Nietzsche in de Steppenwolf van Hermann Hesse

Nietzsche in de Steppenwolf van Hermann Hesse

‘Een roedel wolven’. Dat vond ik vroeger een bijzondere uitdrukking. Er ging ook iets mysterieus van uit. Een roedel? Was het een homogene groep wolven of een familie? Met een leider en een eigen hiërarchie? Wat deden de enkele exemplaren in sprookjes als Roodkapje of als verleider van zeven onschuldige geitjes? Of in een onheilspellend lied van Drs. P. dat verhaalde over gevaarlijke en hongerige exemplaren? En dan hebben we het nog niet over de zogeheten ‘lonely wolf’ als aanduiding van een moeilijk te traceren individu dat autonoom tot gevaarlijke acties kan overgaan. Of de vanuit het oosten oprukkende wolf die wanneer hij stevig doorstapt misschien wel de weg richting de Randstad weet te vinden…

Maar de meest aansprekende wolf was en is voor mij toch wel de literaire. Een symbolische wolf die in de prachtige roman uit 1927 van Hermann Hesse ‘Der Steppenwolf’ vorm kreeg in de persoon van Harry Haller, beide voor- en achternamen niet toevallig beginnend met een ‘H’. Wat een mooi werk vond ik dat vroeger op de middelbare school, net zoals vele andere werken van Hesse! Deze romans lezen in combinatie met aforismen van Nietzsche, was niet geheel toevallig. Die twee hoorden bij elkaar, dat voelde je aan alles. De invloed van Nietzsche op Hesse is ook bij vele studies aangetoond en komt soms op een prachtige manier uit de pen van de grote verteller Hermann Hesse. Hoogste tijd dus om ‘Der Steppenwolf’ eens nader te bespreken op dit Nietzsche blog.

In vergelijk met wat ander werk van Hesse uit de jaren ’20 van de vorige eeuw, zoals Klingsors lezter Sommer en Siddharta, valt het eigenlijk direct op dat Hesse in de Steppenwolf zijn hoofdpersoon weer wat terugzet in de menselijke ontwikkeling. In zijn andere werken zijn de hoofdpersonen al ‘voorbij goed en kwaad’ – om het met Nietzsche te zeggen – maar in de Steppenwolf is Harry Haller nog bezig om zichzelf te gaan begrijpen door een tegenstelling die hij in zichzelf ontwaart en wil gaan benoemen: ‘Harry findet in sich einen ,Menschen‘, das heißt eine Welt von Gedanken, Gefühlen, von Kultur, von gezähmter und sublimierter Natur, und er findet daneben in sich auch noch einen ,Wolf‘, das heißt eine dunkle Welt von Trieben, von Wildheit, Grausamkeit, von nicht sublimierter, roher Natur’, schrijft Hesse in zijn roman.

Een tweedeling dus, in mens en dier, in geest en drift, lezen we in het ‘Tractat vom Steppenwolf’ dat met een verwijzing ‘nur für Verrückte’ een prominente rol speelt in het begin van het werk. De Zarathustra van Nietzsche die bol staat van dier metaforen, heeft een vergelijkbare dichotomie wanneer een panter voorbijkomt in het gedicht ‘Nur Narr! Nur Dichter! En de regels als volgt gaan:

Freier – du? So höhnten sie

nein! nur ein Dichter!

ein Thier, ein listiges, raubendes, schleichendes, das lügen muss,

das wissentlich, willentlich lügen muss,

nach Beute lüstern,

bunt entlarvt,

sich selbst zur Larve,

sich selbst zur Beute

das – der Wahrheit Freier? …

Nur Narr! Nur Dichter!

Vervolgens laat Nietzsche in het gedicht de kunstenaar het van de filosoof winnen, de natuur prevaleren boven de geest. Hesse en Nietzsche hebben beide iets met het roofdier dat rondstapt in de geciviliseerde wereld. De dieren hebben nog iets van een onbewuste levensvreugde in zich en het is dan ook niet voor niets dat in het laatste hoofdstuk van de Zarathustra de dieren een eerlijkere plek boven de mensen innemen: ‘Meine Thiere sind wach, denn ich bin wach. […] Ihr seid meine rechten Thiere; ich liebe euch. Aber noch fehlen mir meine rechten Menschen!’. En ook hét roofdier onder de roofdieren – de leeuw – komt op het einde ten tonele in de Zarathustra. Hesse heeft als roofdier voor de wolf gekozen. Dat deed hij al eerder met zijn vertelling ‘Der Wolf’ dat in 1907 verscheen en waarin hij de wolf een sterk en mooi gevormd roofdier laat zijn waar helaas op gejaagd wordt door boeren. Ook na publicatie van ‘Der Steppenwolf’ komt het dier voorbij zoals bijvoorbeeld in ‘Traumfährte’ uit 1945 waar Hesse de wolf in een kooi laat verblijven waar voorheen een panter (!) zat. Tekenend voor de dier metafoor is een ander voorbeeld van vóór De Steppenwolf, en wel in ‘Kurgast’ uit 1925. Hesse omschrijft daarin de belangrijke plek van de geur die het dierlijke instinct kan aannemen: ‘Solang es noch Marder gab, noch Duft der Urwelt, noch Instinkt und Natur, solange war für einen Dichter die Welt möglich, noch schön und verheißungsvoll.’ De vraagt dringt zich op; zijn de beide marters voorlopers van de latere steppenwolf?

In het ‘Vorwort des Herausgebers’ (De Steppenwolf is een raamvertelling), komt de naam Nietzsche drie keer voorbij. Het lijkt bijna een getuigenis van Hesse, zelf er goed van doordrongen hoe hij als lezer van Nietzsche diens gedachten in zijn roman heeft vervlochten. In het ‘Vorwort’ lezen we als eerste Nietzsche verwijzing het volgende: ‘Ich erkannte, daß Haller ein Genie des Leidens sei, daß er, im Sinne mancher Aussprüche Nietzsches, in sich eine geniale, eine unbegrenzte, furchtbare Leidensfähigkeit herangebildet habe.’ Op een andere plek, pagina 197 in het voorwoord (ik gebruik de ‘Werkausgabe Gesammelte Werke van Hesse dat in 1970 bij Suhrkamp verscheen), staat knip en klaar de grootsheid van Nietzsche volgens Nietzsche op papier; ‘(…) Man sollte stolz auf den Schmerz sein – jeder Schmerz ist eine Erinnerung unsres hohen Ranges.’ Fein! Achtzig Jahre vor Nietzsche!’

En ja, het lijden en de pijn, vormen samen een centrale thematiek in het werk van Nietzsche. In ‘Jenseits von Gut und Böse’ omschrijft Nietzsche de positie van het individu dat dit lijden treft; ‘Der geistige Hochmuth und Ekel jedes Menschen, der tief gelitten hat – es bestimmt beinahe die Rangordnung, wie tief Menschen leiden können -, […] dieser geistige schweigende Hochmuth des Leidenden, dieser Stolz des Auserwählten der Erkenntniss, des ,Eingeweihten’, des beinahe Geopferten findet alle Arten von Verkleidung nöthig, um sich vor der Berührung mit zudringlichen und mitleidigen Händen und überhaupt vor Allem, was nicht Seinesgleichen im Schmerz ist, zu schützen. Das tiefe Leiden macht vornehm; es trennt.’. De derde verwijzing naar Nietzsche in het voorwoord luidt als volgt: ‘Eine Natur wie Nietzsche hat das heutige Elend um mehr als eine Generation voraus erleiden müssen, – was er einsam und unverstanden auszukosten hatte, das erleiden heute Tausende.’ Wat een tijdloos, knap en verbindende interpretatie!

‘Ook na dit ‘Vorwort’ komt Nietzsche nog twee keer langs. Harry Haller loopt in de roman met zelfmoordgedachten rond en vergelijkt zijn levensloop tot dan toe met die van Friedrich Nietzsche. Over hem mijmerend herinnert Harry zich een zinsnede uit een gedicht van Nietzsche en hij overdenkt; ‘Wahrlich, ich hatte keinen Grund, eine Fortsetzung dieses Weges zu wünschen, der mich in immer dünnere Lüfte führte, jenem Rauche in Nietzsches Herbstlied gleich.’ Hier wordt na wat zoeken zeer waarschijnlijk een klein gedeelte van het gedicht ‘Abschied’ bedoeld, aangezien daar Nietzsche in de vierde strofe schrijft: ‘Nun stehst du bleich/Zur Winter-Wanderschaft verflucht/Dem Rauche gleich/Der stets nach kältern Himmeln sucht.’ Een gedicht dat ik al eens eerder op deze webpagina aanhaalde en dat Nietzsche als 20-jarige auteur maar liefst zes verschillende titels meegaf. Overigens ook hetzelfde gedicht waar ‘Weh dem der keine Heimat hat’, de ondertitel van deze webpagina aan ontsproten is. Ik kan het niet nalaten om de eerste strofe nog even aan te halen: ‘Die Krähen schrei’n/Und ziehen schwirren Flugs zur Stadt:/Bald wird es schnei’n – /Wohl dem, der jetzt noch – Heimat hat!’

Op pagina 328 (van mijn inmiddels bijna 50-jarige uitgave die ik midden jaren tachtig in de etalage van een antiquariaat zag staan) ) ontdek ik eerder door mij gemaakte potloodaantekeningen: ‘Sie liebten einen Champagner oder eine Spezialplatte im Grill Room, wie unsereiner einen Komponisten oder Dichter liebte (…) dieselbe Begeisterung, Ergriffenheit und Rührung wie unsereiner an Nietzsche oder an Hamsun.’ Nietzsche in vergelijk met een gerecht uit een grillroom…

Op zoek gaan naar Nietzsche is dus op vijf verschillende plekken in de roman niet echt moeilijk. Maar Hesse was meer door Nietzsche gevormd dan alleen deze vijf meldingen zouden doen vermoeden. De verstopte inspiratie uit bronnen van Nietzsche hebben mij altijd bekoord. Wat een prachtvertellingen al die boeken van Hesse. En steeds weer die verbondenheid met de filosoof, dichter en denker Nietzsche. Thema’s die je ziet terugkeren, ook in dit prachtige boek. Humor en lachen, dat zijn van die thema’s en ook grote uitdagingen voor de hoofdpersoon Haller. Nietzsche praat er al over in zijn eerste uitgave ‘Die Geburt der Tragödie’ uit 1871/1872. Het belang van lachen en humor had de jonge professor toen al vroeg in de gaten: ‘Ihr solltet vorerst die Kunst des diesseitigen Trostes lernen, – ihr solltet lachen lernen, meine jungen Freunde, wenn anders ihr durchaus Pessimisten bleiben wollt; vielleicht dass ihr darauf hin, als Lachende, irgendwann einmal alle metaphysische Trösterei zum Teufel schickt – und die Metaphysik voran! De hoofdpersoon in De Steppenwolf is het lachen eigenlijk allang verleerd. Het is een intellectueel wiens crisis als een metafoor staat voor de Europese intellectuele- en maatschappelijke crisis in de jaren ’30 van de vorige eeuw. Harry past totaal niet in een maatschappij die bol staat van massale industrie, waar alleen verkleed wordt om in het gekostumeerde spel mee te kunnen doen. Een aanklacht die inderdaad tijdloos is en zich zo her en der lijkt te herhalen in al het geweld en kapitaal monopolie van de 21eeeuw. Al op de zevende pagina van de aantekeningen uit Harry Haller kan de middelbare scholier met Duits in zijn/haar pakket, al een titelverklaring destilleren; ‘Ach, es ist schwer, diese Gottesspur zu finden inmitten dieses Lebens, das wir führen, inmitten dieser so sehr zufriedenen, so sehr bürgerlichen, so sehr geistlosen Zeit, im Anblick dieser Architekturen, dieser Geschäfte, dieser Politik, dieser Menschen! Wie sollte ich nicht ein Steppenwolf und ruppiger Eremit (norse kluizenaar – SP) sein inmitten einer Welt, von deren Zielen ich keines teile, von deren Freuden keine zu mir spricht!’

Na de grote wereldoorlog van 1914-1918 is de burger het dominerende menstype, althans het streven naar dit keurige burgerdom stond bovenaan en zeker niet de Nietzscheaanse mens die nog eens oorlog moest gaan voeren met zijn innerlijke zielsleven, zijn zwakheden, het Christendom en al helemaal niet met alle verdrongen driften. De zinsnede van Hesse op pagina 235 is in mijn ogen net zo goed van toepassing op ons huidige ‘interbellum’ dan in het toenmalige: ‘Der Bürger ist deshalb seinem Wesen nach ein Geschöpf von schwachem Lebensantrieb, ängstlich, jede Preisgabe seiner selbst fürchtend, leicht zu regieren. Er hat darum an Stelle der Macht die Majorität gesetzt, an Stelle der Gewalt das Gesetz, an Stelle der Verantwortung das Abstimmungsverfahren.’Hier lezen we een samensmelting van Nietzsche’s ‘Sklavenmoral’ die welig groeit op de middelmatigheid, met de antiburgerlijke opvattingen van Hesse. En waar Nietzsche een andere moraal opvoert, namelijk de Herrenmoral, is het ook weer geen toeval dat daar weer dieren voorbijkomen. In de ‘Genealogie der Moral’ schrijft Nietzsche: ‘Denn man übersehe dies nicht: die Starken streben ebenso naturnothwendig auseinander, als die Schwachen zu einander; wenn erstere sich verbinden, so geschieht es nur in der Aussicht auf eine aggressive Gesammtaktion und Gesammtbefriedigung ihres Willens zur Macht, mit vielem Widerstande des Einzelgewissens; letztere dagegen ordnen sich zusammen, mit Lust gerade an dieser Zusammenordnung, – ihr Instinkt ist dabei ebenso befriedigt, wie der Instinkt der geborenen ,Herren’ (das heisst der solitären Raubthier-Species Mensch) im Grunde durch Organisation gereizt und beunruhigt wird.’

Harry Haller leeft als Nietzsche’s ‘laatste mens’, dolend in zijn steeds sterker wordende positie als burger dat tevens de ambivalentie voedt tussen het aangepaste dier en het diepere, dierlijke instinkt. Deze aanpassing leidt ook tot een toenemende frustratie en vermindering van levensintensiteit. De zelfhaat slaat bij Harry langzaam om naar zelfmoordfantasieën. Hij kiest er zijn 50everjaardag voor uit. De daad zelf wordt niet begaan maar de gedachte eraan vormt een ultieme verlossing en vluchtmogelijkheid. In de uitgebreide correspondentie die Hesse heeft nagelaten vinden we daar ook een sterk autobiografische aanwijzing voor en wel in een brief uit 1925 waar Hesse het volgende memoreert: ‘Ich war eine Weile ziemlich verzweifelt und mochte nicht mehr leben. Aber dann fand ich einen Ausweg. Ich nahm mir vor, daß ich an meinem 50. Geburtstag, in zwei Jahren, das Recht haben werde mich aufzuhängen, falls ich es dann noch wünsche.’ Minder duidelijk maar toch vaker komt de zelfmoordgedachte terug in de werken van Hesse. Het was niet alleen Harry maar wellicht ook Hermann die aforisme (157) uit ‘Jenseits von  Gut und Böse’ bij zich droeg: ‘Der Gedanke an den Selbstmord ist ein starkes Trostmittel: mit ihm kommt man gut über manche böse Nacht hinweg.’

Maar waar is het pleidooi voor humor in dit verhaal? Hét instrument bij uitstek om de zaken minder serieus te nemen, van een afstand te bezien en met een gezonde dosis relativeringsvermogen te lijf te gaan. Het krijgt een plek in de ‘Tractat vom Steppenwolf’ dat in het werk een eigen plaats inneemt en als ondertitel ‘Nur für Verrückte’ kent. Humor als entreekaartje, het wachtwoord voor een vrij entree in het magische theater van het leven. Het oord waar anderen verblijven die alle pogingen tot gelijkheid zijn ontlopen en in die zin doen denken aan de bekende uitspraak uit de Zarathustra: ‘(…) Jeder will das Gleiche, jeder ist gleich: wer anders fühlt, geht freiwillig ins Irrenhaus.’ In het ‘Tractat’ kun je veel invloed van Nietzsche terugvinden. Het is een psychologische verhandeling waarin de geest van Harry niet simpel wordt neergezet als een schizofrene psyche bestaande uit wolf en mens (ook die combinatie vinden we vaker terug in de wereldliteratuur), nee het gaat om meerdere persoonlijkheden, honderden wezens: ‘Harry besteht nicht aus zwei Wesen, sondern aus hundert, aus tausenden. Sein Leben schwingt (wie jedes Menschen Leben) nicht bloß zwischen zwei Polen, etwa dem Trieb und dem Geist, oder dem Heiligen und dem Wüstling, sondern es schwingt zwischen tausenden, zwischen unzählbaren Polpaaren.’ Of om het met Nietzsche te zeggen: ‘…unser Leib ist ja nur ein Gesellschaftsbau vieler Seelen (…)’ (Jenseits von Gut und Böse). En zie daar, in de ‘Tractat’ komt Hesse – niet geheel verrassend en naast Nietzsche zeker ook beïnvloed door oudere Indische en Oosterse teksten, tot het volgende: ‘Wenn Faust den unter den Schullehrern berühmten, vom Philister mit Schauer bewunderten Spruch sagt: ,Zwei Seelen wohnen, ach, in meiner Brust!‘ dann vergißt er den Mephisto und eine ganze Menge andrer Seelen, die er ebenfalls in seiner Brust hat.’ Op dezelfde pagina beaamt hij dat het soms ook erg krap aan kan voelen, zoveel personen onder een borst. Nietzsche komt verder in de ‘tractat’ onomstotelijk en duidelijk in beeld bij de omschrijving van de overgang die de mens is. ‘Der Mensch ist ja keine feste und dauernde Gestaltung […], es ist vielmehr ein Versuch und Übergang, er ist nichts andres als die schmale, gefährliche Brücke zwischen Natur und Geist.’ De parallel is duidelijk; hier is de koorddanser uit de Zarathustra in het ‘Tractat’ verweven, de beroemd geworden woorden uit de ‘Vorrede’ waar de koorddanser de mensen op het marktplein toespreekt: ‘Der Mensch ist ein Seil, geknüpft zwischen Thier und Übermensch, – ein Seil über einem Abgrunde. Ein gefährliches Hinüber, ein gefährliches Auf-dem-Wege, ein gefährliches Zurückblicken, ein gefährliches Schaudern und Stehenbleiben.’

Maar die humor, hoe zit het daar nou mee? Misschien kunnen we even terugschakelen naar ‘Die Nürnberger Reise’ die in dezelfde Band nr. 7 van het bovenvermelde verzameld werk staat. Ik tekende daar ooit eens aan: ‘Die Natur bringt auf diesem Wege sogar etwas höchst Schönes und Kompliziertes zuwege, wovor fast alle Menschen einen gewissen Respekt haben: den Humor. In jenen leidenden Menschen nämlich, in jenen allzu weichen, allzu wenig smarten, allzu vergnügungssüchtigen, auf Trost erpichten Menschen entsteht gelegentlich das, was man Humor nennt.’ Hesse diept dat nog wat verder uit, tot aan de tranen en het zelfs dodelijke drinkgedrag van de eenzame grappenmaker, maar is essentie staat er waar Der Steppenwolf ook (deels) over gaat; de humor zorgt ervoor dat je de werkelijkheid niet al te serieus moet nemen, dat het je op een afstand brengt die altijd of in ieder geval vaak relativerend kan zijn.

Nietzsche gaat in de voor hem zo kenmerkende stijl en bondigheid zo ver om te stellen dat iedereen die niet om zichzelf kan lachen a priori tegen het leven is. Omdat het in de Christelijke traditie als een zonde werd geleerd en doorgegeven: ‘Lernt über euch lachen, wie man lachen muss! […] Welches war hier auf Erden bisher die grösste Sünde? War es nicht das Wort Dessen, der sprach: ,Wehe Denen, die hier lachen!’ Fand er zum Lachen auf der Erde selber keine Gründe? So suchte er nur schlecht. Ein Kind findet hier noch Gründe.’ (Die Fröhliche Wissenschaft). Lachen als zonde, Nietzsche zag het terugkomen in het Nieuwe Testament en laat zijn Zarathustra dan ook een ‘doornenkrans van de lachende’ opzetten. Harry Haller heeft echter niet zo veel aan de woorden van Nietzsche en neigt meer naar een scheermes of iets anders om zijn leven te beëindigen. Hij zoekt in het ‘Tractat’ naar wegen om zijn ongelukkige en zoekende bestaan een positieve en ‘lebensbejahende’ wending te geven. En dat begint met diep in de chaos van de eigen ziel te kijken en volledig in contact met zichzelf te komen. Pablo en Hermine zijn de helpende handen in het verhaal die voorkomen dat deze steppenwolf zichzelf wat aandoet. Hermine, (de vrouwelijke equivalent van Hermann!) is als een spiegel en tegenpool voor Harry. Hermine staat voor het vrouwelijke, het natuurlijke deel van zijn ziel. Het is een – om het met een moderne aanduiding te zeggen – ‘genderneutrale’ weerspiegeling van Harry’s ziel. Psychologisch te duiden als de onbeteugelde driften die alle kanten op kunnen gaan. Hermine neemt de plaats in van zowel redder als lerares en leidt Harry op zijn te volgen weg. Harry komt tot het inzicht dat hij zijn ware ‘geest’ verwaarloosd heeft, zich heeft ontwikkeld tegen zijn natuur in. En dat terwijl Nietzsche’s woorden wederom in die bekende stijl, zo mooi weergeven wat bij Harry door het hoofd gaat: ‘Die unbewusste Verkleidung physiologischer Bedürfnisse unter die Mäntel des Objektiven, Ideellen, Rein-Geistigen geht bis zum Erschrecken weit, – und oft genug habe ich mich gefragt, ob nicht, im Grossen gerechnet, Philosophie bisher überhaupt nur eine Auslegung des Leibes und ein Missverständniss des Leibes gewesen ist.’

Hermine troost hem door Harry er op te wijzen dat zijn geestesleven juist zeer rijk is waardoor hij zich in de wat kleinere levenskunsten niet heeft ontwikkeld. Hermine leert hem dansen als een fase vóór de humor en het lachen. Een metafoor die we ook zeer sterk bij Nietzsche zien terugkomen als een dionysisch element, alleen al in de Zarathustra waar hij de dans als een middel voor een hoger leven beschouwt, de dans als overgang naar een mens die zichzelf overwint. In hetzelfde werk zien we de dans overigens ook terugkomen als middel om het nihilisme en pessimisme te overwinnen namelijk de waarzegger die de gedachte van de eeuwige terugkeer van het gelijke in het ‘Nachtwandlerlied’ uitdraagt en daarbij… danst. Dansen is een vorm van lichtheid. Zarathustra wordt dus een danser die als een vogel bijna van de grond loskomt en daarbij andere vogels wenkt. Maar Harry in Der Steppenwolf komt niet zo gemakkelijk van de grond. Zijn zelfbeklag en slachtofferschap komen we op pagina 308 duidelijk tegen; ‘Nein, zum Tanzen mußte man Fähigkeiten mitbringen, die mir vollkommen fehlten: Fröhlichkeit, Unschuld, Leichtsinn, Schwung.’ Een schone taak voor Hermine om deze Harry in te wijden in de kracht van de dans en wel in een gemaskerd bal. De tweespalt in Harry lijkt bij deze gemaskerde dansen op te lossen, als in een dionysische roes waar tegenwoordig menig haptonoom meerdere consulten aan moet wijden; de eenwording tussen lichaam en geest dat in het geval van Harry heel wat jaren op zich had laten wachten: ‘Ein Erlebnis, das mir in fünfzig Jahren unbekannt geblieben war, obwohl jeder Backfisch und Student es kennt, wurde mir in dieser Ballnacht zuteil: das Erlebnis des Festes, der Rausch der Festgemeinschaft, das Geheimnis vom Untergang der Person in der Menge, von der Unio mystica der Freude.’

Pablo, de saxofonist die jazz speelt in het theater, wijdt Harry in in de ‘school van de humor’. Maar voor goede humor is het nodig om de eigen persoon niet meer zo serieus te nemen: ‘Sie sind hier in einer Schule des Humors, Sie sollen lachen lernen. Nun, aller höhere Humor fängt damit an, daß man die eigene Person nicht mehr ernst nimmt.’ Nog voordat Harry wat middelen neemt die hem hallucinaties geven, hoort hij in de verte al het lachen van de ‘onsterfelijken’. Hij kan de lach niet helemaal duiden en begrijpen; ‘Irgendwo, in einer unbestimmbaren Ferne und Höhe, hörte ich ein Gelächter klingen, ein ungemein helles und frohes, dennoch schauerliches und fremdes Gelächter, ein Lachen wie aus Kristall und Eis, hell und strahlend, aber kalt und unerbittlich.’ Hij begrijpt het niet meer waarom hem deze lach en dit lachen zo bekend voorkomt. Komt hij terug bij zichzelf? Bij een eerdere lach bijvoorbeeld in zijn gedicht ‘Die Unsterblichen’ waarin de fraaie typische Hesse zin staat: ‘Kühl und wandellos ist unser ewiges Sein, Kühl und sternhell unser ewiges Lachen.’ (Een zin die weer voortborduurt op uitspraken van Goethe en waar Stephanie Bergold in haar studie ‘Das west-östliche Lebensprinzip in Hermann Hesses Werk’ op wijst, een boek dat de westerse en oosterse werelden in het werk van Hesse overigens zeer boeiend laat zien!).

De humor en het lachen dus. De verbeelding gaat aan het werk wanneer je die menselijke eigenschap op z’n Nietzscheaans loslaat op het goddelijke en het alles relativerende en dus ook dat van de waarheidszoekende filosoof met een grote korrel zout neemt: ‘Und gesetzt, das auch Götter philosophiren, wozu mich mancher Schluss schon gedrängt hat – , so zweifle ich nicht, dass sie dabei auch auf eine übermenschliche und neue Weise zu lachen wissen – und auf Unkosten aller ernsten Dinge!’

Hoe het verhaal van de zoekende wolf verder loopt en afloopt…? The proof of the pudding is in the eating! Hermann Hesse heeft in ieder geval de dichotomie inclusief die van zichzelf, tijdloos verwoord in een boek dat al menig student en adolescent na aandachtig lezen met een tevreden gevoel heeft weggezet in de boekenkast. Maar niet alleen de zoekende geest, de naar ‘Bildung’ zoekende jonge ziel, heeft met de Steppenwolf een mooi boek in handen. Ook de vijftiger of zestiger die nog eens ‘terug’ wil of zaken vast wil houden die plotseling weggeglipt leken te zijn, kan als een goedbedoelende ‘lonely wolf’ een groot levensthema voor zichzelf een nieuw gezicht geven. Hesse lezers zijn niet voor niets twintigers en zestigers, dat weten internationale uitgevers! Hesse heeft tot slot het lachen en de humor uit de werken van Nietzsche op een prachtige wijze in zijn tijdloze Steppenwolf gebracht. En hij heeft ook het lachen als ‘niedere Art’ links laten liggen om zodoende de ‘hogere’ lach en humor zoals Nietzsche die in zijn werken verweven heeft, een prachtig gezicht gegeven, het gezicht ook van de zelfspot die er idealiter voor zorgt dat we elke dag als een steppenwolf ons eigen handelen niet al te serieus nemen wanneer we luisteren naar onze natuur en onze geest. Dat brengt me bij een afsluitende retorische vraag: welk Nietzsche citaat maakt menig ‘filosoof’ niet echt blij? ‘Über sich selber lachen, wie man lachen müsste, um aus der ganzen Wahrheit heraus zu lachen, – dazu hatten bisher die Besten nicht genug Wahrheitssinn und die Begabtesten viel zu wenig Genie! Es gibt vielleicht auch für das Lachen noch eine Zukunft!’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *