot duiding of genetisch aangetrokken tot het kunnen ontwaren van signalen die zich vanuit een ongrijpbaar iets aftekenen, moet het einde der tijden nu toch écht gaan komen. Het is de eschatologie die menig religie verbindt alhoewel dit verder buiten de scope van het boek valt. Waar Ortega wél op doelt is het zogeheten verval. Net als bij vele andere begrippen dringt hij aan op een juiste uitleg, dus wat zou er dan in verval zijn? Regering en democratie? De Europese beschaving?* De algehele toekomst vanwege de uitputting van de aarde? Het dol geworden morele kompas van de volgzame en politieke leiders zoals Mathieu Segers dat in zijn treffende essay ‘Een politiek van gevolgen’ in De Groene Amsterdammer van 17 november 2021 verwoordde? Heeft niet elke tijd die mensen voortbrengt die ‘van haar zijn’ een gevoel van stuurloze en stroomafwaartse richting? Volgens Ortega heeft het onlosmakelijk te maken met de groeiende overvloed aan technische mogelijkheden. Wanneer je bedenkt dat dit bijna een eeuw terug is opgetekend, in een tijdperk waar slechts geoogst werd van hetgeen in de 19e eeuw ontdekt, ontworpen en/of ontwikkeld was (o.a. trein, vliegtuig, auto en diverse ontwikkelingen in de medische wereld), dan gaat het je duizelen bij de digitalisering, data verrijking, algoritmische nieuwsvergaring, artificial intelligence en virtual reality in de huidige tijd. Grote denkrichtingen als liberalisme, humanisme en socialisme sierden de boekenkasten in de 19e en 20e eeuw maar ondertussen verloren zij ‘waakzaamheid en werkzaamheid’ (Ortega) en koos de vooruitgang zijn eigen weg zoals dat inherent is aan de mens die nu eenmaal alles put uit dat ene recht, namelijk het ongeuite maar alom aanwezige ‘recht op vooruitgang’. Het deed Zuckerberg alvast met een nieuwe naam voorsorteren op virtuele werkelijkheden in de nabije toekomst. Ons leven kan nu eenmaal niet alles uit de geschiedenis leren, het neemt zijn beloop en vindt zijn bestemming zoals dat zo treffend op het tegeltje van het concert des levens geprogrammeerd staat. ‘If you choose not to decide you still have made a choice’ zong ik op mijn middelbareschooltijd een tekst uit volle borst mee. Maar toch….het verlies van de maakbaarheid, de doelloze richting, het ontbreken van een levensplan en geen begin van nieuwe ontwikkelingen maakt ook de mens van nu soms radeloos. Misschien meer dan ooit terwijl de driften de massamens juist tot ongekende consumptieve hoogten had gebracht. De grote vernietigende oorlog die bij de verschijning van het boek nog zou volgen was misschien ook een desastreus invulling van het ‘grote’ denken in gouden bergen en beloofde landen voor de massamens.

La rebelión de las masas

”Ik zie de hoogtij van het nihilisme komen” laat Ortega Nietzsche van een hoge Zwitserse berg roepen. Daarmee heeft hij een van de belangrijkste denkers die hem geïnspireerd hebben (o.a. Comte, Spengler en Jaspers nemen ook prominente plekken in) een rotsvaste plek in het boek gegeven. Niet alleen vanuit het nihilisme dat zo’n prominente plek in het werk van Nietzsche inneemt, maar ook het perspectivisme immers ‘wil men zijn eigen tijd goed zien, dan moet men hem van verre beschouwen’. En wat zou er dan zoal te zien zijn? De gelijkenissen met het verwende kind dat grenzeloos wil toegeven aan zijn driften en er vervolgens geen bewustzijn van limiet en dankbaarheid bij heeft. De contouren van de parallel met de massamens dienen zich aan; alles ligt al gereed en tegenslagen worden uit de weg geruimd al voordat ze zich als zodanig kunnen manifesteren. Of in de woorden van Ortega: ‘Het is er zoals we de zon aan de hemel vinden’. Ortega gebruikt de metafoor – die evenzogoed realiteit kan zijn – van de bakkerij die het bij een tekort aan brood tijdens rellen moet ontgelden. Wie ziet de gelijkenis met sommige excessen in onze tijd nog niet?

Het achtste hoofdstuk van het boek heeft de niet mis te verstane titel ‘Waarom de massa’s in alles ingrijpen en waarom zij dit slechts gewelddadig doen.’ Het antwoord zoekt Ortega in de gesloten ziel, met andere woorden de frustratie, het ressentiment kortom de boosheid. Ook hier komt weer een andere titel mijn hoofd binnen dwarrelen en wel ‘Het nationaalsocialisme als rancuneleer’ van Menno ter Braak, maar dat even terzijde. Boosheid dus, maar ook de onmogelijkheid hem buiten zijn boosheid te brengen. Ortega durft het zelfs nog anders te stellen: “Evenmin als dat men bepaalde soort insecten dat in gaten huist, uit het gat waarin zij genesteld zijn kan uitdrijven, zomin is er enige kans de dwaas uit zijn eigen dwaasheid te krijgen. Het is onmogelijk hem eindweegs mee te voeren tot buiten zijn nauwe kringetje, en hem te noodzaken zijn gewone uiterst gebrekkige zienswijze te vergelijken met scherpere blik. De dwaas is levenslang tot zijn domheid gedoemd, daar is geen verhelpen aan.” Het zijn zinnen die het boek een wat minder academisch gehalte geven. Hij laat ze dan ook met een voetnoot vergezeld gaan die als volgt klinkt: “Vaak heb ik mij deze vraag gesteld; het is niet aan twijfel onderhevig of het is van den beginne af voor vele mensen een der smartelijkste folteringen uit hun leven geweest in aanraking, in botsing te komen met de domheid hunner naasten. Hoe is het dan niettemin mogelijk, dat men nooit eens – zo ver ik weet – geprobeerd heeft er een studie over te schrijven, een verhandeling over de domheid?”

Uitgave 87 van het Nexus instituut ‘Over domheid en leugens’ van eerder dit jaar handelt weliswaar niet zuiver en alleen over de domheid die Ortega bedoelt (die van de massamens) maar heeft er met domeinen als politiek, religie, academie en het publieke debat wel een grote verwantschap mee. De domheid uit zich met grote regelmaat in de claim op vrijheid van meningsuiting, niet zozeer op dat grote goed maar wel omdat het hebben van een mening ook een gedachte veronderstelt. En wie ideeën wil hebben zal toch ook ‘de spelregels van waarheidsvinding dienen te aanvaarden’, aldus Ortega. Wat die normen zijn is een nadere invulling zolang zij maar niet een volwassen communicatie frustreren, laat staan een soort ‘recht van onredelijkheid’ overeind houden. Het is een verschijnsel dat Ortega in de jaren ’20 en ’30 in zijn lezingen laat terugkomen en dat we nu opnieuw zich heel sterk zien aftekenen. In het debat nemen sprekers deel die geen redenen wensen op te geven dan wel zich er ook niet druk om maken of ze wel of niet gelijk hebben c.q. de waarheid spreken. Universitaire scholing lijkt immers bij sommige retorici of politici wel tot kennis maar niet tot inzicht laat staan begrip te hebben geleid. Het is de massamens die spreekt en tot wie men spreekt wanneer de ongefundeerde uitlating gevolgd wordt door de onmogelijkheid van de opponent om in redelijkheid tot een inhoudelijke dialoog te komen. De zogeheten ideeën zijn dan in de woorden van Ortega ‘begeerten met woorden’, driften en wensen die een sterke kortzichtige focus op een eigen belang kennen. We hoeven oren en ogen maar goed te openen en we zien het in de kleinste individuele aanvaring over een vermeende egoïstische daad tot aan het grote mondiale collectief zoals bijvoorbeeld het zonder reden niet vrij geven van een recept voor het maken van een vaccin voor Afrika. Ingegeven door winstbejag of anderszins wil tot macht dan wel overheersing, is de Europeaan ‘met betrekking tot de ingewikkelde beschaving waarin hij geboren is, een barbaar, een primitief mens (…) een indringer van beneden af.’ Zoals hij zelf zegt is dat zijn stelling.

José Ortega y Gasset

Ortega neigt in dit werk een klein beetje naar herhaling van hetzelfde maar dan in andere woorden. In het elfde hoofdstuk komt hij, weliswaar samenvattend, weer terug op het standpunt van de massamens die zich graag laat gelden zoals hij is en geen beperkingen wenst in een wereld waarin het leven vooral gemakkelijk en overvloedig dient te zijn. Een kritische beschouwing van die ‘eigen’ mening hoort daar gewoonweg niet bij. Levens zonder een eigen worteling laten zich nou eenmaal gemakkelijker meevoeren door de mode of stromingen op welk gebied dan ook. Grenzeloze vrijheid en blijheid, wat wil de mens nog meer wanneer hij is geworden wat de wereld om hem heen van hem vraagt? Waarbij de enige autoriteit die maatgevend is die van het zelf is totdat de omstandigheden als een oorlog of crisis hardhandig ingrijpen. Tot aan die tijd is het een bijna vanzelfsprekend narcisme dat in de lucht hangt en de massamens tot dat ene absolute adagium brengt waar hetgeen goed voor hem is ook het absoluut goede is. Niet voor niets kom je als de zoveelste valselijk geïnterpreteerde uitspraak van Nietzsche als populaire slogan op T-shirts en allerlei andere merchandise prularia tegen: ‘Was mich nicht umbringt macht mich stärker’. De techniek wordt het instrument die ervoor zorgt dat alles kan en de premisse waarom iets gebeurt is dan al gauw omdat het kan. Vertaler Diederik Boomsma merkt in zijn toelichting (De Groene Amsterdammer van mei 2015) terecht op: ‘Als alles kan, moet alles ook kunnen. In plaats van dankbaarheid voor alles wat meevalt dreigt dan juist chagrijn over alles wat tegenzit.’ Zie hier ook weer de gelijkenis met het verwende kind dat Ortega ten tonele voert in zijn boek. En Boomsma sluit zijn toelichting ook zeer treffend af: ‘Het verhaal van Ortega is het verhaal van Plato, van Tocqqueville, en vele anderen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn belangrijk, maar hiërarchie, autoriteit en discipline ook. Het is aan elke generatie om die tijdloze waarheden opnieuw op te diepen en te verinnerlijken.’ Ook tegen het decor van groeiende mondiale concentraties van macht is het goed te weten dat een menselijke samenleving start bij een autonoom denken dat tegenmacht kan leveren. 

En wat wil ik nog kwijt over Nietzsche in leven en werk van Ortega? Laat ik het heel kort houden: Ortega wilde als Spanjaard in het begin van de 20e eeuw iets aanraken dat hem als inwoner en intellectueel van dat geïsoleerde land trots zou kunnen maken. In 1905 gaat hij in Leipzig studeren waar hij de invloed en de sfeer van Nietzsche wat beter kan ervaren dan in het zuiden van Europa. In een brief aan zijn vader heeft hij het dan ook over ‘mi Nietzsche’. In de jaren die erop volgen is Ortega, als een van de vooraanstaande leden van de zogeheten ‘Generatie van ’98′, een belangrijke boodschapper van ‘El sobrehombre’ (de Übermensch). Vooreerst putte men veel uit Franse uitgaves maar vanaf de eeuwwisseling was men in Spanje ook al gestart met vertalingen in het Castiliaans, met uiteindelijk een ‘Obras completas’. Zie ook mijn bijdrage ‘Los años de la locura’ van 19 mei 2019.

Afsluitend zouden de woorden van Mario Vargas Llosa hier niet misstaan: ‘Het ogenblik is aangebroken om de hedendaagse cultuur te laten kennis maken met José Ortega y Gasset, zodat hij alsnog de erkenning krijgt die hij verdient.’ Maar ik verkies tóch de uitspraak van mijn eigen door de oorlog getekende vader die mij met enige regelmaat voorhield; ‘jongen, houd er altijd rekening mee dat er andere tijden kunnen komen’ en daarmee bewust dan wel onbewust een zaadje voor een levenslange dankbaarheid bij mij plantte.

*) Ortega memoreert dat de bevolking van Europa van 1800 tot 1914 gestegen is van 180 miljoen tot 460 miljoen. Ruim een eeuw later is dat plm. 747 miljoen


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *