‘Oh Mensch! Gib Acht!’

‘Oh Mensch! Gib Acht!’

Vandaag, de derde donderdag van november is volgens de website ‘fijnedagvan’ een dag om eens ‘totally flabbergasted’ te worden. Ik citeer: ‘het is namelijk Wereld Filosofiedag, opgericht door UNESCO ‘om te reflecteren op het reflecteren’. Filosofie is de eeuwenoude kunst van het nadenken, en dat is toch wat ons onderscheid van de apen, dus nobel. Op Wereld Filosofiedag mogen dus alle groten (en minder groten) der aarde bij elkaar komen om te brainstormen over de zin van het bestaan, het bewijs dat er een God is en of er nou echt leven op die puntjes in de hemel kan zijn. Plus, zegt UNESCO, filosofie helpt het stimuleren van alles wat een maatschappij nodig heeft; democratie, vrijheid, welvaart en geluk.’ Dat zijn grote woorden die op zich al weer wat reflectie vragen want het voelt voor mij persoonlijk al weer wat wetenschappelijk aan. Precies zoals ik ‘filosofie’ en ‘filosofen’ in de samenleving vaker tegenkom; een samenraapsel van kennis en kenners.

Hoe dan ook, het ontspannen programma ‘De Klassieken’ van Radio 4 besteedde vandaag op een alleraardigste manier aandacht aan de brug tussen muziek en reflectie, een benadering die mij persoonlijk meer aanspreekt dan de vraag of er misschien leven op andere planeten is. En om dat te onderstrepen reageerde ik op een oproep van presentator Ab Nieuwdorp om muzikale suggesties te geven waarbij reflecteren en filosoferen een bijzondere plek krijgt. De berg aan muzikale klanken is enorm maar toch, is het voor mij niet altijd weer die ene componist die tonen en melodieën heeft voortgebracht waarbij ik steeds weer het gevoel krijg dat het iets allesomvattends heeft? Waarbij je het gevoel krijgt dat wanneer alles gedacht en gezegd is er alleen nog stilte overblijft die gevuld kan worden met deze muziek? De enige muzikale werken die mij de concentratie voor een andere bezigheid meestal ontneemt? Die componist wilde ik graag noemen op deze Internationale Dag van de Filosofie: Gustav Mahler.

Binnen zijn repertoire aan grootse symfonieën is er veel aan te tippen waarbij de ratio even lijkt los te raken van de grond en je meegenomen wordt in een alpenwei vol bloemen of een naar eigen verbeelding in te vullen maar altijd ontzagwekkend en tijdloos panorama. Reflectie en beschouwing die zich van de meest subtiele triangelklank naar een overdonderende Turkse trom kunnen ontwikkelen. Ik koos vandaag, hoe kan het ook anders, voor het vierde deel van de derde symfonie. Een symfonie in D mineur die me al jaren onder de huid gaat zitten. Hoe kan het ook anders wanneer daar ineens Nietzsche verschijnt, en wel met zijn ‘Mitternachtslied’ uit zijn Zarathustra. De redactie van De Klassieken koos deze inzending waardoor ik mijn autorit later in de ochtend met hetzelfde gevoel als bovenstaand kon voortzetten; als alles gezegd is rest ons alleen nog zwijgen en luisteren….

Mahler voltooide na lange arbeid in 1896 zijn derde symfonie in zijn “Komponierhäuschen” in Steinbach am Attersee. Hij had zichzelf de grote opgave gesteld een muzikaal stuk te schrijven waarin een totale kosmologie van alle materie en leven terug te vinden zou zijn. Een muzikale uitdaging waarin plaats is voor planten, dieren, mensen en engelen, tot aan een goddelijke liefde in iets hemels. Zijn eerste deel begint ongebruikelijk met acht hoornblazers die een thema laten horen dat ergens het midden houdt tussen een mars en een volkslied; niet vrolijk maar ook niet treurig. Alsof hij iets van het leven voor de menselijke invulling van het leven wil laten horen. Een klank over de koude steppen en menig bergmassief voordat de mens zijn intrede deed. Iets wat ook weer terug te horen is in de finale van zijn zesde symfonie. Hoe dan ook, hier begint een stuk muziek dat alle grenzen voorbij gaat, je voelt dat het gaat komen. Ik herinner me dan zijn eigen uitspraak ‘Symfonie heißt mir eben: mit allen Mitteln des vorhandenen Technik eine Welt aufbauen.’ Ook de tijdsduur verlegt grenzen want een gemiddelde uitvoering ligt toch altijd tussen de 90 en 100 minuten. Ook met de bezetting worden grenzen overschreden; een zeer groot orkest, een solo altstem en zowel een vrouwen- als een kinderkoor. Ga er maar aan staan. Niet voor niets dat deze derde niet zo heel vaak wordt uitgevoerd en ook qua opnametechniek voor de technici een uitdaging betekent. De symfonie kent ook maar liefst zes delen die samen zeer veel stijlen van klanken in zich huizen variërend van eenvoudige en lieflijke volksliedachtige tonen tot een –voor Mahler kenmerkende- blaasmuziek die veel aan een mars doet denken.

Mahler sprak en schreef in vergelijk met zijn andere symfonieën veel over zijn derde. Het allesomvattende karakter van het totale werk hield hem veel bezig. Zijn oorspronkelijke plan was ook om de zes delen verschillende titels mee te geven waarbij het eerste deel zou hebben geheten: “Pan erwacht. Der Sommer marschiert ein” gevolgd door “Was mir die Blumen auf den Wiesen erzählen”, “Was mir die Tiere im Walde erzählen”, “Was mir der Mensch erzählt”, “Was mir die Engel erzählen” en tot slot “Was mir die Liebe erzählt”. Hij heeft het uiteindelijk niet gedaan maar de titels geven nog steeds weer wat je in de verschillende delen kunt terug horen.

In het eerste en meer dan een half uur durende deel (Kräftig/Entschieden) geeft Mahler uiting aan de ruwe onbewoonde materie. De zomer die langzaam ‘hereinmarschiert” geeft langzaam kleur, licht en warmte. In het tweede deel (Tempo di menuetto/Sehr Mäßig) komt het leven aan de beurt en wel in de metafoor van de bloemen. “Es ist das unbekümmertste, was ich je geschrieben habe – so unbekümmert, wie nur Blumen sein können. Das schwankt und wogt alles in der Höhe, aufs leichteste und beweglichste, wie die Blumen im Winde auf biegsamen Stielen sich wiegen.” Het heeft inderdaad iets lieflijks, wat ouderwets gezelligs Oostenrijks zou ik bijna willen zeggen. Het derde deel (comodo/Scherzando/ Ohne Hast) gaat over hetgeen de dieren hem willen zeggen. Mahler nam als uitgangspunt een van zijn liederen uit “Des Knaben Wunderhorn” en wel “Ablösung im Summer” dat in deze bron begint met de woorden “Kuckuck hat sich zu Tode gefallen”. Die koekoek evenals andere dieren (zoals de ezel) horen we voorbijkomen. Soms lieflijk, soms zelfs wat agressief en niet altijd even toegankelijk of laat staan te gebruiken voor een gezellig achtergrondmuziekje. Hier laten dubbele bodems van zich horen!

En dan, het vierde deel (Sehr langsam/Misterioso). Wat een pracht en kippenvel! Hier laat Mahler de mens aan het woord en al had hij wat scepsis tegenover de filosoof Nietzsche, diens “Mitternachtslied” uit de Zarathustra drukt precies datgene uit wat de mens Mahler wil vertellen. Dit vierde deel volgt op een gevoel van paniek waarmee het derde deel afgesloten werd. Dat Mahler de intrede van de mens als iets neerzet dat een terugval naar het ijzige koude voorkomt mag als een positief wereldbeeld worden gezien. Niet helemaal aansluitend met hetgeen Zarathustra verkondigt maar het heeft beide de extase in zich dat zich voorbij het nihilisme aan het einde van de horizon aftekent. Met de komst van de mens is ook het lijden in de wereld gekomen. Althans het bewustzijn over het lijden. Een ronde altstem begint ineens zeer gedragen “Oh Mensch! Gib Acht!” te zingen. Hier voel ik de spil van deze prachtige symfonie. “Was spricht die tiefe Mitternacht?”

O Mensch! Gib acht!

Was spricht, die tiefe Mitternacht?

“Ich schlief, ich schlief -,

Aus tiefem Traum bin ich erwacht: –

Die Welt ist tief,

Und tiefer als der Tag gedacht.

Tief ist ihr Weh -,

Lust – tiefer noch als Herzeleid:

Weh spricht: Vergeh!

Doch alle Lust will Ewigkeit -,

– Will tiefe, tiefe Ewigkeit!”

De mens die niet alleen het lijden kan ervaren maar ook de blijdschap, de vreugde, het geluk! Nietzsche poogt hier ook iets van een wereldbeeld neer te zetten dat tegen het hedonische aan schuurt; ‘Alle Lust will Ewigkeit’ als drijfveer van al ons handelen, de oerstroom dat ons mensen voortdrijft.

In het vijfde deel (Lustig im Tempo und keck im Ausdruck) zijn we bij de engelen aanbeland. De solostem keert hier nog een keer terug en zonder een al te droevige toonzetting kunnen we toch aanvoelen dat het daarboven bij de engelen ook niet allemaal pais en vree is. ‘Bim bam, es sungen drei Engel’ (oorspronkelijk het ‘Armer Kinder Belttlerlied’ uit des Knaben Wunderhorn). Jezus en Petrus, vrouwenkoor en de altstem, zijn met elkaar in gesprek en Petrus toont berouw om zijn zonden.

Het zesde en laatste deel zou dus oorspronkelijk “Was mir die Liebe erzählt” gaat heten. Wat hij daarmee bedoelde schreef hij aan zijn vriendin Anna von Mildenburg: “Das Motto zu diesem Satz lautet: ‘Vater, sieh an die Wunden mein! Kein Wesen lass verloren sein!’ Verstehst Du also, um was es sich da handelt? Es soll damit die Spitze und die höchste Stufe bezeichnet werden, von der aus die Welt gesehen werden kann. Ungefähr könnte ich den Satz auch nennen ‘Was mir Gott erzählt’. Und zwar eben in dem Sinne, als ja Gott nur als ‘die Liebe’ gefasst werden kann.” De prachtige delen en adagio’s (bijvoorbeeld in de vierde en de vijfde symfonie) moesten nog uit de geest en de pen van Mahler komen maar hier en nu op deze plek, bij deze afsluiting van zijn derde symfonie kun je toch wel zeggen dat Mahler zijn eerste mooie en lange adagio schreef. Het einde van dit laatste deel is naar mijn smaak een van de mooiste passages die hij überhaupt geschreven heeft. Een einde dat een innerlijke vrede behelst zoals je dat weinig in de muziek tegenkomt. Dus ik blijf er bij: wanneer alles gedacht en gezegd is, rest ons alleen nog het zwijgen en het luisteren naar de wereld, het leven, de muziek, naar bijvoorbeeld de derde symfonie van Gustav Mahler!

Een tijdloos mooie uitvoering van de derde symfonie is in mijn ogen de uitgave van Philips met de Berliner Philharmoniker onder leiding van Bernard Haitink en Jard van Nes als alt.

De link om de uitzending van De Klassieken terug te luisteren:

http://www.radio4.nl/deklassieken/uitzendingen (doorspoelen naar 2.40)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *