Nano-techniek of Dionysos?

Nano-techniek of Dionysos?

Nog wat nagenietend van een heerlijke vakantie waardoor de overweldigende pracht van de natuur mij nog op het netvlies staat, bekeek ik op deze sterfdag van Nietzsche en in een geheel andere context twee filmpjes op Youtube; een presentatie van trendwatcher en bevlogen spreker Yuri van Geest en een vragenrondje vanuit de zaal aan hem. Het centrale thema in de presentatie is de exponentiële groei van technologie die wereldwijd op ons afkomt. Yuri van Geest is o.a. partner van de zg. ‘Singularity University”, een internationale denktank en heeft als zodanig een uitermate goede kijk op de technologische trends, innovaties en maatschappelijke gevolgen die er in no-time aan staan te komen. Hij vergelijkt de afwachtende houding en de enorme kracht van de innovaties met de gigantische tsunami zoals we die van bijna 12 jaar geleden van de televisie kennen. Eerst rust en kalmte en daarna de grote klap. In die zin is zijn presentatie niet alleen een uurtje stoerdoenerij over wat er momenteel en binnenkort allemaal mogelijk is (in alle bedrijfstakken!) maar ook een zeer serieuze waarschuwing over de maatschappelijke sociale gevolgen. Als alfa-man interesseert me dat meer dan de zoveelste nano- of robotoplossing die de traditionele beta-mens ongetwijfeld meer zal prikkelen.

tsunami

Natuur en vooruitgang. De mens en zijn ontwikkeling of breder getrokken, evolutie naar een volgend stadium in de eeuwigheid. Hoe verhouden zich de ontwikkelingen tot de gedachte van Nietzsche die de vervolmaking meer op het esthetische vlak zag, de mens als kunstenaar en zichzelf steeds overwinnend? Om het wat concreter voor te kunnen stellen is de ontwikkeling van het wiel, via de mechanisering, automatisering, digitalisering tot en met de deeltjesversneller of nano-technologie te plaatsen in de wil-tot-macht gedachte van Nietzsche. De vooruitgang die voortholt als een op hol geslagen paard terwijl de koetsier nog nadenkt over de route en de morele regels die het betreden van de paden met zich meebrengt. Tegenover de techniek die zichzelf voort ontwikkelt (software die software ontwikkelt) wil ik graag de doorontwikkeling van de mens zetten die in Nietzsche’s gedachten (de Übermensch) zichzelf steeds overwint waarbij de kunst centraal staat.

Eerst dus even terug naar de esthetiek van Nietzsche. Is er in de basis gesproken wel een allesomvattend opvatting van Nietzsche over esthetiek? De vraag impliceert al een beetje het antwoord daarom beperk ik me maar tot de opvattingen over de kunsten die Nietzsche vooral in samenhang tot het mens zijn en het leven an sich beschouwde. Ook hierin doorliep hij verschillende stadia die zich vooral kenmerken door hoop en scepsis. Bekend is zijn grote hang naar de oude Grieken die via een algehele scepsis richting de kunsten (o.a. Richard Wagner) overliep naar een wil-tot-macht gedachte waar kunst het enige rotsvaste overblijfsel was nadat elk nihilisme overwonnen was. Kunst als troostende factor doordat het ons tot scheppen in staat stelt. Nietzsche komt tot zijn zogeheten “Artistenmetaphysik” dat het leven en het bestaan alleen als ‘ästhetische Phänomene’ te rechtvaardigen zijn. Complicerend in die opvatting is zijn tweeledige houding door de kunsten als hoogste levensvorm te zien maar ondertussen kunstenaars als toneelspelers en apen te beschouwen. Daarnaast is het ook hier van belang de dichter Nietzsche aan het woord te laten en goed te begrijpen dat hij niet de schilder bedoelt die een mooi schilderij creëert maar de kunstzinnige kant van de ontwikkeling van het mens-zijn hem voor ogen stond. De mens dient uit zichzelf een kunstwerk te maken door zich te (blijven) ontwikkelen en alle schijn en leugen van zich af te werpen. Nietzsche is in de context van de menselijke en wereldlijke ontwikkeling niet primair geïnteresseerd naar de functie van kunst en esthetica maar wil de oorsprong ervan kennen. Waarom scheppen wij, verstrooien wij, symboliseren wij? Wanneer religie en moraal tot de overwonnen krachten behoren plaatst Nietzsche zijn bekende goden op het toneel; Bacchus (Dionysos) en Apollo, de symbolen voor de verschillende krachten die het leven en het mens-zijn in zich dragen. Uit zijn ‘middenperiode’ van o.a. ‘Menschliches Allzumenschliches’ en ‘Die Fröhliche Wissenschaft’ stamt bijvoorbeeld zijn uitspraak uit laatstgenoemde werk: “Als ästhetisches Phänomen ist uns Dasein immer noch erträglich und durch die Kunst ist uns Auge und Hand und vor allem das gute Gewissen dazu gegeben, aus uns selber ein solches Phänomen machen zu können.”

In zijn latere fase ontwikkelt Nietzsche vanuit deze gedachte zoals boven gesteld zijn wil-tot-macht bouwwerk. De kunst is het instrument waarmee de mens als creatief en zelfscheppend wezen zichzelf steeds verder ontwikkelt en overwint. De mens heeft dat creatieve verstand nodig, de symbiose tussen creatie/schepping en reflectie.

dionysos

De kunst die ‘ja’ zegt tegen het lichaam, de fysieke levensvorm van ons mens zijn? Hier begint wel wat roes van Bacchus op te treden maar ik volg de gedachte. Zonder de zachte kant, niet de harde kant en omgekeerd en daar kom ik weer terug bij hetgeen Yuri ons voorspiegelt. De technologische ontwikkelingen komen uit onze eigen handen. Ook de robot die zelf weer software ontwikkelt is door ons kunnen, onze dwang tot scheppen ontwikkelt. Essentieel echter in deze beschouwing is de vraag of deze ontwikkeling iets zegt over ‘onze’ ontwikkeling of is het veeleer een gedrocht, een gezwel dat meegroeit? In andere geschriften en uitspraken van Nietzsche wordt het duidelijk dat zijn opvatting over kunst breed interpretabel is, ja zelfs gezien kan worden als de kracht, het middel waarmee we steeds weer opnieuw nieuwe werkelijkheden kunnen scheppen. Dus niet de idylle en de roes, maar ook de ziekte, ruzie en het lelijke.

Moeten we de techniek dan steeds weer overwinnen? Gaan we straks vredig ieder in een eigen glazen drone aangedreven door zonne-energie via eigen frequenties door het luchtruim van A naar B en is daarmee de gehele huidige milieu problematiek passé? En zijn we als rechtop lopende viervoeters met onze zintuigen dan wat verder in de tijdlijn opgeschoten? In onze behoefte elkaar aan te raken, te ervaren, te waarderen en te vertrouwen werken de zintuig-vijandelijke factoren niet mee. De techniek vervreemdt ons van onszelf en doet dat in een moordend tempo waar we bij staan. Het gebeurt omdat het kan, het paard heeft zich van zijn teugels ontdaan en galoppeert er vrolijk op los. Geen ethiek, geen esthetiek, geen wetgeving. Alle drie staan ze aan de zijlijn te kijken waar het dier naar toe rent. Gelukkig haalt Yuri van Geest het belang van sociale cohesie (bijvoorbeeld het basisinkomen) aan en onderstreept hij ook het belang om zich met culturele zaken te blijven bemoeien. Wat is zijn filosofische invalshoek? De noodzaak of de wens? Maakt de te verwachten heksenketel ons nog meer tot het meest ongedefinieerde dier dat rondloopt of herstellen de golven van de tsunami zichzelf?

Nogmaals, de technische vooruitgang past perfect in onze wil-tot-macht en levensbehoudende drijfveren. Het meest geavanceerde oorlogswapen past hoe tegenstrijdig dit mag klinken, macro-beschouwend in het arsenaal van levensbehoudende machtsfactoren. Maar wanneer de techniek ons straks aan de zijlijn heeft gezet, we de hele dag kunnen genieten van software die ons voedt, verzorgt en misschien nog wel automatisch van een stofje voorziet dat onze ‘gevoelstemperatuur’ van het leven, onze gelukervaring positief beïnvloedt, hebben we dan niet een verkeerde afslag genomen? Is het gezwel dan niet de baas geworden over de gezonde cellen en het ziekelijke de winnaar over het gezonde? En nog wezenlijker; welke moraal anders dan de Christelijke, Joodse of Islamitische of puttend uit welke andere bron zal dan vorm gaan geven aan de behoefte om zo nu en dan denken te weten waar onze existentiële bestaansgronden op gestoeld zijn? Wordt de techniek de man met een witte baard op een wolk die enigszins smalend naar beneden kijkt en aan de touwtjes trekt?

yuri-van-geest

Op de middelbare school schreef ik als ondertitel over een project dat ik had gemaakt betreffende de Wereldvoedselorganisatie (W.H.O.) de uitspraak: “met holle frasen kun je wel een conferentie vullen maar geen lege magen.” Op de een of andere wijze moet ik daaraan terugdenken terwijl ik deze woorden schrijf. We doen iets omdat we het kunnen, vervolgens doen we het niet goed omdat andere ‘lelijke’ factoren ons weerhouden i.c. politiek die de onnodige ondervoeding in stand houdt. Wat impliceert dit voor de nieuwe nano-professoren en machthebbers als Google en Microsoft? Via geavanceerde technieken kan elke vierkante kilometer optimaal bevrucht en bewaterd kunnen worden maar ook dan zal het niet overal gebeuren. Steeds meer mensen staan straks met hun Maslov-piramide onder de arm aan de zijlijn en steeds minder ontwikkelt de mensheid voor de ander dan voor het eigen veilige gebied. Een machtsvacuüm waar uiteindelijk alleen nog een enorme implosie te horen zal zijn omdat het zichzelf vernietigt. Hiermee heb ik ook verwoord wat ik op dezelfde middelbare school eens in een grafiekje tekende; op de horizontale as de tijd, op de verticale de algemene technologisch ontwikkeling. Geheel in de lijn van Yuri van Geest komt de tsunami gedachte omhoog die de verbeelding voorstelt van de meer dan exponentiële groei van de curve. Uiteindelijk zal de steeds verticalere lijn achterover dreigen te gaan hellen; crisis, oorlog maar hoe dan ook (zelf)destructie.

Daarom zoek ik in weerwil van de waarschuwing uit de presentatie van Yuri van Geest, mijn troost in het esthetische. De kunst opvattingen van Nietzsche die mij thuis houden bij het mens-zijn. Helpt techniek ons in de ontwikkeling tot zelfoverwinning? Mijn gedachten dwalen af naar de lezing van Heidegger uit 1953. In deze voordracht op de Technische Hogeschool in München staat het wezen van de techniek centraal. Hieruit een korte uitsnede:

(…) So ist denn auch das Wesen der Technik ganz und gar nichts Technisches. Wir erfahren darum niemals unsere Beziehung zum Wesen der Technik, solange wir nur das Technische vorstellen und betreiben, uns damit abfinden oder ihm ausweichen. Überall bleiben wir unfrei an die Technik gekettet, ob wir sie leidenschaftlich bejahen oder verneinen. Am ärgsten sind wir jedoch der Technik ausgeliefert, wenn wir sie als etwas Neutrales betrachten; denn diese Vorstellung, der man heute besonders gern huldigt, macht uns vollends blind gegen das Wesen der Technik. Als das Wesen von etwas gilt nach alter Lehre jenes, was etwas ist. Wir fragen nach der Technik, wenn wir fragen, was sie sei. Jedermann kennt die beiden Aussagen, die unsere Frage beantworten. Die eine sagt: Technik ist ein Mittel für Zwecke. Die andere sagt: Technik ist ein Tun des Menschen. Beide Bestimmungen der Technik gehören zusammen. Denn Zwecke setzen, die Mittel dafür beschaffen und benützen, ist ein menschliches Tun. Zu dem, was die Technik ist, gehört das Verfertigen und Benützen von Zeug, Gerät und Maschinen, gehört dieses Verfertigte und Benützte selbst, gehören die Bedürfnisse und Zwecke, denen sie dienen. Das Ganze dieser Einrichtungen ist die Technik. Sie selber ist eine Einrichtung, lateinisch gesagt: ein instrumentum. technik
Die gängige Vorstellung von der Technik, wonach sie ein Mittel ist und ein menschliches Tun, kann deshalb die instrumentale und anthropologische Bestimmung der Technik heißen. Wer wollte leugnen, daß sie richtig sei? Sie richtet sich offenkundig nach dem, was man vor Augen hat, wenn man von Technik spricht. Die instrumentale Bestimmung der Technik ist sogar so unheimlich richtig, daß sie auch noch für die moderne Technik zutrifft, von der man sonst mit einem gewissen Recht behauptet, sie sei gegenüber der älteren handwerklichen Technik etwas durchaus Anderes und darum Neues. Auch das Kraftwerk ist mit seinen Turbinen und Generatoren ein von Menschen gefertigtes Mittel zu einem von Menschen gesetzten Zweck. Auch das Raketenflugzeug, auch die Hochfrequenzmaschine sind Mittel zu Zwecken. Natürlich ist eine Radarstation weniger einfach als eine Wetterfahne. Natürlich bedarf die Verfertigung einer Hochfrequenzmaschine des Ineinandergreifens verschiedener Arbeitsgänge der technisch-industriellen Produktion. Natürlich ist eine Sägemühle in einem verlorenen Schwarzwaldtal ein primitives Mittel im Vergleich zum Wasserkraftwerk im Rheinstrom. 
Es bleibt richtig: auch die moderne Technik ist ein Mittel zu Zwecken. Darum bestimmt die instrumentale Vorstellung von der Technik jede Bemühung, den Menschen in den rechten Bezug zur Technik zu bringen. Alles liegt daran, die Technik als Mittel in der gemäßen Weise zu handhaben. Man will, wie es heißt, die Technik «geistig in die Hand bekommen». Man will sie meistern. Das Meistern-wollen wird um so dringlicher, je mehr die Technik der Herrschaft des Menschen zu entgleiten droht. Gesetzt nun aber, die Technik sei kein bloßes Mittel, wie steht es dann mit dem Willen, sie zu meistern? (…)

Dat laatste is en blijft een intrigerende vraag. En het wezen van de techniek en de kunst vor mens en mensdom waren een goede zestig jaar geleden ook al voldoende stof tot nadenken in het na-oorlogse Beieren. Heidegger sloot toen af met de volgende woorden:

Also fragend bezeugen wir den Notstand, daß wir das Wesende der Technik vor lauter Technik noch nicht erfahren, daß wir das Wesende der Kunst vor lauter Ästhetik nicht mehr bewahren. Je fragender wir jedoch das Wesen der Technik bedenken, um so geheimnisvoller wird das Wesen der Kunst. Je mehr wir uns der Gefahr nähern, um so heller beginnen die Wege ins Rettende zu leuchten, um so fragender werden wir. Denn das Fragen ist die Frömmigkeit des Denkens.

Laat techniek de mens ter dienst zijn en niet andersom. Is het toeval dat ik drie jaar geleden in mijn introtekst (zie: over mij) een situatie  na een tsunami dagdromend voorstelde, een verzonnen tsunami in Bergen (N.H.)…?

Besproken filmpjes:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *