Nietzsche en de coronacrisis

Nietzsche en de coronacrisis

Elke vrijdenker zal het wellicht kunnen beamen; iedere dag lijkt zich met ander licht te vullen en werpt zich met vernieuwde inzichten op een nieuwe werkelijkheid. Bijvoorbeeld op de aanwezigheid van een fenomeen als de coronacrisis. ‘Krinomai’ schreven de oude Grieken en ze bedoelden de scheiding, het onderscheiden, het voorland van een volgende beslissing, verandering door een nieuwe koers. Het zijn zo van die dingen die door mijn gedachten flitsten toen ik de bijdrage van Willem Elias – Vlaams em. hoogleraar agogische wetenschappen, filosoof, publicist en kunstcriticus – voor deze Nietzsche website ontving. Elias schreef het artikel ook voor ‘Filosoof over Filosoof’ een periodieke uitgave van het Vrijzinnige Centrum Geuzenhuis in Gent. Getuige de foto’s die de tekst vergezelden, met name daar waar Nietzsche de ontspannen leunende Willem lijkt aan te kijken, is het duidelijk dat de denker Elias en auteur van onderstaand artikel, een grote connectie met Friedrich Nietzsche heeft. 

Friedrich Nietzsche en de Coronacrisis (door Willem Elias)

Er zijn vandaag weinig dingen die we niet in verband brengen met de Virus. Humanistisch gezien een echte vijand. Geen conflict om ideologische redenen met economische gronden. Het moment om in Filosoof over Filosoof het over Nietzsche te hebben. Sinds begin maart weet zelfs de simpelste van geest wat men onder “nihilisme’ kan verstaan. ‘Blijf in uw kot’ is een populistische vertaling van Sartre’s ‘Huis Clos’, vertaald als ‘Met gesloten deuren’. Hij democratiseerde het begrip ‘nihilisme’ via theaterstukken. Het werd geschreven in de oorlog en dat is de sfeer waaraan we gedacht hebben de voorbije maanden. Om ons al bij al te troosten. Zo’n virus valt te bestrijden met dettol, overmatig zeepgebruik, een zacht mondmaskertje en de discipline van anderhalve meter sociale afstand. Dat is klein bier tegenover schuilkelders tegen dynamiet en heren van de Gestapo die je midden in de nacht uit je bed komen halen voor een enkel ritje naar Duitsland, gratis verblijf, dat wel, maar het eten viel er tegen. Maar we zouden het niet over Sartre hebben, wel over de man bij wie hij een deel van de mosterd gehaald heeft.

Nietzsche (1844-1900)  gaf drie betekenissen aan het nihilisme, die met elkaar in verband staan. Het eerste is de constatering dat het leven absurd is. Dat hebben we de laatste tijd meer dan nodig aan den lijve ondervonden. Gans onze ordening werd in de war gestuurd en het spel moet nog beginnen. De natuur is chaos, vriendelijker kunnen we over die beestjes niet zijn. Er is geen externe zin en dus ook geen externe onzin. Zeggen dat die plaag een straf is van god voor onze zonden, daarmee zijn we niet gediend. De oude Grieken konden dat nog esthetisch beleven door de tragedie wild uit te beelden, een beetje zoals Quintin Tarantino vandaag. De tragedie brengt de zinloosheid op het podium. Wat men ook goed bedoeld doet, het loopt altijd verkeerd af. Oedipus meent een rechtschapen man te zijn, maar blijkt zijn vader te hebben gedood en met zijn moeder te hebben geslapen. Het omgekeerde was allicht nog erger. Het lijkt een gelukkig gezinnetje. Wanneer hij beseft dat zijn vier kinderen zijn twee zelfgemaakte broertjes en zusjes zijn, breekt de hel los. Bij Aeschylos en Sophocles wordt dat voorgesteld volgens een volwaardig evenwicht tussen verstand en driftmatigheid, meende Nietzsche. Bij Euripides neemt de rede de overhand doordat er een rationaliserende inleiding aan het stuk vooafgaat. Allicht zat Socrates in het theater. Nietzsche noemt hem ‘decadent’ omdat hij extreem de redelijkheid heeft laten primeren op de natuurlijke driftmatigheid.

Willem Elias bij het graf van Nietzsche

Dan is er het tweede nihilisme dat inderdaad een hoogtepunt kent met Plato, die wel doet alsof zijn neus bloedt: zeg maar dat Socrates het gezegd heeft! De ervaarbare werkelijkheid is onbetrouwbaar. Dat nihilisme bestaat uit het opslitsen in twee werkelijkheden. Je hebt deze die zintuiglijk als absurd waargenomen wordt, maar die is maar schijn. Geen nood, het echte ‘zijn’ zit eronder. Dan krijg je de geschiedenis van duistere metafysiche begrippen die ons moeten verzekeren dat er een fundament is, basis voor de waarheid, zoals: substantie, subject, substratum. Of het leven op aarde dat een straf is om het ware leven in het hiernamaals te verdienen, zoals het geloof stelt. Gebundeld in dat mooie aforisme van Nietzsche: “Het Christendom is platonisme voor het volk.” Het bereiken van een ideale wereld geeft troost voor de miserie van het gewone leven. Het nihilisme hier is de behoefte aan houvasten. Niet enkel geloof en filosofie scheppen de illusie van valse zekerheden, ook de wetenschap doet dat door  voortdurend naar redelijke structuren te zoeken achter die chaos. De virologen zijn daar een voorbeeld van. Zij orakelen dagelijks. Filosofen en agogen komen er niet bij te pas. De kerken zijn zo verstandig om ook te sluiten. In vroegere tijden zou daar nu nul sociale afstand zijn. Maar de leiders weten dat ze op Die van daarboven niet kunnen rekenen. Hun wedde loopt verder. Niet de afwezigheid van waarden, stelt Nietzsche, is nihilisme, maar de aanwezigheid van valse waarden. Vandaar dat alle waarden aan herwaardering toe zijn. De huidige crisis kan dat bevorderen, misschien wordt Nietzsche gehoord? 

Deze twee eerste vormen van nihilisme noemt men de ‘passieve’. Wat verwarrend door het gebruik van dezelfde term, bestreedt Nietzsche deze met een actieve, de derde vorm van nihilisme: “God is dood”. Theologen vonden dat al eens goed nieuws, want dat betekent dat Hij/Zij/Het er geweest is. De wereld zou dan kunnen ‘geschapen’ zijn. Theologisch houdt dat steek. God heeft de kosmos gecreëerd en nadien de boel op zijn beloop gelaten. Maar dat bedoelde Nietzsche niet. Hij was uitgesproken atheist. Het gaat over het waardenfundament dat er niet meer is. Het nihilisme is er in gelegen dat we toch verder doen alsof die grond er wel was, ook al weten we dat de hemel lucht is. Hij was er van overtuigd dat het zijn verdienste was om dat nihilisme te duiden. Bescheiden was hij niet. Misschien terecht. Hij voorspelde dat het nog tweehonderd jaar zou duren, zeg maar deze eeuw uit, vooraleer de mensheid doorheeft dat we met die oude waarden niet verder kunnen. Dat ziet er zo naar uit. Het is mijn stelling dat de moderne en hedendaagse kunstwerken tekens zijn van dat waardenverval. Gelukkig maar, want ze zijn vals. Als we de filosofie bekijken, dan heerst Hegel met zijn totaliserend systeem tot midden de twintigste eeuw. Nadien is het Nietzsche die veel in de filosofische pap te brokken heeft. Met uitzondering van het positivisme, het nihilistische geloof in de Wetenschappelijkheid. Nietzsche is de vader van het postmodernisme. De generatie filosofen nadien, blijven in diezelfde tuin spelen. Meer relativeren kan niet meer. Sommige keren terug naar de conservatieve waarden, maar andere zijn goed bezig met die vernieuwing onder woorden te brengen.

In dit alles speelt het aforisme van Nietzsche: “Er bestaan geen feiten, enkel interpretaties” een belangrijke rol. Ik had eens een gesprek met een andere Geus-auteur, Brecht Decoene, over dit onderwerp. Ik geef het hier ingekort weer:

“Beste Willem: Ooit gaf je mij een uitleg van Nietzsches zin: ‘Er zijn geen feiten, enkel interpretaties.’ Ik ben jouw ‘interpretatie’ daarvan vergeten? Ik begon me af te vragen: heb ik Nietzsche wel goed begrepen op dat punt?

Beste Brecht, wat ik toen allicht aanbracht, was mijn overtuiging dat deze uitspraak van Nietzsche, niet betekende dat er geen ‘feiten’ zijn, die zijn zelfs wetenschappelijk te constateren. Maar niemand loopt met zo’n ‘constateur’’ in zijn hoofd rond. Het probleem begint dus bij de poging om die feiten, de realiteit, te willen vatten, (be)grijpen. Dan zijn we aan het interpreteren. Dat geldt nog meer voor ‘feiten’ die niet zo exact wetenschappelijk kunnen vastgesteld worden. Bij de menswetenschappen is het een en al interpretatie. Zelfs kwantitatief onderzoek in dat domein, vergt op het einde een interpretatie  van de cijfers. Daarenboven interpreteert iedereen dan nog eens de interpretatie van de andere en weg zijn we … ver weg van het waarheidsbegrip. Dat je struikelt en met je kop op de grond valt kan echt wel een feit zijn, met constateerbare lichamelijke gevolgen, maar als we er gaan over spreken … dronken, lomp, agressie, vallende ziekte… 

B: Je antwoord geeft aan dat ik in de juiste richting aan het denken (interpreteren?) was. Ik dacht bijvoorbeeld dat we nooit de zaken in hun totaliteit kunnen vatten en dus als maar meer een deelaspect percipiëren. De Guldensporenslag zien we altijd maar enkel vanuit ofwel de soldaat, de generaal, de koning, de historicus, het standpunt van de leek. Die allemaal in één keer kunnen vatten, lukt niet. Daarvoor is ons brein te beperkt. Ik dacht bijvoorbeeld ook dat Nietzsche, zwaar geïnspireerd door Herakleitos, zei dat we vaste concepten en woorden gebruiken voor processen en dingen die altijd maar veranderen. Dat dat de schijn van het zijn is. We zeggen boom tegen die boom in de tuin, maar over een jaar is die anders, en over vijftig jaar behoorlijk anders, en over zoveel jaar is hij afgestorven, en toch gebruiken we hetzelfde woord. Willem van nu en Willem van dertig jaar geleden heeft dezelfde naam, maar is ondertussen al wat veranderd. Datzelfde woord gebruiken, terwijl de zaken niet statisch zijn, is bedrieglijk.

Maar naast het feit dat dit allemaal klopt, kan je dan toch niet zeggen dat er geen feiten zijn? Als je valt, kan je toch zeggen: je valt en je brak je been. Waar zit de interpretatie dan? 

W:  Mijn punt was juist dit laatste, om Nietzsche niet te laten weerleggen door het feit dat er feiten zijn. Zijn uitspraak, denk ik, negeert dat niet. Het probleem zit in  een verwisseling tussen de woorden ‘werkelijkheid’ en ‘waarheid’. Het begint wanneer je die werkelijkheid wil vatten. Ze zonder woorden ervaren is al verschillend bij iedereen. Ze met woorden vatten, dan is het pure interpretatie tot in de oneindigheid. Jij interpreteert immers tevens mijn woorden.  Met beelden is het niet beter. Dat kon je lezen in De Geus met  mijn verhaal over de pijp van Magritte. 

B: Ok, dus volgens jou erkende Nietzsche wel dat er een werkelijkheid was, maar als we die in uitspraken gieten, hoe goed we ook ons best doen en hoe zorgvuldig de gekozen termen ook zijn, dan corresponderen die nooit 100% met die werkelijkheid. Feiten zijn dan volgens hem wel onderdelen van de werkelijkheid, maar geen als waarheid beschouwde uitspraken. Dan zegt hij eigenlijk het zelfde als Kant, dat het ding op zich niet kan worden gekend, omdat ons kenapparaat altijd een vervorming veroorzaakt. Klopt dat?

 W: Ja woorden schieten altijd te kort. Maar feiten zijn wel werkelijkheid, maar eens men zegt dat ze waarheid zijn, interpreteert men. Het zelfde als Kant, inderdaad, maar toegespitst op wat er allemaal over beweerd wordt en hoe die woorden meer werkelijkheid willen worden dan de feiten. We leven met woorden, niet met feiten. Over woorden maken we oorlog, niet over feiten, want die kennen we doorgaans niet, of we zien ze anders.”

Hier is weer een band met de Corona-tijd, naast de virologische werkelijkheid, leeft er ook verwoorde Corona-ervaring. Trump trompt ons dagelijks in de oren, wat we er moeten over denken en wat we moeten doen, Javel ipv Whiskey drinken.

Vanuit dit aforisme van Nietzsche weten we dat elk nieuwsbericht een gehalte fake-news heeft. En bij ‘post-truth’, betekent ‘post’ dat het ‘na’ het geloof in het waarheidsbegrip komt, niet na de Waarheid, want die moet nog komen, wat allicht wachten op Godot is. Dit betekent niet dat het geen feit is dat Trump president is. Maar ‘is’ hij president? 

In dit Corona-noodlot verschaft Nietzsche ons ook een concept om er mee te leven: de ‘amor fati’, de liefde voor het lot. Je  vindt dit al bij de Stoïcijnen. Hun voorschrift: ‘Leven volgens de natuur’, impliceert dat wanneer die natuur hard is, men haar moet ondergaan met gelatenheid. Ook van de dingen die men niet in de hand heeft, moet men kunnen houden. In de Ethica van Spinoza vinden we een gelijkaardige gedachte: onderwerp u aan het onvermijdelijke. Het is echter vooral bij Nietzsche dat de ‘amor fati’ een belangrijk filosofisch concept wordt. Het lot is bij Nietzsche geenszins door een God bepaald. Geen voorzienigheid dus. Hoewel Nietzsche voorstander was van de Oudgriekse gedachte: ‘Word wie je bent’, moet men zich neerleggen bij wat men geworden is. Die mogelijkheid is ook in grote mate lichamelijk bepaald. Het worden belet niet dat men is wat men is. Ook de andere is wat hij is. Dit samen vormt een gegeven waarmee men moet leren leven. Er ‘ja’ tegen zeggen in een liefde voor het lot, dat is de aanbevolen houding. Geen onverschilligheid en evenmin klagen. Nietzsche poogt aldus zo dicht mogelijk bij de materiële werkelijkheid te komen. Het is een uitgesproken kritiek bv. op het idealisme van Kant die met zijn categorische imperatief een algemeen geldende menselijke regel wou stellen. Ook alle buiten-wereldse determinanten vallen hier weg. Iedereen moet zijn eigen lot verder realiseren. Door de grote rol van het worden is dit lot ook niet statisch, maar betreft het een levensdynamiek. De wil is hier de drijfkracht. Het veronderstelt ook het voortdurend maken van keuzes die de liefde voor het lot moeten voeden. 

En vergeten we de woorden niet van de Übermensch in Zarathoestra: “Ik bezweer U, mijn broeders, blijf de aarde trouw en geloof niet diegenen, die U van bovenaardse verwachtingen spreken! Gifmengers zijn zij, of zij het weten of niet.”  Hoewel het een feit is dat Wim Sonneveld dat liedje gezongen heeft, is het toch een basisgedachte van Nietzsche: “Zeg maar ja tegen het leven!”, met of zonder Covid-19, voorloper van nr 20. 

Willem Elias

portret Nietzsche
portret van Nietzsche door Colin Waeghe

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *