Als in een honderdvoudige spiegel

Als in een honderdvoudige spiegel

Van de vorig jaar zomer overleden Vlaamse filosoof Erik Oger, voormalig hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Antwerpen, is bij Uitgeverij Pelckmans een boek over Nietzsches perspectivische schrijven uitgekomen. Paul van Tongeren las deze nieuwe aanwinst met de uitnodigende titel ‘Als in een honderdvoudige spiegel’ en schreef voor Filosofie & Praktijk 43 nr. 3. onderstaand artikel:

Erik Oger heeft ons een prachtig boek nagelaten. Het is inderdaad een nalatenschap: de auteur stierf onverwacht, terwijl hij nog aan het boek werkte. De inleider, vriend Dirk Van Peer, schrijft in zijn ‘poging tot voorwoord’ dat de computer laat zien dat Erik Oger tot 18.53 aan de tekst werkte op de avond voor de nacht waarin hij overleed in zijn slaap. In zekere zin was zijn boek bijna af. Op het laatste deel na, laat het zich lezen als een volledig afgerond manuscript. In dat laatste, onvoltooide deel herken je de manier waarop Oger geschreven heeft: hij verzamelt elementen die hij soms alleen kort noteert, soms ook volledig uitwerkt, maar zonder zich te bekommeren of er geen overlap is met wat hij eerder noteerde en zonder te schiften tussen wat meer of minder thuishoort in de hechte samenhang van het boek als geheel. Dat liet hij waarschijnlijk aan een latere, finale redactie – waarvoor hij de tijd niet meer kreeg.

Maar hoewel het boek bijna af lijkt, moeten we tegelijk zeggen dat het waarschijnlijk nog lang niet af was, en dat het misschien nooit helemaal af zou zijn geraakt. Volgens de inleider vreesde Oger de voltooiing van het boek omdat hij wist dat het zijn laatste zou zijn; probeerde hij de dood uit te stellen door eraan te blijven werken. Maar het is – denk ik – ook de inhoud en strekking van het boek die een voltooiing onmogelijk maken. Ik kom erop terug.

Niet zonder reden verklaren inleider en uitgever dit boek tot het ‘levenswerk’ en ‘opus magnum’. In ieder geval heeft Erik Oger aan geen boek langer gewerkt dan hieraan. Ik weet niet precies wanneer hij eraan begon (wellicht na zijn emeritaat? Oger was hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Antwerpen van 1977 tot 2008) maar in ieder geval schreef hij mij er al over in een mail van maart 2011. Het was vóór de tijd dat het volledige werk van Nietzsche gemakkelijk op het internet te vinden en doorzoeken was. Erik wist dat ik het op CD-rom had en vroeg me om een kopie. Dat hij die (en later waarschijnlijk de internet-site van Nietzsche-source) goed gebruikt heeft is duidelijk te lezen uit het boek. Rond de thema’s die hij bespreekt verzamelt hij een enorme veelheid van teksten uit het hele oeuvre, soms slechts in kleine fragmenten, maar op een manier die steeds verhelderend en vaak verrassend is. Het boekt maakt dan ook op elke bladzijde duidelijk dat hij geenszins volstond met het snel doorzoeken van de digitale versie van het werk. Hij moet eindeloos veel en lang en geduldig gelezen hebben in Nietzsches teksten om ze zo te kunnen gebruiken als hij doet. ‘Schrijven’ moet voor hem voor een groot deel hebben bestaan uit ‘lezen’. En hij las zoals Nietzsche, deze ‘leraar van het langzame lezen’ bij uitstek, zegt dat je lezen moet: ‘door je terug te trekken, tijd te geven, stil te worden, langzaam te worden –, als een edelsmidkunst en -vakmanschap van het woord, een kunst die louter in fijne voorzichtige arbeid bestaat en die niets bereikt wanneer ze het niet lento bereikt.’ Ogers boek is inderdaad de vrucht van die kunst van het langzame lezen, ‘dat wil zeggen langzaam, diep, terugblikkend en vooruitziend, voorzichtig, met bijgedachten, met open deuren, met fijngevoelige vingers en ogen lezen’ (Morgenröthe,voorwoord § 5). Daarom schreef hij ook langzaam. Hoewel hij er bijna dagelijks aan werkte, vorderde het boek slechts stapje voor stapje, deels omdat de tekst voortdurend werd bijgevijld en aangevuld. In een mail van 2019 stuurde hij me al een eerdere versie van het grootste deel van het boek toe met de opmerking dat hij nu aan het laatste hoofdstuk werkte, het hoofdstuk dat hij ruim twee jaar later door zijn plotselinge dood onvoltooid zou nalaten.

Dat langzame tempo is de zichtbare gedaante van wat ik eerder aanduidde als de reden die zijn boek onvoltooibaar maakt. Het boek gaat namelijk over ‘Nietzsches perspectivische schrijven’ zoals de ondertitel luidt. Of beter: het eerste deel van het boek gaat over dat perspectivische schrijven, de andere twee delen laten dat perspectivische schrijven zien in een zeer geduldige lectuur van een beperkt aantal teksten over twee belangrijke thema’s uit Nietzsches denken: ‘de dood van God’ en ‘de eeuwige wederkeer van hetzelfde’. Terecht stelt Oger dat we bij Nietzsche – anders dan veel interpreten denken – eigenlijk niet van een ‘perspectivisme’ kunnen spreken, althans niet zonder aanhalingstekens, omdat zijn perspectivische manier van denken en schrijven zich juist aan elk -isme onttrekt. Niet alleen zijn er volgens dit denken en schrijven eindeloos veel perspectieven mogelijk (vandaar de ‘honderdvoudige spiegel’ in de titel), maar ook zal het voortdurend de eigen perspectiviteit erkennen en zich nooit in een illusoire ‘view from nowhere’ boven alle bijzondere standpunten verliezen. Wie Nietzsche probeert te kritiseren met een tu quoque argument (‘als alles interpretatie is, dan is dat toch ook een interpretatie?’) krijgt als antwoord ‘– welnu, des te beter. –‘ (Jenseits von Gut und Böse § 22). Oger laat (in het tweede hoofdstuk van het eerste deel van zijn boek) zien dat Nietzsches perspectivische denken ‘verreikende consequenties’ heeft voor zijn manier van schrijven. Hij bespreekt de vele literaire genres die Nietzsche beoefent, besteedt aandacht aan zijn gedachten over stijl, aan het verschil tussen aforismen en fragmenten, zijn kunst om zich te verhullen, maskers op te zetten en de ambiguïteit waarmee hij zich enerzijds vaak in de eerste persoon enkelvoud presenteert, maar zichzelf anderzijds uitdrukkelijk onderscheidt van zijn teksten en van de personages die hij daarin opvoert. Nietzsche wisselt dikwijls van standpunt, zodat steeds andere aspecten van een thema worden belicht. Oger maakt dat duidelijk door de twee thema’s die hij uitwerkt steeds aan de hand van een andere tekst (hij spreekt van verschillende ‘ensceneringen’) te bespreken en er daardoor steeds andere kanten van te laten zien. Zijn uitwerking maakt op onovertroffen wijze duidelijk dat dat geenszins tot een relativistisch ‘anything goes’ leidt, maar het verklaart tegelijkertijd de onvoltooibaarheid van een dergelijk project.

Deel II gaat, zoals gezegd, over ‘de dood van God’. Na een proloog van 25 pagina’s, bespreekt hij achtereenvolgens een tekst getiteld ‘De gevangenen’ (§ 84 van het tweede hoofdstuk van het tweede deel van Menschliches, Allzumenschliches), de beroemde tekst over ‘De dolle mens’ (§ 125 uit Die fröhliche Wissenschaft) en het hoofdstuk over ‘De lelijkste mens’ uit het vierde deel van Also sprach Zarathustra. De eerste twee teksten van Nietzsche zijn krap één pagina lang, de laatste telt misschien vier pagina’s. Erik Oger wijdt aan elk ervan maar liefst 40 pagina’s, vol met even verhelderende als verrassende en verrijkende analyses. 

Hetzelfde schema wordt gevolgd in deel III over ‘de eeuwige wederkeer van hetzelfde’: na de proloog van 30 pagina’s volgen drie hoofdstukken van elk ruim 40 pagina’s lang waarin steeds één tekst centraal staat. Een samenvatting geven van zulke rijke analyses is onmogelijk. Ik probeer althans een impressie te geven aan de hand van een korte impressie van dit derde deel.

In de Proloog richt Oger de aandacht op het tekstuele gegeven dat Nietzsche de eeuwige wederkeer presenteert als een ‘gedachte’, en dat hij van die gedachte stelt dat ze hem ‘overkomt’. Hij legt uit dat een gedachte iets anders is dan een theorie. Een theorie stelt iets en claimt waarheid, een gedachte formuleert een opgave, ze geeft iets te denken. Dat wordt versterkt door het gegeven dat de gedachte hem overkomt. In wat Nietzsche erover zegt, gaat het niet of nauwelijks over de propositionele inhoud van de gedachte, maar vooral over de gemoedstoestand waarmee hij erdoor overvallen werd. Uit alles blijkt dat het niet gaat om een ‘kosmologisch-ontologische’ theorie waaruit eventueel een morele conclusie getrokken zou kunnen worden, maar om een ervaring die hem sterk emotioneert en stimuleert. En als Nietzsche een enkele keer probeert er een theoretische betekenis aan te geven, leidt dat ofwel tot iets wat hij onmiddellijk weer afwijst (bijvoorbeeld wanneer Zarathoestra’s dieren of de dwerg die hij ontmoet er zo’n versie van geven) of waarop hij niet meer doordenkt (zoals in de schetsjes die we in de nagelaten notities vinden), ofwel tot een eerder negatieve betekenis (zoals wanneer hij het in de Lenzer Heide-tekst aanduidt als de extreemste vorm van nihilisme). Oger wijst ook een andere interpretatie terug, die de gedachte uitlegt als een ethisch-deontologische these, die zegt dat je zo moet leven dat je van dat wat je doet moet kunnen verlangen dat het eeuwig zal worden herhaald. De interpretatie die hij zelf voorstelt komt wel het dichtste bij die laatste interpretatie. Het gaat volgens Oger om een experiment, een diagnostische test, een ‘vuurproef’ waarin duidelijk wordt of je bereid bent een eeuwige herhaling van je leven te willen. Wat hij daarmee bedoelt werkt hij uit in drie ‘scènes’: een uitleg van achtereenvolgens de beroemde paragraaf 341 (‘Het grootste gewicht’) aan het einde van het vierde boek van Die fröhliche Wissenschaft, en de hoofdstukken ‘Van visioen en raadsel’ en ‘De genezende’ uit het derde boek van Also sprach Zarathustra. De eerste tekst wijst erop dat met deze gedachte de consequentie wordt geformuleerd van de dood van God: het zwaartepunt van je leven ligt niet buiten je, maar in je leven zelf. De (diagnostische) test bestaat in de vraag of je kunt willen dat dit moment eeuwige terugkeert. Het antwoord op die vraag scheidt twee fundamenteel verschillende houdingen. In zijn uitleg van de tweede tekst wijst Oger op de betekenis van de droom en het raadsel: het gaat niet om een gedachte die kan worden gededuceerd, maar om iets waarnaar geraden wordt. 

Kenmerkend voor de tekst van Oger is de opmerkzaamheid waarmee hij wijst op kleine details, zoals bijvoorbeeld in de passage in Ecce homo waar Nietzsche de ervaring beschrijft: ‘Bij een machtig piramidaal oprijzend rotsblok niet ver van Surlei hield ik halt. Oger merkt op dat ‘ook Socrates en Wittgenstein ter plekke blijven staan wanneer hun gedurende een wandeling een belangrijk nieuw inzicht overvalt. Jean-Jacques Rousseau gaat er zelfs bij liggen’ (p. 259) Of wanneer hij erop wijst dat Zarathoestra in zijn gesprek met de geest van de zwaarte opvallend veel ‘singuliere uitspraken’ doet waarin hij steeds ‘indexicale termen’ gebruikt, ‘zoals: dit, dat, deze, die, ik, jij, ons’ enzovoort; termen waarmee hij afstand neemt van algemene ontologische theorieën of categorische imperatieven (p.344v). Waar de geest van de zwaarte door Zarathoestra een ‘mol’ genoemd wordt, wijst hij erop dat dat dier blind is en legt hij een verband met Schopenhauers these dat de wil tot leven ‘een blinde, onbewuste kracht’ is (p.327). Dat die geest van de zwaarte Zarathoestra een ‘steen der wijsheid’ noemt, verbindt Oger niet alleen met de lapis philosophorum uit de alchemistische traditie en Nietzsches ‘kunst van de transfiguratie’, maar ook met de mythe van Sisyphus en Camus’ interpretatie daarvan, en met grens-stenen die twee domeinen van elkaar scheiden, zoals de god Janus twee gezichten heeft (328vv). In zijn uitleg van de tekst over de genezende, peilt hij naar een extra laag in de betekenis van het beeld van de adelaar (die in kringen vliegt) met de slang (in een kring) om zijn nek, door het te contrasteren met een tekst uit de Ilias van Homerus, waarin de Grieken een adelaar zien met een slang in zijn klauwen en dat als een ongunstig omen interpreteren. Het zijn slechts een paar uit de talloze voorbeelden van de manier waarop Erik Oger in zijn spiegelpaleis allerlei nieuwe aspecten van de teksten van Nietzsche doet oplichten.

De tekst van Erik Oger is steeds even eloquent als erudiet. Niet alleen weet hij steeds belangrijke teksten van Nietzsche rond een element van zijn interpretatie te verzamelen, maar ook blijkt dat hier een auteur aan het woord is die een leven lang gelezen heeft: zowel secundaire literatuur over Nietzsche – vooral de Franse Nietzsche-receptie neemt een belangrijke plaats in – als ook meer en minder canonieke teksten uit de geschiedenis van filosofie en literatuur worden verwerkt in zijn uitleg van Nietzsches teksten. En zijn jarenlange ervaring als docent maakt dat hij zich nooit verstopt achter of anderszins genoegen neemt met ingewikkelde formuleringen. Daardoor is zijn ‘magnum opus’ tegelijk ook een perfecte inleiding in Nietzsches denken. Wie geïnteresseerd is in Nietzsches denken, vindt in dit boek niet alleen een rijke interpretatie van een aantal kernthema’s, maar wordt er ook ingevoerd in de manier van lezen waar dit denken om vraagt. 

Paul van Tongeren











Erik OGER, Als in een honderdvoudige spiegel. Nietzsches perspectivische schrijven. Kalmhout: Pelckmans 2022 (406 pp.)


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *