De mens zichzelf een vraagstuk

De mens zichzelf een vraagstuk

De Franse denker Gabriel Marcel (1889-1973) die naast schrijver van tientallen toneelstukken en muziekcriticus zichzelf vooral als ‘filosoof van de existentie’ zag (*), reflecteerde vanuit zijn christelijke standpunt in zijn ‘L’Homme Problématique‘ uit 1955 op Nietzsches ‘Dood van God’. Onderstaand artikel komt uit de Nederlandse uitgave ‘De mens zichzelf een vraagstuk’ uit 1956 dat her en der nog antiquarisch te verkrijgen is. De titel werpt de gedachte op dat er eveneens enige associatie met de huidige tijd te bespeuren is. Het antwoord op die vraag vergt geduld en tijd om te lezen, met als voorproefje deze korte uiteenzetting.

Auteur: Gabriël Marcel (1956), De Mens Zichzelf een Vraagstuk (L’Homme Problématique), 

Nietzsche’s Dood van God

L’Homme Problématique

Als we letten op de historische en sociologische ontwikkeling, gelijk die zich nu in de loop van de laatste twee eeuwen heeft voltrokken lijkt de mens, kan men zeggen, in het algemeen zijn bewust betrokken-zijn op het goddelijke te hebben verloren; hij voelt zich niet langer staan voor het aanschijn van een God, wiens schepsel en evenbeeld hij zou zijn. Wanneer wij aan de woorden precies de betekenis hechten welke Nietzsche hun gegeven heeft, ligt dan soms de dood van God niet ten grondslag aan het feit, dat de mens voor zichzelf een vraag zonder antwoord is geworden?

Ongetwijfeld moeten wij hier, zo nauwkeurig als dat maar enigszins kan, vaststellen wat te verstaan onder die uitdrukking ‘de dood van God’. Men heeft er de aandacht op gevestigd, dat ze reeds voorkomt in een jeugdwerk van Hegel, doch het verband van de tekst maakt het ontoelaatbaar er daar precies dezelfde betekenis aan te hechten, die ze later kreeg voor de schrijver van ‘Zarathustra’. Wij moeten eerst en vooral rekening houden met de beroemde tekst uit de Fröhliche Wissenschaft en aan de verdere uitwerking daarvan in ‘Zarathustra’.

‘Hebt u nooit gehoord van die gek, die op klaarlichte dag een lantaarn aanstak en over straten en pleinen ging lopen, terwijl hij aldoor maar riep: ‘Ik zoek God! Ik zoek God!’ Doch omdat er daar veel van die mensen waren, die niet in God geloven, wekte zijn geroep een hevig gelach op. Is God soms verdwaald als een klein kind? zei de een. Verbergt hij zich? Is hij bang voor ons ? Is hij met een schip weggevaren? Is hij naar een ander land verhuisd? Zo riepen en lachten ze door elkaar. De gek sprong midden tussen hen in en keek ze met doorborende blikken aan. ‘Waarheen God is gegaan,’ schreeuwde hij, ‘dat zal ik jullie zeggen. Wij hebben hem gedood . . . jullie en ik! Wij zijn het, wij allen waren zijn moordenaars ! Maar hoe is dat ons gelukt? Hoe hebben we de zee kunnen leeg maken? Wie heeft ons een spons gegeven om de hele horizon uit te wissen? Wat hebben we gedaan toen we de ketting losmaakten, waarmee deze aarde aan de zon vastzat? Waar gaat ze nu heen? Waar gaan wij zelf heen? Gaan wij ver van alle zonnen? Vallen we niet steeds maar door? Naar voren, naar achteren, op zij, naar alle kanten? Bestaat er nog wel een boven en een beneden? Dolen we niet rond als in een eindeloos niets? Wordt het j niet kouder? Komen er niet steeds nachten, al meer en meer nachten? Moeten we niet meteen al ’s morgens de lantaarns aansteken? Horen we nog steeds niets van het geluid, dat de doodgravers maken die God begraven? Merken we nog niets van de goddelijke ontbinding? Ook goden gaan tot ontbinding over! God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood! Hoe zullen we ons vertroosten, wij, de allerergste moordenaars die er zijn! Het heiligste en machtigste dat de wereld tot op heden bezeten heeft is doodgebloed onder ons mes . . . wie zal ons schoonwassen van dit bloed? Welk water zou het van ons af kunnen spoelen? Wat voor boetedoeningen, wat voor gewijd spel zullen wij noodgedwongen moeten bedenken? Deze daad is te groot van afmeting voor ons. Moeten wij zelf geen goden worden om er tenminste uiterlijk belangrijk genoeg voor te schijnen? Nooit is er grootser daad verricht, en wat voor wezens er ook na ons mogen geboren worden, zij zullen, dank zij deze daad, behoren tot een hogere geschiedenis dan er tot dusver ooit is geweest.’ (§ I25).

In het vijfde boek, vier jaar later, in 1886 geschreven, drukt Nietzsche zich als volgt uit:

‘De belangrijkste gebeurtenis van onze tijd — de dood van God, of anders gezegd het feit, dat het geloof in de christelijke God beroofd is van zijn aannemelijkheid — begint reeds zijn eerste schaduwen over Europa te werpen . . . Over het algemeen kan men zeggen dat deze gebeurtenis veel te groot is, te veraf, te veel buiten het gezichtsveld ligt van de grote massa om met recht te kunnen doen alsof de tijding van dit feit al tot de geest der mensen is doorgedrongen. Nog veel minder recht heeft men om aan te nemen, dat veel mensen zich al nauwkeurig rekenschap hebben gegeven van wat er geschied is en van alles, wat gaat ineenstorten nu dit geloof is ondermijnd, dat de basis, de steunpilaar, de voedingsbodem van zoveel dingen was — de gehele Europese moraal, bijvoorbeeld, om van een paar andere kleinigheden maar niet te spreken . . . Wij moeten ons van nu af aan voorbereid houden op een lange reeks, op een langdurige overvloed van afbraken, vernietigingen, ruïnes en omverwerpingen: wie kan nu al voldoende de toekomstgissen om deze enorme logica te gaan prediken, om de profeet te worden van die ontzaglijke verschrikkingen, van die duisternissen, van deze zonsverduistering zoals de wereld die ongetwijfeld nog nooit gekend heeft?’ (§ 343).

Men kan niet sterk genoeg de nadruk leggen op de betekenis, of de existentiële draagwijdte van deze uitspraken van Nietzsche. Ik bedoel daarmee dat ze ons ongetwijfeld persoonlijk aanspreken, doch niet enkel op subjectieve wijze. Het staat vast dat Nietzsche in zijn jeugd gelovig is geweest, dat God toen een levend iets voor hem was, maar ook dat hij zich later als het ware van Hem teruggetrokken heeft. Misschien kan men met recht op de overeenkomst wijzen tussen wat hier gebeurd is en de tragische ontwikkeling van de betrekkingen tussen Nietzsche en Wagner. Het is echter volstrekt typerend voor Nietzsche dat hij er zich niet toe bepaald heeft daarin een voorval te zien, behorend tot zijn persoonlijk leven: deze zonsverduistering, die hij eens en voor goed ingetreden acht, heeft voor hem een algemeen-menselijke draagwijdte, en in die zin kan men terecht spreken over de profetische betekenis van Nietzsche.

Gabriel Marcel

Dit is evenwel nog niet alles. We zagen dat Nietzsche niet stil blijft staan bij de uitspraak ‘God is dood’, op dezelfde manier als Pascal, in een toespeling op een passage uit Plutarchus, eens zei: ‘De grote Pan is dood’. Wat Nietzsche  beweert is oneindig tragischer, omdat hij zegt dat wij, wij. zelf, God hebben gedood, en dit alleen verklaart de heilige ontsteltenis waarmee Nietzsche hier zijn uitspraak doet. Men heeft mij verzekerd dat Jean-Paul Sartre, toen hij op het toppunt van zijn roem was, en vlak na de bevrijding door de journalisten te Genève werd binnengehaald, hun zo eventjes tussen neus en lippen door uiteenzette: ‘Mijne heren, God is dood’. Wie ziet niet, dat dit existentieel een geheel andere klank heeft, juist omdat de heilige ontsteltenis eruit verdwenen is en plaats heeft gemaakt voor de voldane toon van iemand, die voorgeeft zijn stelsel te grondvesten op de puinhopen van iets waaraan hij nooit geloofd heeft? En toch kan men zeggen, dat de beweerde dood van God reeds bij Nietzsche de trekken vertoont van een inleidend feit, in deze zin dan dat deze tragische gebeurtenis de weg vrijmaakt voor de komst van de Übermensch; deze kan immers onmogelijk komen eer de daad is verricht waardoor de mens zich de dood van God bewust maakt en in zeker opzicht zijn verantwoordelijkheid daarvoor erkent. In de studie, die Heidegger in zijn ‘Holzwege’ heeft gewijd aan de dood van God bij Nietzsche, brengt hij ons in herinnering, dat met het bewust worden van de dood van God ook de bewustwording begint van een radicale verandering in de waardering van die waarden, welke tot dusver als de allerhoogste werden beschouwd. De mens zelf komt dan te verkeren in een andere en verhevener geschiedenis, omdat de wil tot macht daar ervaren en erkend wordt als het beginsel, dat aan de waarden hun plaats geeft. Het kan overigens niet sterk genoeg worden beklemtoond, dat dit het gegeven is waarmee Nietzsche meent te kunnen ontkomen aan het nihilisme. Want daarin zouden wij vervallen, of daartoe zouden wij gedoemd zijn, als wij niet doorgingen doch bleven stil staan bij de dood van God, als wij in alle gemoedsrust het lieten bij het vaststellen van dit tragisch gebeuren, of als we er zelfs een soort pervers genot uit gingen putten, in plaats van te begrijpen, dat dit slechts een uitgangspunt kan zijn, zoiets als een springplank voor de sensationele sprong, voor het scheppend vooruitschieten, waarzonder de Übermensch en de Übermenschheit ondenkbaar zijn.

Men miskent dus ten enenmale  de diepste bedoelingen van Nietzsche, wanneer men niet bovenal bij hem de wil aanwezig ziet, boven het nihilisme uit te komen. Voor hem zit dit vast aan de ontbinding van het christendom en in nog algemener zin misschien zelfs aan die van het  idealistisch  denken. Jaspers heeft zeer scherp opgemerkt, dat voor Nietzsche het nihilisme voortkomt uit de morele zingeving. ‘Het christendom heeft een denkbeeldige wereld geschapen, waarvan de onechtheid nu eindelijk wordt ingezien dank zij de zin voor waarheid, die het zelve heeft opgewekt. Dat is in zo sterke mate gebeurd, dat er nu niets meer overblijft. Alles wat hechtheid en waarde had in het christendom was voorgewend. Van het ogenblik af, dat dit doorzien wordt, verzinkt het leven derhalve in een niets zoals de mens er nog nooit een gekend heeft. Nu breekt de tijd aan, waarin we er voor moeten boeten gedurende tweeduizend jaar christen te zijn geweest. Wij hebben het steunpunt niet meer, waar ons leven op rustte; een tijd lang weten we niet wat we moeten beginnen . . . Nu is alles door en door vals.’ (Sämmtliche Werke, uitgave Naumann, xv, blz. i 6o. Aangehaald door Jaspers in ‘Nietzsche’, blz. 217.)

Volgens Nietzsche ontstaat het nihilisme doordat men de begrippen zin en totaliteit in hun volstrektheid op de wereld heeft trachten toe te passen. Wanneer men in elk gebeuren een totaliteit en een organisatie veronderstelt van zodanige aard, dat het welzijn van het geheel aanspraak zou mogen maken op de toewijding van het individu, dan komt men tenslotte blijkbaar tot de ontdekking, dat er eigenlijk geen geheel bestaat. Het idee van waarde kan na deze verdwijning van het Al hier niet blijven voortbestaan, want daaraan ontleende het zijn karakter van oneindigheid. Zo kon Nietzsche in zijn Wille zur Macht zeggen: ‘De nihilist is een mens die vindt dat de wereld, zoals ze is, niet zou moeten bestaan, en dat de wereld zoals zij zou moeten zijn, niet bestaat: is men tot dit punt gekomen, dan is de werkelijk: held die wij ervaren zinloos geworden.’ (xvi, blz. 84). Maar de Übermensch is nu juist niet een bijzonder exemplaar van het menselijk ras bij wie de vermogens van de gewone mens willens en wetens versterkt zijn; het is evenmin een mensensoort dat pas ontstaat door het in praktijk brengen van Nietzsches wijsbegeerte — het is de nieuwe mens in al zijn volheid, en zijn menselijkheid bestaat hierin, dat in hem de wil tot de macht overheersend wordt in betrekking tot de werkelijkheid.

Eigenlijk zou hier moeten worden aangetoond dat de wil tot de macht, beschouwd als de wezenlijke kern van het zijn, op een hoger vlak tracht te verwezenlijken wat reeds in het leven zelf besloten ligt, in zoverre namelijk het leven datgene is wat zichzelf altijd te boven moet gaan. Juist dit begrip van het te-boven-gaan is hier fundamenteel. Dit betekent dat het zijn, dat wil tot de macht is, het leven beheerst als iets dat het altijd bereid is prijs te geven voor het werkelijke zijn. Ofschoon de uitdrukkingen, die Nietzsche gebruikt, jammer genoeg heel dikwijls zo zijn gekozen dat zij dit verkeerd verstaan in de hand werken, kan men er toch niet aan twijfelen, dat het een ernstige dwaling is aan de wil tot de macht een zuiver biologische betekenis te hechten. Maar tegelijkertijd moet men dan ook inzien, dat het stelsel op die manier aan helderheid inboet wat het aan diepgang wint. Mijnerzijds ben ik vrij sterk geneigd aan te nemen, dat Nietzsche, die gedurende een bepaalde periode van zijn leven in hoge mate beïnvloed werd door het naturalistische denken, vooral door dat van Darwin, hierdoor er toe gekomen is zich tenslotte van een taal te bedienen en een voorraad begrippen te gebruiken, die hij aan de biologische wetenschappen ontleende, zoals hij dat in het begin van zijn loopbaan aan Schopenhauer gedaan had. Daarmee trachtte hij een diepe gedachtegang te vertolken, welke zich heel moeilijk liet aanpassen aan de werkelijke begripsinhoud van deze taal. Dit onaangepast zijn kon overigens in de loop der geschiedenis niet nalaten noodlottige gevolgen mee te brengen, want in onze dagen hebben de theoretici van de rassenleer en van het nationaalsocialisme, die eigenlijk in hun denken lijnrecht tegenover Nietzsche stonden, zich niettemin op hem beroepen en daartoe deze of gene uitspraak naar voren gehaald, welke dan, uit haar verband gerukt, schijnbaar al die monsterlijke handelingen kon rechtvaardigen die ons maar al te goed bekend zijn.

Jenseits von Gut und Böse

Onder deze omstandigheden kan men Heidegger tot op zekere hoogte gelijk geven als hij, speciaal in zijn laatste boek ‘Was heisst Denken?’ (Niemeyer, Tübingen, 1954) de mening uitspreekt dat het denken van Nietzsche berust op een metaphysiek, op een ontologie zou men beter kunnen zeggen, welke deze niet duidelijk uiteengezet heeft. Voor de wijsbegeerte zijn al deze vraagstukken op zichzelf uiterst belangrijk. Maar om op het terrein te blijven waartoe ik mij hier wil bepalen, is het goed het feit onder ogen te zien, dat het geloof aan de komst van de Übermensch, zoals dat vooral in de Zarathustra is uitgesproken, een gegeven is dat we bijna uitsluitend bij Nietzsche tegenkomen. De bewering dat God dood is, daarentegen, heeft in talloze geesten een tragische weerklank gevonden, een weerklank die, naar het schijnt, van blijvende aard is. Men zou er lang over kunnen nadenken waarom dit zo heeft moeten zijn; hetgeen men overigens ook zou kunnen doen over de redenen, waarom de gedachte aan een eeuwige wederkeer voor ons slechts een bestanddeel vormt, zij het een allerbelangrijkst bestanddeel van Nietzsches karakteristieke ideeënwereld, terwijl zij voor hem persoonlijk in de tijd dat hij Zarathustra schreef een alles overtreffende waarde bezat. Wat wij hier alleen vooral moeten vaststellen is, dat de Umwertung aller Werte die Nietzsche voorspeld en geëist had, niet alleen uitgebleven is, doch ons heden ten dage zelfs net zo onverwezenlijkbaar voorkomt als wanneer een enkele man, ook al was het een genie, zou menen in zijn eentje een hervorming van het geldwezen te kunnen bewerkstelligen. Het ergste is nog wel, dat wij onder onze ogen een afschuwelijk karikatuur hebben zien opkomen van deze Umwertung zelf, een karikatuur waarvan men zonder vrees voor vergissing kan vaststellen, dat hij bij de schrijver van ‘Zarathustra’ verontwaardiging en afschuw zou hebben opgewekt. Om ons daarvan te vergewissen behoeven wij slechts het prachtige hoofdstuk IX uit Jenseits von Gut und Böse op te slaan, dat de titel draagt ‘Wat is edel?’, vooral de paragrafen 250 en 251 die betrekking hebben op de Joden. Zijn wij tot dit inzicht gekomen, dan lijkt het werk van Nietzsche ons waarlijk gesteld onder een teken van tegenspraak, het kan zich dus tegelijkertijd voordoen als grenzeloos gevaarlijk en grenzeloos heilzaam. Deze tweeslachtigheid, die hier nog meer in het oog springt dan bij Dostojewski, bijvoorbeeld, beantwoordt ongetwijfeld aan een in hoge mate kenmerkende karaktertrek van onze tijd. Zelfs het persoonlijke levenslot van Nietzsche kunnen wij als veelbetekenend beschouwen, als symptomatisch, al moeten we hiermee uiterst voorzichtig en behoedzaam zijn. Maar wie zijn gedachten laat gaan over de schipbreuk, waarop Nietzsches leven uitliep, kan per slot van rekening wel heel moeilijk de verklaring daarvan alleen zoeken in het medische vlak, in een slechte erfelijke aanleg of de een of andere storing. Natuurlijk mag men de medicus niet het recht ontzeggen, hier een onderzoek in te stellen of een verklaring te zoeken op de wijze, eigen aan zijn vak: doch als wij staan tegenover een groot denker, die meer dan enig ander in zijn tijd heeft bijgedragen tot een vernieuwing van de geestelijke horizon, dan rijst in ons de behoefte tot dieper verstaan, en wetenschappelijke gegevens kunnen die in geen enkel opzicht werkelijk bevredigen. Men is geneigd — hoe kan het anders ? in de krankzinnigheid van Nietzsche de onafwendbare en tragische verschijningsvorm te zien van een geest, die zijn grenzen overschreden heeft, en die al enigszins doorklonk in de profetische woorden van Zarathustra alsook in het begrip Übermensch zelf. Alles bijeen genomen was het misschien onmogelijk voor hem, die zich durfde voordoen als de profeet van de komst van de Übermensch, niet ook aan zichzelf enkele eigenschappen van de Übermensch toe te kennen. Viel het niet te verwachten dat een zwak menselijk organisme tenslotte onder de last van deze gedachte zou komen te bezwijken?

Hoe het ook zij, het lijkt mij duidelijk genoeg dat wij heden ten dage vooral Nietzsches diagnose en ook zijn prognose kunnen en moeten vasthouden, voor zover wij die kunnen losmaken van zijn profetieën in de letterlijke zin. Haast voor onze ogen heeft zich een geweldige ontwaarding voltrokken, die zich in menig opzicht laat vergelijken met wat in zo talrijke landen op geldelijk gebied heeft plaats gevonden. Deze ontwaarding kan op verschillende manieren worden opgevat, naar gelang men de nadruk legt op het feit dat sommige waarden in het geheel niet meer worden aanvaard, dan wel op de wijze waarop zij verbrokkelen, dat wil zeggen: het uitgangspunt worden voor stuurloze en onsamenhangende oordeelvellingen. Onder deze omstandigheden is het volkomen begrijpelijk, dat veel wijsgeren tenslotte tot de conclusie geraken dat het Ik de waarden schept, en dat deze allerminst een werkelijkheid los van de mens bezitten. Daar moet dan niet bij vergeten worden dat het Ik, waarvan hier sprake is, empirisch moet worden verstaan. We zijn precies bij het tegendeel beland van de denkbeelden van Fichte, die strikt universalistisch bleef, al heeft de ervaring wel bewezen dat ook dit denken gevaarlijk ver kon afglijden naar nationalisme en zelfs naar imperialisme. Bij de hedendaagse existentialistische denkstelsels is iets dergelijks ondenkbaar. Deze zijn onderhevig aan het risico dat ze op anarchie zullen uitlopen, of zij zullen, uit angst om daarin te vervallen, bereid zijn allergewaagdste compromissen te sluiten met de stelsels van Hegeliaanse inspiratie en wel bij voorkeur met het marxisme.

Nietzsche heeft diep doorzien, dat wij inderdaad de betekenis van de dood van God wel het best kunnen achterhalen op het terrein van de waarden. In zoverre wij deze doen samenvallen met de gehele bovenzinnelijke orde, (wat mij betreft zou ik er bij willen voegen: naarmate deze gestalte krijgt rondom een onzegbare aanwezigheid) wordt het ons bijvoorbeeld onmogelijk in volstrekte zin over het Goede te spreken. Het Goede zal dan onlosmakelijk verbonden lijken aan een existentiële beslissing, welke onder zekere welomschreven omstandigheden tot stand komt.

Einde artikel

*In 1969 ontving Gabriel Marcel in Rotterdam, samen met Carl Friedrich von Weizsäcker, op de 500e geboortedag van de naamgever de Erasmusprijs. Uit de toelichting die daarbij hoort (website van de Erasmusprijs): ‘De strijd om de individuele subjectiviteit te beschermen tegen vernietiging door de materialistische en technologische maatschappij was voor hem een belangrijk thema.’

‘Gabriel Marcel heeft op zeer persoonlijke wijze ruim vijftig jaar een bijdrage geleverd aan de Europese wijsbegeerte en zo een onuitwisbaar stempel op het Europese geestesleven gedrukt. Met zijn analyses van hoop en trouw heeft hij geprobeerd een diagnose en een therapie voor de geestesnood van zijn tijd te geven.’


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *