Het ziekste dier

Het ziekste dier

Wanneer ziekelijkheid de keerzijde van moedig, rijk en vol van mogelijkheden is, dan lijkt het een kwestie van zoeken om de keerzijde van die ziekelijkheid te vinden. Wie wil er immers ziek door overvloed of verarming worden? De huidige crises lijken in diagnose en prognose soms op ziekten, zowel in maatschappelijke zin als individueel. Maar is er sprake van vooruitgang of beschaving zonder een crisis, dat van oudsher een keerpunt behelst en niet de actuele negatieve connotatie? Paul van Tongeren schreef 25 jaar terug in Trouw over ‘het ziekste dier’ dat volgens Nietzsche nog niet gedefinieerd is. Een artikel dat ik graag nog eens afstof en tegen de huidige uitdagingen aanhoud.

Auteur: Paul van Tongeren, Trouw, 11 oktober 1997

“Wie niet alleen zijn neus heeft om te ruiken, maar ook zijn ogen en oren, die bespeurt tegenwoordig bijna overal, waar hij ook komt, iets van een gekkenhuislucht (…). De ziekelijken zijn het grootste gevaar voor de mens: niet de slechten, niet de ‘roofdieren’. De van meet af aan mislukten, onderworpenen, gebrokenen – zij zijn het, de zwaksten zijn het, die het leven onder mensen het meest ondermijnen, die ons vertrouwen in het leven, in de mens, in ons zelf het gevaarlijkst vergiftigen en in vraag stellen (…) Het hoogste perspectief op aarde moet toch dit zijn (…) dat de zieken de gezonden niet ziek maken: maar daartoe is eerst en vooral nodig dat de gezonden van de zieken afgescheiden blijven, beveiligd zelfs tegen de aanblik van de zieken, dat ze zichzelf niet verwisselen met de zieken. Of is het soms hun taak om ziekenbroeder of arts te zijn? (…) Daarom: frisse lucht! frisse lucht! En in ieder geval weg uit de buurt van alle gekken- en ziekenhuizen van de cultuur!” (GM III, 14)

Teksten als deze worden niet graag geciteerd, tenzij door mensen die hun afkeer van Nietzsche willen rechtvaardigen. Hier toont zich het morele gezicht van de antichrist, zo lijkt het: de zwakke en zieke mens is een gif en een bedreiging voor de sterke. Toch wilde diezelfde Nietzsche als filosoof ‘een arts van de cultuur’ zijn, een ‘filosofische arts die het probleem van de totale gezondheid van volk, tijd, ras, mensheid’ zou nagaan. Mooie arts, die zo afgeeft op de zieke! De paradox is nog sterker. Niet alleen wilde Nietzsche een arts van de cultuur zijn, hij meende ook dat hij dat kon zijn, omdat hij arts voor zichzelf wist te zijn; dat wil zeggen: omdat hij ook zelf ziek was. Hij noemt zichzelf ergens ‘arts en zieke in één persoon’; zijn werk karakteriseert hij zelf als ‘een kuur’, een ‘zelfbehandeling’, ‘een gezondheidsleer’. Wat heeft Nietzsche tegen de zieken en vooral: waarom beschrijft hij de cultuur, de mens, zijn eigen werk in medische termen?

Nietzsche noemt zich arts van de cultuur. Voorwerp van zijn reflecties is dus de cultuur, of de mens als producent en product van de cultuur. Wanneer Nietzsche de verschillende domeinen van cultuur bespreekt (de mens als kennend, handelend, gelovend en scheppend wezen), doet hij dat met de blik en met de inzet van een arts. Want wat doet een arts? Hij stelt een diagnose, geeft een prognose en schrijft eventueel een therapie voor. Deze procedure herkennen we in Nietzsches denken.

Op de eerste plaats komt de diagnose. Diagnose komt van het Grieks dia wat betekent doorheen, en gignooskein betekent: leren kennen. Diagnosticeren is achterhalen wat er werkelijk aan de hand is, door dóór de oppervlakte heen te kijken, en de verschijnselen te duiden als symptomen van wat er onder zit. Nietzsche leest de cultuur in haar verschillende verschijningsvormen als symptoom van wat er met de mens aan de hand is. Het beroemde beeld van de filosoof met de hamer (de ondertitel van Nietzsches Götzendämmerung luidt: ‘Hoe men met de hamer filosofeert’) heeft primair deze betekenis. De hamer is niet de sloophamer, maar het diagnostische instrument van de arts.

“Arts help jezelf”. “Patiënt, wees je eigen arts”

Net als het weten van de arts is Nietzsches denken normatief: het beoordeelt het waargenomene in termen van ziek en gezond, en het stelt een prognose op en stelt eventueel een therapie voor. Prognose (van pro en gignooskein) is vooruit-weten, in de toekomst kijken. Met zijn prognose bepaalt de arts ook of een therapie zin zal hebben of niet. Op basis van diagnose en prognose selecteert hij tussen geneeslijk en ongeneeslijk zieken. Nietzsche laat zijn Zarathustra zeggen: “Aan ongeneeslijken moet men niet willen dokteren: aldus leert Zarathustra”.

Veel van Nietzsches teksten kan men lezen als instrumenten voor een dergelijke selectie. Hij daagt uit, irriteert, schoffeert, misleidt en verleidt de lezer. Daarmee is al een eerste uitleg gegeven van de harde tekst waarmee ik begon. Wie op de uitdaging ingaat, selecteert zichzelf en begeeft zich in de therapie. Maar Nietzsche geneest niet door de patiënt te dwingen zich volledig aan hem over te leveren, door in hem te geloven. Integendeel. “Arts help je zelf!” schrijft Nietzsche, dat betekent ook: “patiënt, wees je eigen arts”.

Dat men zijn eigen arts moet zijn, is ook de reden dat Nietzsche zo nadrukkelijk en vaak zijn eigen ontwikkelingsgeschiedenis beschrijft in termen van zijn ziekte en genezing. Die geschiedenis is niet zonder meer die van wat wij ‘de biografie’ zouden noemen – hoewel ook dat een ziektegeschiedenis is.

Vanaf zijn volwassenheid is Nietzsches leven door ziekte getekend. Hij is nog maar net in militaire dienst, of hij valt van zijn paard en maakt de Frans-Duitse oorlog mee in het ziekenhuis, eerst als patiënt, later als ziekenbroeder. En als hij tot hoogleraar benoemd wordt in Basel, wordt hij gekweld door hevige migraineaanvallen. Regelmatig is het hem onmogelijk iets anders te doen dan stil te liggen in een donkere kamer. Al na een paar jaar geeft hij mede vanwege zijn ziekte zijn hoogleraarsbaan op, en trekt door Europa, steeds op zoek naar gunstige klimatologische omstandigheden, en voortdurend experimenterend met diëten en medicijnen (soms gebruikt hij zijn academische doctorstitel om zijn eigengemaakte medicijnrecepten bij apothekers te bestellen). Hij is nog maar net 44 jaar oud als hij definitief gek wordt. Diagnose: dementia paralytica progressiva, volgens de meeste literatuur gevolg van een ooit opgelopen syfillisinfectie, maar volgens recent onderzoek veroorzaakt door een reeks herseninfarcten, zoals die bij ernstige migrainepatiënten kunnen voorkomen.

Het is echter niet zozeer deze persoonlijke, particuliere geschiedenis die hij vertelt, maar de ‘transfiguratie’ ervan in zijn filosofische ontwikkeling. Omdat een ziekte zich steeds ook uitdrukt in wat de zieke doet en denkt, leert de filosoof Nietzsche het handelen en denken van hemzelf en anderen te duiden als effect en vertaling van ziekte. Waar een ziekte ertoe verleidt dat de zieke zichzelf en zijn ellendige conditie vervloekt, leert de filosoof moraal, godsdienst en filosofie te ontmaskeren als heimelijke ontkenningen van de werkelijkheid: de moraal veroordeelt de natuur en probeert de mens te maken tot iets anders dan hij is, de godsdienst leert dat de zin van leven niet hier maar elders ligt, en filosofie en wetenschap teren op diezelfde illusie van een ware werkelijkheid. Zoals de zieke geneigd is zich vast te klampen aan wat hem redding lijkt te brengen, zo ontdekt Nietzsche hoe hij ook zelf zijn idealen als idolen vereert. Daardoor maakt hij een begin met de ontmaskering van die idolen en daarmee met zijn eigen bevrijding.

“Want de mens is zieker, onzekerder, veranderlijker, onvastgestelder dan welk ander dier ook, dat lijdt geen twijfel (…)”

Nietzsches denken is zonder twijfel sterk met zijn biografie verweven. In een van de teksten waarin hij zijn eigen geschiedenis vertelt, onderbreekt hij zijn verhaal door een denkbeeldige lezer te laten uitroepen: “ – Maar laten we meneer Nietzsche terzijde: wat kan het ons schelen dat meneer Nietzsche weer gezond werd?…” Hij reageert daarop met te zeggen dat hij in zijn ziekte zijn “hele wetenschappelijke nieuwsgierigheid” heeft meegenomen. Hij beschouwt zijn leven als een experiment voor de kennis. Maar op grond waarvan kan hij aannemen dat wat voor hem geldt, voor iedereen opgaat; dat wat voor de zieke geldt, voor elke mens geldt? Met welk recht zouden we, als we over de mens spreken, dat in termen van ziekte en gezondheid moeten doen?

Voor het antwoord op die vraag keer ik terug naar de tekst waarmee ik begon. Onmiddellijk voorafgaand aan de geciteerde passage lezen we: “Want de mens is zieker, onzekerder, veranderlijker, onvastgestelder dan welk ander dier ook, dat lijdt geen twijfel – hij is het zieke dier: hoe dat komt? Zeker heeft hij ook meer gewaagd, vernieuwd, getrotseerd, het lot uitgedaagd dan alle andere dieren samen: hij, de grote experimentator met zichzelf, de onbevredigde, onverzadigde, die om de laatste heerschappij vecht met dier, natuur en goden, – hij, de altijd nog onbedwongene, de eeuwig-toekomstige, die voor zijn eigen opdringende kracht geen rust meer vindt zodat zijn toekomst onverbiddelijk als een spore in het vlees van elk heden woelt: – hoe zou een dergelijk moedig en rijk dier niet ook het meest bedreigde, het langst en diepst zieke onder alle zieke dieren zijn?…” (GM, III, 13)

De zieke, of beter de ziekelijkheid, de vatbaarheid voor ziekte, is geen uitzondering, maar regel. Nietzsche noemt de ‘Krankhaftigkeit’ de normale conditie voor de mens. Dat is het eerste wat opvalt in deze tekst. Vervolgens is opmerkelijk dat die ziekelijkheid de keerzijde is van wat de mens interessant maakt: moedig, rijk, veranderlijk, vol van mogelijkheden, vol van toekomst. Ten derde wordt die ziekelijkheid verklaard uit het feit dat de mens ‘unfestgestellter (ist) als irgend ein Thier sonst’. Dat verwijst naar Nietzsches definitie van de mens als ‘das noch nicht festgestellte Thier’.

Dat is een opmerkelijke definitie. Naar de vorm is ze een variatie op de klassieke definitie van de mens, die hem als een specifiek soort dier opvat: het redelijke dier, animal rationale. De mens behoort tot het genus van de dieren, maar vormt daarbinnen een bepaalde species. Anderzijds voert Nietzsche door zijn variatie een cruciale verandering door: de nadere bepaling van dit dier ligt namelijk in zijn onbepaaldheid, of preciezer: in zijn nog niet vastgesteld, nog niet bepaald zijn.

Om het belang hiervan te begrijpen, moeten we ons realiseren dat de traditionele definitie van de mens (animal rationale) niet alleen een descriptieve, maar ook een normatieve betekenis had. Ze maakte deel uit van een ethiek, die aangaf dat de mens moet worden wat hij is. Het eigene van de mens, dat wat hem typeert en onderscheidt van de andere dieren, is hem tegelijk als opgave gegeven. Ik meen dat dat ook bij Nietzsche het geval is. Hij kent het adagium ‘word wat je bent’, en past dat ook op zichzelf toe. De ondertitel van zijn laatste autobiografie, Ecce Homo luidt: ‘Hoe men wordt wat men is’.

En ook zijn autobiografische ziektegeschiedenissen hebben datzelfde kenmerk. Maar als we Nietzsches variatie op de klassieke definitie op deze manier doortrekken, krijgen we een paradoxaal resultaat. Enerzijds ligt in Nietzsches formulering de normatieve verwijzing geïmpliceerd: er is immers sprake van ‘nog niet vastgesteld zijn’; dat vaststellen moet dus nog gebeuren. Anderzijds maakt deze normatieve interpretatie zichzelf onmogelijk: want als de mens zichzelf bepaalt, is hij precies niet meer wat hij wezenlijk is, namelijk: nog niet vastgesteld. Zodra de mens geworden is wat hij moet worden, is hij niet meer wat hij wezenlijk is. De mens is zichzelf een opgave, maar die opgave blijkt een onmogelijke paradox.

Wat heeft dit alles met ziekte te maken? Een mens is ziek als hij mislukt, als hij zijn bestemming mist. Nietzsche kan de mens het zieke dier bij uitstek noemen, omdat dit dier onvermijdelijk zijn bestemming lijkt te missen. Ofwel hij blijft onbepaald en verwerkelijkt dus zichzelf niet, wordt niemand, ofwel hij wordt iemand, maar is dan niet meer wat hij is. Wie één van zijn mogelijkheden verwerkelijkt, ontkent daarmee zichzelf als mogelijkheid; wie in de mogelijkheid blijft steken, wordt nooit werkelijk. De wording van de mens kan dus op alle manieren misgaan; kan het ook goed gaan? Is er ook genezing van deze ziekelijkheid mogelijk?

Laten we eerst de verschillende soorten van ziek-worden nader bekijken. In een van zijn vele teksten over ziekte en gezondheid onderscheidt Nietzsche tussen ‘twee soorten van lijdenden: enerzijds degenen die aan de overvloed van het leven lijden (…) anderzijds degenen die aan de verarming van het leven lijden’. Enerzijds zijn er degenen die ziek heten omdat ze zich verstrooien over vele mogelijkheden en dus niemand worden, anderzijds zijn er degenen die volgens deze arts ziek zijn omdat ze zich identificeren met, opsluiten in één van hun mogelijkheden.

Het is niet moeilijk de twee ziektebeelden te actualiseren: er zijn relativisten voor wie er geen waarheid bestaat, er zijn fundamentalisten die zich vastklampen aan één mogelijkheid, en die tot de waarheid maken. Nietzsches kritiek op de laatsten is waarschijnlijk het meest bekend. Hij bekritiseert filosofie en wetenschap om hun geloof in de ene waarheid. Vanaf Plato heeft de filosofie de veelheid als schijn gedevalueerd om daarachter de waarheid van het ene en onveranderlijke zijn te ontdekken. Ook de wetenschap is platonistisch inzoverre ze gelooft in echte kennis van de ware werkelijkheid.

“de moderne mens staat voor de klerenkast met een rijke verzameling kostuums om zich te verkleden in alle smaken, alleen zijn eigen kostuum hangt er niet tussen”

Nietzsche bekritiseert de moraal, omdat die er steeds op uit is de mens één van zijn mogelijkheden als zijn ware aard te laten realiseren. Elke moraal is tyranniek en wil de natuur reduceren tot een van haar mogelijkheden. De godsdienst die door Nietzsche wordt bekritiseerd is altijd een monotheïstische, die één ware God aanneemt. Het einde van de Goden wordt door Zarathustra beschreven als de gebeurtenis waarbij een van de Goden opstond en zei: “ik ben de enige God, en jullie zijn geen goden”. Volgens Nietzsche hebben de andere Goden zich toen doodgelachen.

Nietzsches kritiek van de cultuur is voor een groot deel te lezen als een kritiek van de uniformiteit. Maar ook de tegenovergestelde positie, volgens welke er alleen maar vele mogelijkheden bestaan wordt bekritiseerd. Nietzsche noemt het scepticisme, dat zegt dat er geen waarheid is, en dat zich dus voor geen enkele waarheid meer kan inzetten, een ziekte en een verlamming van de wil. ‘Er zijn alleen maar vele waarheden en dus is er geen waarheid, dus is alles relatief’ – zo spreekt degene die te zwak is om een positie te verdedigen, ook al verhult die zwakheid zich – aldus Nietzsche – in mooie termen als ‘onpartijdigheid’, ‘wetenschappelijkheid’ en ‘objectiviteit’. De zogenaamde objectieve wetenschapper wil alleen nog maar een spiegel zijn van de werkelijkheid, zonder er zijn stempel op te durven drukken; hij ontkent zichzelf in zijn kennis en getuigt daarmee van zijn ziekte. De kritiek op de godsdienst is voor een belangrijk deel gericht tegen de ongelovigen, voor wie alle geloof belachelijk is geworden en die zich voor God niet interesseren.

Het duidelijkst is Nietzsches kritiek van het relativistische pluralisme inzake de moraal. Hij noemt het de typische ziekte van onze tijd dat wij alleen nog maar de vele mogelijkheden van mens-zijn zien, en geen enkele mogelijkheid als de onze beschouwen. Hij vergelijkt de moderne mens met iemand die voor zijn klerenkast staat, ziet dat hij een rijke verzameling van kostuums heeft – hij kan zich verkleden in alle smaken, moralen culturen die ooit hebben bestaan -, maar zijn eigen kostuum hangt er niet tussen.

Opnieuw dringt zich de vraag op of er genezing mogelijk is voor dit zieke dier, een mogelijkheid om te ontsnappen aan de verschillende manieren waarop men ziek kan worden. Het zal duidelijk zijn dat die mogelijkheid niet voor de hand ligt en eerder een uitzondering is. De harde tekst die ik aan het begin citeerde moet vanuit dit perspectief van de uitzonderlijkheid van de gezonde worden gelezen. Die tekst begint met: “Hoe normaler de ziekelijkheid voor de mens is – en wij kunnen deze normaliteit niet ontkennen -, des te hoger moet men de zeldzame gevallen van psychisch-lichamelijke macht, de geluksgevallen van mens-zijn in ere houden, des te strenger moet men de geslaagden behoeden voor de slechtste lucht, de ziekenlucht.” (GM III, 14)

Het is duidelijk dat het uitzonderingen zijn, maar ook dat ze mogelijk zijn. Wat laten zij zien? Waarin bestaat ‘de grote gezondheid’ waarover Nietzsche ook schrijft? Ik denk dat zij bestaat in de realisering van een niet-relativistische veelheid. De gezonde mens is degene die de eigen aard van de mens, namelijk nog niet vastgesteld te zijn, metterdaad realiseert: degene die zich niet opsluit in één gedaante, maar die vele mogelijkheden realiseert op een niet-relativistische manier, die verschillen laat bestaan op een niet onverschillige manier, die zich met tegengestelde posities weet te vereenzelvigen, die bereid is tegengestelde posities als waarheid te verdedigen, die zowel heilige als schurk, zowel gelovige als godloochenaar weet te zijn, die tegen zichzelf weet te spelen, die in zichzelf het gevecht van mogelijkheden, het conflict van interpretaties weet te realiseren. Een troostende gedachte is dat wellicht niet. Maar wie zegt dat filosofie moet troosten?

Einde artikel Paul van Tongeren

Noot: GM staat voor ‘Zur Genealogie der Moral’ (Nederlandse vertaling: ‘De genealogie van de moraal’)


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *