Nietzsche over onderwijs en cultuur

Nietzsche over onderwijs en cultuur

“De uitbreiding en verspreiding van de algemene ontwikkeling is volgens Nietzsche een van de populaire economische dogma’s van deze tijd. Het is een streven naar zoveel mogelijk kennis, productie, behoefte om daardoor geluk te verkrijgen.” Aan het woord is de hedendaagse datajournalist bij Argos ((VPRO/Human) Reinier Tromp. Hij schreef in 2011 als student aan de Universiteit van Amsterdam een lezenswaardig  artikel over de lezingencyclus ‘Über die Zukunft unserer Bildungsanstalten’ van Nietzsche.

Reinier Tromp: ‘Nietzsche lezen en behandelen is niet eenvoudig. De verleiding is groot hem niet de serieuze behandeling te geven die hij mijns inziens verdient.  De puberale neiging om Nietzsche ‘leuk’ te vinden omdat hij op vaak meedogenloze wijze tegen van alles en nog wat aanschopt vormt eerder een obstructie dan een helpende hand. Ik heb dan ook gepoogd hem met net zoveel eerbied en vlijt te benaderen als dat ik bij andere wijsgeren poog.

Nietzsche werd in 1844 geboren en ging in 1854 naar een elite-gymnasium in Schulpforta. Op de universiteit muntte hij uit in de klassieken en de filologie en in 1869 werd hem, nog voor hij was gepromoveerd, een professoraat in de klassieke filologie in Basel aangeboden. Zijn gezondheid was slecht en in 1877 nam hij ontslag.  Zijn gezichtsvermogen ging sterk achteruit zodat na verloop van tijd hij nauwelijks kon lezen en schrijven.  In 1889 stortte hij geestelijk in, werd krankzinnig en is dat gebleven tot zijn dood in 1900. Zijn Nationaal-Socialistische zus Elisabeth zwaaide in die tijd de scepter over zijn werken wat zijn imago later geen goed heeft gedaan.

De lezingen Over de toekomst van ons onderwijs zijn gehouden in 1872 voor de ‘Freiwillige Akademische Gesellschaft’, een vereniging van populair-wetenschappelijke snit. Nietzsche twijfelt later erg over de publicatiewaarde die de lezingen hebben. In zijn voorwoord richt hij zich nadrukkelijk op de ‘weinige, rustige lezers’ en niet op het grote publiek. Later zou hij in een briefwisseling schrijven:  “de lezingen wekken wel dorst op, maar bieden niets te drinken”. Nietzsche stelt zich op om als een Romeinse haruspex vanuit de ingewanden van het heden, naar de toekomst van de onderwijsinstellingen te kijken.  De tendens die hij beschrijft, is de tendens van de natuur en zal om die reden zegevieren.

De lezingen verhandelen een verhaal van een Nietzsche die in zijn studententijd met zijn studentenvereniging naar Rolandseck gaat en van de gelegenheid gebruik maakt om herinneringen op te halen met een goede vriend.  Terwijl zij samen een rustig plekje zoeken om na te denken worden zij gestoord door een filosoof en zijn leerling die zich op hun beurt gestoord voelen door Nietzsche en zijn metgezel. Zij besluiten op hetzelfde rustige plekje te gaan zitten en vervolgens zal de lijfelijke Nietzsche vrijwel alleen het woord geven aan de filosoof en zijn leerling.  We lezen dus, gelijk als Het Symposium van Plato, een dialoogvorm, die de verstandhouding van Nietzsche en Schopenhauer zou symboliseren.

De these van Nietzsche in zijn voordracht is dat er een paradox ontstaan is in het Duitse onderwijssysteem van enerzijds een drang naar uitbreiding van de algemene ontwikkeling en anderzijds een afzwakking ervan. Enerzijds moet de algemene ontwikkeling naar steeds grotere kringen worden doorgegeven maar anderzijds moet zij haar autonomie opgeven door zich ondergeschikt te stellen aan de staat.

De uitbreiding en verspreiding van de algemene ontwikkeling is volgens Nietzsche een van de populaire economische dogma’s van deze tijd. Het is het streven naar zoveel mogelijk kennis, productie, behoefte om daardoor geluk te verkrijgen. Dit utiliteitsdenken is volledig overgeslagen naar de onderwijsinstellingen: “nut als doel en zin van de algemene ontwikkeling”.  Hierdoor worden steeds meer ‘courante’ mensen gevormd van wie een snelle maar toch gedegen ontwikkeling wordt verlangd met het minimale aan cultuur voor snel en veel geld verdienen. leder mens heeft immers recht op aards geluk en onderwijs is daarvoor het noodzakelijke middel. De staat graaft zich nog verder in dit utiliteitsdenken waar zij poogt mensen op te leiden als voortreffelijke ambtenaren. Zij handelt puur omwille van haar eigen bestaan; om de competitie met andere staten te kunnen winnen. Al dit denken is volgens Nietzsche een ‘morele eis’ geworden. Elke vorm van algemene ontwikkeling die zich doelen stelt boven geld en winst, die eenzaam maakt, wordt verguisd en als hoger egoisme beschouwd.

De afzwakking en vermindering van de algemene ontwikkeling is een tegengestelde stroming maar die noodzakelijk gepaard gaat met de eerste. Door het naar de breedte uitdijen van het onderwijs treedt onverhoeds specialisatie op. Een mens wordt net als een fabrieksarbeider heel goed in slechts een handeling. Ook dit wordt als moreel superieur gezien: hij bezit veel vakkennis, houdt zich bij zijn leest, bezit edele bescheidenheid en houdt zich niet met andermans zaken bezig.  Wetenschap streeft dezelfde doelen na maar waar we het samenkomen van beide stromingen in optimale vorm zien samengaan is in de journalistiek. De journalist als slaaf van het alledaagse, heeft het genie als verlosser van het alledaagse vervangen en dit vindt zijn culminatie in de krant.  Hier zien we hoe stompzinnig de populaire titel ‘Nietzsche en Kant lezen de krant’ van zoge-noemde filosoof Rob Wijnberg is: Nietzsche verafschuwde deze spreekbuis van en voor dienaren van het ogenblik.

Het probleem voor Nietzsche is simpelweg dat er teveel mensen, zowel studenten als leraren met hun instinct van similis simili gaudet en te weinig capaciteit deel uitmaken van de academische gemeenschap:  “God geve dat deze mensen zich verre houden van pedagogische aangelegenheden. Wij moeten eendrachtig zijn in onze overtuiging dat moeder natuur maar heel weinig mensen erop uit stuurt om onbetreden paden te betreden.” De spreiding van kennis en cultuur door eveneens incompetente predikers leidt tot barbarij en tot de ondergang van het genie die een beschaving juist nodig heeft om haar ware bestemming te tonen en met het eeuwige te verbinden. De sleutel tot inzicht zal nooit door velen worden gevonden.  Het gymnasium is volgens Nietzsche een broedplaats geworden voor deze botte, sociale mentaliteit en is inmiddels niet meer dan een trede van de carriereladder.

Nietzsche stelt als tegenvoorbeeld het oude Griekenland.  Daar gold geen geen ijzeren wet die stelde dat er zoveel mogelijk scholen en leraren moesten zijn, daar was het niet te doen om de overeenkomsten maar om het niet gemeenschappelijke en daar bepaalden geen utiliteitsoverwegingen de speelruimte van cultuur zodat zij precies in ‘s lands straatje past.  Toch is Nietzsche niet volledig pessimistisch: de ‘werkelijke Duitse geest’ is wel degelijk bereid om tot beschaving te komen.  Zij wordt echter gehaat omdat de aristocratische aard van ware beschaving wordt gevreesd.  Toch zal deze sterke geest uiteindelijk zegevieren en de staat van haar hypocriete steun aan pseudo-cultuur ontdoen.

Het is niet moeilijk te concluderen wat Nietzsche wel wil met de onderwijsinstellingen: het tegenovergestelde van de huidige tendens, namelijk beperking en concentratie enerzijds en versterking van de autonomie anderzijds.  Geen specialisatie en weinig mensen die hun eigen doelen stellen en zich niet laten leiden door nuts-principes. Zijn verzet tegen het utiliteitsdenken kom later ook naar voren in Voorbij Goed en Kwaad als hij over J.S. Mill schrijft:  “Ik verafschuw zijn vulgariteit wanneer hij zegt ‘wat juist is voor de een is ook juist voor de ander’ […] dergelijke principes zouden maar al te graag de menselijke samenleving op wederzijds dienstbetoon baseren […]  het uitgangspunt is hier onwaardig tot de hoogste graad: men acht het vanzelfsprekend dat er een zekere gelijkwaardigheid best aat tussen mijn daden en de uwe”.

Als Nietzsche rept over ‘de morele eis’ dan neemt hij een aanloop voor wat hij later zal behandelen in De Genealogie der moraal.  Daar verwerpt hij de heersende moraal die hij ‘slavenmoraal’ noemt waarbij de zwakke meerderheid, ‘de resentimentmens’, door slim en sluw te zijn de christelijke moraal tot eis heeft gemaakt. De resentimentmens heeft niet genoeg aan zichzelf en heeft dus een extern doel: nut nodig. Tekenend is Nietzsche’s metafoor van de roofvogels en de lammeren. De lammeren zijn boos op de roofvogels omdat zij lammetjes eten. Voor hen behelzen de roofvogels al het kwaad. De roofvogels daarentegen zijn zich nergens van bewust en zijn dol op de lammetjes, zij houden van ze: ‘er is niets zo smakelijk als een zacht lam’. Evenmin je van een zwakke mag eisen dat hij sterk is, mag je van Nietzsche van een sterke eisen dat hij zwak is. De mens is dan ook in een neerwaartse spiraal terecht gekomen:  ” In de kleinering en gelijkschakeling van de Europese mens schuilt voor ons het grootste gevaar […] we vermoeden dat het steeds neerwaarts gaat, neerwaarts, naar het dunnere, vriendelijkere, slimmere, behaaglijkere, middelmatigere, onverschilligere, meer Chinese, meer Christelijke – de mens, dat lijdt geen twijfel, wordt steeds ‘beter’.

Precies dezelfde ontwikkeling die in het onderwijs plaatsvindt, ziet Nietzsche dus in de hele Europese cultuur. De vrees voor het aristocratische, de wil van de meerderheid, haar kudde-instinct, leidt niet alleen tot uitbreiding en vermindering van de algemene ontwikkeling, maar uiteindelijk tot de ‘zelfverbranding’ van de mens.  Het Sapere Aude!  van de Verlichting, het doorbreken van de onmondigheid heeft de kiem gezaaid voor opkomst van de middelmaat en de ondergang van het genie en met hem, de ware beschaving.’

Einde artikel van auteur Reinier Tromp

(Zie ook op het blog; https://www.friedrichnietzsche.nl/nietzsche-blog/over-de-toekomst-van-onze-onderwijsinstellingen/)

Eén gedachte over “ Nietzsche over onderwijs en cultuur

  1. Mooi artikel. Enig minpuntje is dat er veel gezegd wordt wat Nietzsche niet wil en weinig over wat hij wel wil.

    Wat Nietzsche van de leraar verwacht is dat de leraar de leerling boven zich uit tilt. Uiteindelijk wil Nietzsche zijn ondergang vinden in de ander die beter wordt dan hemzelf. Het paradox dat hierin schuilt is het volgende; als ik al mijn kennis aan mijn leerling heb overgedragen, wat maakt het dan dat ik de leerling boven mijzelf uit kan tillen?

    Zijn antwoord is denk ik dat we onze autonomie weer terug moeten zien te vinden in ons kind.
    ‘Bijziend als we zijn, willen we geloven dat sprookjes en spelletjes bij de jeugd horen! Hoe kunnen we leven, in welke levensfase ook, zonder sprookjes en spelletjes!’

    Hier is de monist en evolutiepsycholoog Nietzsche aan het werk dat zijn tijd zelfs nu nog vooruit is! Nietzsche heeft besef gehad dat onze scheppende vermogens ligt in het imaginaire, onze fantasie, we onze wereld geschapen middels lege begrippen; de wetenschapper heeft het bestaan van lege begrippen nooit erkend! God bijvoorbeeld kan dan een leeg begrip zijn, echter het woord zelf bestaat en heeft een enorme invloed op de mensheid uitgeoefend. Iets wat invloed uitoefent, kan niet niets zijn. Zo ook de filosoof met de hamer. Hamer is een leeg begrip dat verbonden is aan nut, beter; doel. Nietzsche heeft als geen ander ingezien dat de denk inhouden verbonden zijn met de materie dat de naam heeft hamer. Ik denk, data weet ik niet geheel zeker, dat hij eveneens heeft ingezien dat tijdens het gebruik van de hamer, hamer en lichaam causaal met elkaar verbonden zijn met betrekking tot doel. Nu kun je ook door de straten van de stad lopen en waarnemen hoe denkinhouden in de materie zijn gestopt. Een dualist kan deze relatie niet leggen, het heeft immers een Ding an sich gepostuleerd, dat ook nog in zijn extreme variant niet kenbaar is. Dit is ook waarom Nietzsche tegen de metafysica is.

    Kijk rond in je huis en zie hoe de mens al zijn fantasie in de materie heeft gestopt! Fantasie is inbegrepen met de taal zelf, derhalve hebben we ook geen metafysica nodig! Met onze fantasie kunnen we de wereld maken zoals we hem hebben willen. Nietzsche had nog geen kennis over imaginaire ordes. Zou het dat wel gehad hebben dan zou hij waarschijnlijk gezegd hebben dat hij God zo willen vervangen door natuur om daar een natuurlijke wijze van spreken te ontwikkelen, het lichaam als uitgangspunt. We zijn niet alleen een geval van Darwinistische aanpassing maar eveneens wil tot macht die via het imaginaire tot uitdrukking komt. Deze wil tot macht wil hij vrij maken en de stand van de huidige wetenschap stelt vast dat het kleine getal (individu, Dawkings) verantwoordelijk is voor evolutie; we dienen te accepteren dat we niet allemaal gelijk zijn maar ongelijk; weinigen ervan zullen autonome eenzame vrijdenkers worden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *