Een nieuwe vrolijke wetenschap!

Een nieuwe vrolijke wetenschap!

Dankzij Uitgeverij Vantilt, de vertalers Hans Driessen en Ard Posthuma, en Nietzsche kenner Paul van Tongeren, is na de laatste Nederlandse vertaling van 15 jaar terug weer een nieuwe ‘la gaya scienza’ verschenen. Een vrolijke wetenschap op zich! Volgens de achterflaptekst is het boek het sluitstuk van Nietzsches jaren als vrije geest en een sleutelwerk in diens totale oeuvre. Dit werk van Friedrich Nietzsche heeft over de hele wereld inderdaad al miljoenen lezers op het spoor gebracht van aforismen die nogal van de gebaande paden afleiden. Ze hebben her en der een tijdloze kracht en bestrijken een breed spectrum aan onderwerpen waardoor ook de lezer van nu en de toekomst, de ‘hamer’ van Nietzsche kan ervaren. Bovendien heeft het boek een scharnierfunctie in het werk van de creatieve denker omdat alle grote gedachten uit zijn diverse werken zich hier aandienen en het voor de geïnteresseerde lezer de ideale entree is voor Nietzsche. Alle reden dus om deze nieuwe en frisse vertaling her en der onder het vergrootglas te leggen. Maar ook om de verschijning van het boek zelf nog even in historisch perspectief te plaatsen.

Een kleine 136 jaar geleden koos uitgever Ernst Schmeitzner in Chemnitz bij de eerste uitgave van ‘Die Fröhliche Wissenschaft’, voor het omslag de volgende tekst: ‘Mit diesem Buche kommt eine Reihe von Schriften Friedrich Nietzsche’s zum Abschluss, deren gemeinsamen Ziel ist, ein neues Bild und Ideal des Freigeistes aufzustellen. In dieser Reihe gehören: Menschliches, Allzumenschliches – mit Anhang: vermischte Meinungen und Sprüche, der Wanderer und sein Schatten, Morgenröthe – Gedanken über die moralischen Vorurteile, Die fröhliche Wissenschaft.’ Ook Nietzsche zelf ziet het als een afsluiting van zes jaren ‘Freigeisterei’ zoals hij het aan zijn grote liefde van die tijd, Lou Salomé, in een brief vanuit Tautenburg in Thüringen aan haar verwoord: ‘Oh welche Jahre! Welche Qualen aller Art, welche Vereinsamungen und Lebensüberdrüsse (…).’

Genua eind 19e eeuw

De jaren 1876 tot 1882 waren inderdaad productieve jaren voor Nietzsche. In 1880 was zijn tweede deel van ‘Menschliches, Allzumenschliches’ verschenen en een jaar later was daar al zijn aforismenbundel ‘Morgenröthe’. Brieven uit 1882 laten ook zien hoe hij de teksten voor zijn Vrolijke Wetenschap in eerste instantie heeft bedacht als een vervolg op ‘Morgenröthe’, als een deel twee zoals ‘Menschliches, Allzumenschliches’ dat ook had gekregen. Hij schrijft o.a. aan zijn steun en toeverlaat Peter Gast (pseudoniem voor Heinrich Köselitz) ‘…Denn Buch 9 und 10 will ich mich für den nächsten Winter vorbehalten, – ich bin noch nicht reif genug für die elementaren Gedanken, die ich in diesen Schluß-Büchern darstellen will. Ein Gedanke ist darunter, der in der That, ‘Jahrtausende’ braucht, um etwas zu werden. Woher nehme ich den Muth, ihn auszusprechen!’

Bij het schrijven van wat later boek vier in de uitgave zal worden, is het optimisme van Nietzsche groot en hij verwelkomt het nieuwe jaar 1882 dan ook met het bekende gedicht ‘Sanctus Januarius’ aangezien deze eerste maand van het nieuwe jaar volgens hem de mooiste van alle januari maanden was. Zijn eigen conditie was in die periode doorgaans wat beter en in de lofprijzing van de eerste maand van het jaar ook een wezenlijke factor. Wanneer je het positivisme verder volgt kom je bij de oorsprong van zijn vrolijke titel en de wens om wat luchtigheid in zijn teksten te krijgen. Het ‘amor fati’ deed zijn intrede, voorbij het nihilisme het leven ‘bejahen’ en, zoals hij zelf zegt, ooit nog eens iemand willen zijn die alleen ‘ja’ tegen het leven zegt. Die vrolijkheid had hij bij de ‘gai saber’, de gaya scienza van de Provencaalse troubadours gevonden. Toch wordt die ondertitel ‘la gaya scienza’ pas bij de tweede druk in 1887 (Fritsch in Leipzig) aan de boektitel toegevoegd. Overigens komt het begrip al wel in 1882 ergens anders in zijn ‘Nachlaß’ voor en ook in een brief aan zijn vriend Erwin Rohde die hij begin december 1882 vanuit Rapallo verstuurd refereert hij hier aan: ‘Was den Titel ‘fröhliche Wissenschaft’ betrifft, so habe ich nur an die gaya scienza der Troubadours gedacht – daher auch die Verschen.’ Was het de dichtkunst van deze rondtrekkende ridders die de liefde op afstand bezongen? Pas in het in 1887 toegevoegde vijfde deel met de ondertitel ‘wir Furchtlosen’ en het aanhangsel ‘Lieder des Prinzen Vogelfrei’, (gedichten uit verschillende periodes tussen 1882 en 1884) komen we in het laatste gedicht (‘An den Mistral’) een verdwaalde troubadour tegen: ‘Tanzen wir gleich Troubadouren/Zwischen Heilgen und Huren,/Zwischen Gott und Welt den Tanz!

Deze sporadische verwijzing geldt ook voor de titel van het boek zelf want goed beschouwd komt deze slechts één keer voor en wel in het voorwoord. Daarna komen we zijn strekking van de zogeheten ‘vrolijkheid’ van de wetenschap niet meer letterlijk tegen maar in allerlei andere verwijzingen uit die tijd meer dan genoeg. Ook in andere teksten kennen we de link die Nietzsche wenst te leggen tussen enerzijds de ernst van de filosofie en anderzijds de humor, de lach, de roes van zijn god Dionysus en zijn gedachte dat misschien ergens in een verre toekomst de wijsheid zich met het lachen zal verenigen. De verbinding van iets nieuws aan iets ‘lichts’ is wellicht een uiting van zijn wens om af te rekenen met het zware Pruisische en academische milieu. In een oude na-oorlogse Engelse en Spaanse vertaling las ik in de flaptekst eens hoe die behoefte niet alleen lichtvoetigheid en een anti-academisch sentiment behelst maar ook vooral anti-Duits zou moeten zijn. Een synopsis met wellicht weer een andere connotatie. Misschien ook een wat simpele voorstelling van zaken en is het meer de bedoeling van Nietzsche geweest om zijn euforie over de wolkeloze zuidelijke sferen uit te drukken die hem geen druk vanuit welk Duits of academisch milieu gaf? Of is het misschien wel de titel die hij eigenlijk bij de eerste druk al aan het boek had willen geven en uiteindelijk niet heeft gedurfd? Een titel die voortkomt uit de behoefte meer vanuit passie en hartstocht te denken en de filosofie niet te bedrijven onder die academisch verstikkende deken die op geplaveide paden lopend afrekent op kennis en publicatiedwang (zie hiervoor ook zijn voordrachten ‘Über die Zukunft unserer Bildungsanstalten’ uit 1872). Maar ook om vanuit kracht te denken, vanuit het innerlijke zelf en voorbij aan de ingefluisterde christelijke moraal. Een aristocratische en ridderlijke gedachte die Nietzsche wellicht terugzag bij die oude Provencaalse ‘gay saber’ uit de 12e en 13e eeuw. De toevoegingen in de tweede editie bestaan uit materiaal dat volgens Nietzsches eigen uitleg aan uitgever Fritsch in de eerste editie niet meegekomen zijn in verband met zijn gezondheidstoestand. Hij ziet de toevoeging als een zeer ‘inhaltsreiche’ aanvulling en meent ook dat het totale boek er nóg interessanter en aantrekkelijker door wordt. In een brief aan Peter Gast van 13 februari in 1887 lezen we een volledig andere argumentatie wanneer hij zijn vriend die met de correctiewerkzaamheden helpt, uitlegt dat de toevoeging bedoeld is om meer balans te krijgen met de vorige uitgave ‘Morgenröthe’ en hij er daarom nog was ‘hinzugekritselt’ heeft. Een valse bescheidenheid want wanneer je de toevoegingen leest geven deze niet de indruk dat hij er maar wat bij heeft gekrabbeld. Over de toevoeging heeft hij ook nog een misverstand met zijn uitgever omdat de correctieproeven met dezelfde paginanummers zijn voorzien als de laatste uit de eerste druk. Er is abusievelijk niet doorgenummerd maar Nietzsche ziet het als een signaal van Fritsch dat het vijfde deel alleen opgenomen wordt indien andere pagina’s komen te vervallen. Het brengt hem aan het twijfelen of hij dit vijfde deel niet beter kan bewaren voor ‘Jenseits von Gute und Böse’ hetgeen hij verwoordt in een brief aan Peter Gast van 7 maart 1887: ‘Lieber Freund, soeben empfing ich, dankbar Ihrer Hilfe eingedenk, die Korrektur der »Lieder« – das ist die letzte Korrektur, es freut mich dies Ihnen melden zu können. Mit dem »fünften Buche«, dessen Manuskript seit mehreren Monaten in Fritzschens Händen ist und dessen Drucklegung ich selber zu bezahlen gewillt war, scheint besagter Leipziger wenig einverstanden. Genug, wir lassen es vor der Hand ungedruckt; vielleicht gehört es seinem Tone und Inhalte nach überdies mehr zu »Jenseits von G. u. B.« und dürfte diesem Werke bei einer zweiten Auflage einverleibt werden –, mit mehr Recht, wie mir jetzt scheint als jener Fröhlichen Wissenschaft: so daß zuletzt hinter dem Widerstreben des Verlegers ein »höherer Sinn«, ein Stück blauen Himmels von Vernünftigkeit sichtbar wird.’

De beide uitgaven

Peter Gast

Bij de eerste uitgave in 1882 doorliep het manuscript niet het tempo van redigeren en corrigeren zoals Nietzsche dat voorstond. Peter Gast is bij deze eerste uitgave niet direct zijn steun en toeverlaat zoals bij publicaties hiervoor wel vaak het geval was. Het is zijn zuster Elisabeth die in samenwerking met een failliete handelsman voor de optekening van de vele aforismen zorgdraagt. In brieven uit die tijd spreekt overduidelijk het ongeduld en de beproeving die Nietzsche ondervindt om het redactiewerk aan anderen dan aan Gast toe te vertrouwen. Het is voor hem een ‘Thierquälerei’ waarbij hij richting Lou Salomé zelfs laat ontvallen dat het manuscript gereed is dankzij de ‘grootste ezels aller tijden’, daarbij doelend op de koopman uit Naumburg en diens samenwerking met Nietzsches zuster. Peter Gast komt later weer in beeld en Nietzsche houdt het tempo erin. Wanneer een drukvel voor druk vrijgegeven is vraagt hij de drukker ook direct dat vel te drukken; ‘ich bitte dringend darum, daß der Druck bei Teubner sofort beginnt.’ Menigeen krijgt na het verschijnen van het boek een exemplaar toegestuurd. De gehoopte positieve reacties van zijn vrienden blijven echter uit en de verkoopaantallen blijven evenals bij zijn vorige boeken zeer laag. Hij laat zijn intimi weten dat hij vooralsnog een paar jaren geen boeken meer zal schrijven en de ‘Fröhliche Wissenschaft’ het laatste boek van een drukke periode is. ‘Die Summe meiner Existenz-Bedingungen’ schrijft hij aan vriend Paul Rée. Maar deze ‘Summe” geeft hem een tegenvaller van de eerste orde; slechts 1000 exemplaren worden gedrukt en de uitgever blijft zelfs dan nog met 800 exemplaren zitten. Schmeitzer eist maar liefst 12.500 Mark om van de restanten af te komen… Pas in augustus 1886 komt het tot een deal tussen de nieuwe uitgever Fritsch (waar Nietzsche de eerste uitgave van ‘Der Geburt der Tragödie’ had laten verschijnen) en Schmeitzer. De restanten worden door Fritsch opgekocht. De boeken ‘Jenseits von Gut und Böse’, ‘Der Geburt der Tragödie’ en ‘Menschliches Allzumenschliches’ verschijnen in een nieuwe druk, dat wil zeggen, ze verschijnen met een nieuw omslag of ander voorwoord hetgeen Nietzsche in een brief aan Gast als ‘alte Bücher in neue Kleider’ betitelt. De nieuwe voorwoordteksten dienen de boeken ‘Flügel’ te geven opdat er meer exemplaren verkocht gaan worden. Het kan volgens Nietzsche niet aan de inhoud liggen. De drukproeven voor de tweede editie van ‘Die Fröhliche Wissenschaft’ gaan hem opnieuw niet snel genoeg. Hij bezwaart zich hierover bij zijn uitgever en ook in zijn brieven uit die periode komen we met enige regelmaat zijn verzuchting tegen dat het allemaal maar niet wil vlotten. Er is ook wat discussie over de indeling van het boek want het laatste aforisme van het vierde deel zou heel mooi aansluiten op de Zarathustra die in het aforisme ‘incipit Tragödia’ al wordt aangekondigd en bijna dezelfde tekst behelst.

Het geduld van Nietzsche wordt op de proef gesteld maar uiteindelijk kan hij op 22 juni 1887 aan Peter Gast meedelen dat de nieuwe edities van ‘Morgenröthe’ en ‘Die fröhliche Wissenschaft’ zijn gearriveerd. De toevoeging van het extra deel had Nietzsche persoonlijk 182 Mark gekost. Geen nieuwe drukken dus maar bestaande boeken uit het magazijn voorzien van een extra deel (overigens is een exemplaar van deze tweede druk met een handgeschreven aantekening van Nietzsche bewaard gebleven). Hij was overtuigd van de kwaliteit en hoopte met dit boek in de hand en verlost van zijn eerste uitgever -die hij de slechte verkoopaantallen verweet- nu eindelijk door te breken naar een groter publiek. Helaas was de werkelijkheid opnieuw een groot echec. De teleurstelling was groter dan alleen de reikwijdte van dit boek. Ook de herdrukken van ‘Menschliches Allzumenschliches’, ‘Jenseits von Gute und Böse’ en de ‘Geburt der Tragödie’, geven zeer minimale verkoopaantallen. De resonantie in academische kringen is klein en waar deze er al is klinkt deze maar al te vaak niet bepaald enthousiast. Al waren het dan oorspronkelijk werken die door middel van een ander omslag of voorwoord een nieuwe impuls in de verkoop moesten krijgen, het bleef commercieel gezien een flop voor de uitgever. Aan Overbeck uit Nietzsche zijn onbegrip: ‘…es handle sich um die beste Prosa die ich bisher geschrieben habe.’ En in een brief aan Gast van 9 december 1888, dus niet lang meer voor zijn geestelijke ineenstorting, roemt hij nog een keer het vijfde deel van zijn Fröhliche Wissenschaft: ‘Ich habe alles sehr gut gemacht, aber nie einen Begriff davon gehabt, im Gegentheil! …Zum Beispiel die diversen Vorreden, das fünfte Buch ‘gaya scienza’ – Teufel, was steckt da drin!’ Maar zoals al gezegd, het bleef muisstil om hem heen. Zoals bij menig kunstenaar kwam ook de grootsheid van deze denker en filosofische woordkunstenaar pas veel later aan het licht…

De nieuwe vertaling

Nietzsche vertalen is bepaald geen sinecure. In zijn schrift toont Nietzsche zich evenals in zijn gedachten vaak als een onneembare berg met duistere paden. Dan weer schrijven, dan weer typen op zijn bijzondere bolle typmachine, dan weer dicteren aan een goede vriend en steeds opnieuw met een rijke variëteit aan interpunctie en gedachtestreepjes die diverse pauzes inleiden. Want waar ik al vaker over schreef en Paul van Tongeren in zijn nawoord ook opwijst is het belang van langzaam lezen en vooral het belang om de gedachten en de gelezen woorden als een rund te herkauwen. Voor de vertaler ook een bijzondere uitdaging! Om een mooi contrast te krijgen heb ik de uitgave van 1978 (Arbeiderspers) die door Pé Hawinkels in 1976 is vertaald naast deze laatste gelegd. Een brug van meer dan veertig jaar waarbij ik de herziene uitgave van 2003 (Arbeiderspers) toen vertaler Hans Driessen de vertaling van Hawinkels al onder handen nam, er soms als tussenstation naast leg. Pé Hawinkels, in 1977 nog geen 35 jaar jong en 8 dagen na zijn fatale hartaanval achter zijn bureau aangetroffen, had al het nodige vanuit het Duits vertaald zoals Thomas Mann, Fontane, Hoffmann en ook Nietzsche. Maar ook nu, 2018 sta ik stil bij het overlijden van Hans Driessen op 6 september 2017. Hij mocht ook niet echt oud worden na een werkzaam leven met prachtige vertalingen van o.a. Nietzsche, Schopenhauer, Sloterdijk en Thomas Mann. Hij heeft aan deze laatste Nietzsche vertaling zo lang als het ging zijn medewerking verleend. De gedichten nam Ard Posthuma (vertaalde o.a. Faust van Goethe) voor zijn rekening en Paul van Tongeren (em. hoogleraar wijsgerige ethiek en voorloper in het Nederlandse Nietzsche onderzoek, zie ook www.friedrichnietzsche.nl/nietzsche-kenners), heeft het boek zowel van een fraai nawoord voorzien als ook samen met Michel Melenhorst de eindredactie over deze laatste welkome vertaling gevoerd. Een eerste indruk: eigentijdser, toegankelijker en sprankelend. De eerste zin in het voorwoord loopt direct iets soepeler dan die uit 1978. Veertig jaar ontwikkeling in taal laat zich direct zien en voelen. ‘Van node’ is natuurlijk ‘nodig’. Een verjonging die je eigenlijk door de gehele uitgave terugvindt. Doorgaans met zorgvuldige afwegingen tussen enerzijds de essentie van de brontekst en anderzijds een hedendaags taalgebruik zonder in een overdreven populaire stijl te raken. Een hele uitdaging want Nietzsche betekent ook literaire spitsvondigheden, verrassende rijmwoorden en humor. Laten we eens een paar aforismen onder de loupe nemen. De bekende eerste in het derde boek (108) spreekt nu over een ‘reusachtige’ schaduw waar Hawinkels over ‘enorme’ spreekt. Gezien het origineel ‘ungeheuren’ en het onderwerp is hier reusachtig in de betekenis van groot en immens beter op zijn plaats, al zal met enorm zeer zeker enorm groot zijn bedoeld. Aforisme 109 heeft direct een verbetering; ‘Hüten wir uns’ was ooit ‘wachten wij ons ervoor’ (een bijzonder Germanisme) maar is nu ‘laten we ervoor opassen’. Uiteraard is het interessant om het bekende aforisme 125 nader te bekijken. ‘Der tolle Mensch’ was in 1976 en 2003 nog ‘de dolle mens’ de naam waarmee we dit aforisme kennen. Maar nu heet de persoon ‘de krankzinnige man’. Hier moet ik toch wel even aan wennen. Voor mij is een ‘toller Mensch’ wat actiever dan een krankzinnige (irrsinnig). Gefühlsache? De openingszin; ‘habt ihr nicht von jenem tollen Menschen gehört (…)’ was in 1976 ‘Hebt gij niet gehoord van die dolle mens’, in 2003 ‘Hebben jullie niet gehoord van die dolle mens’, een verbetering door het zoals bedoeld in meervoud te laten, en klinkt nu ‘hebben jullie nooit gehoord van die krankzinnige man’, hier wordt ‘niet’ ineens ‘nooit’. Komt het door de groter wordende afstand in tijd dat Driessen hier voor ‘nooit’ heeft gekozen? Het kan en raakt evengoed de essentie maar de versie van 2003 blijft evenzogoed prima. De man blijft God zoeken, dat is evident. ‘Was thaten wir (…) wordt nu terecht ‘wat deden wij’ een correctie op 1976 en 2003 waar het in de voltooide vorm ‘wat hebben wij gedaan’ werd vertaald. Verderop wordt ‘reinigen’ nu ‘schoonspoelen’ en ‘diess ungeheure Ereigniss’ heeft zich ontwikkeld van ‘dit ongeloolijke gebeuren’ (1976) via ‘deze ongelooflijke gebeurtenis’ (2003) tot ‘deze kolossale gebeurtenis’ in deze nieuwe uitgave. Voor de dolle of krankzinnige man was het een gebeurtenis met een enorme reikwijdte, met een grote impact. Kolossaal heeft voor mij een associatie die meer fysiek groot behelst, al hoor je de uitdrukking wel eens voorbij komen wanneer men over groot of groots spreekt. Maar waarom niet ‘immens’? ‘Kolosaal’ treft wel meer de essentie dan ‘ongelooflijk’ dus de aanpassing is wel een verbetering te noemen. In de laatste zin is ‘zijn’ gewijzigd in ‘betekenen’ hetgeen beter aansluit bij deze tijd, immers de vraag wat de kerk betekent is een wezenlijk andere vraag dan wat de kerk is.

Sanctus Januarius

Zoals bovenstaand al gememoreerd opent het vierde boek met het korte gedicht ‘Sanctus Januarius’. Het is een eerste beeldspraak waarin Nietzsche zijn ontdooiende gevoel in het zuiden tot uiting brengt. Weg van zijn vorige academische leven, weg van Schopenhauer en Wagner, dichter bij Goethe en op weg een ja-zeggende filosoof te worden die het nihilisme overstegen heeft. Paul van Tongeren geeft het in zijn uitgebreide nawoord ook nog een mooie plek. Maar hoe is de vertaling? Eerst maar eens de woorden van Nietzsche zelf:

‘Der du mit dem Flammenspeere

Meiner Seele Eis zertheilt,

Dass sie brausend nun zum Meere

Ihrer höchsten Hoffnung eilt:

Heller stets und stets gesunder,

Frei im liebevollsten Muss: –

Also preist sie deine Wunder,

Schönster Januarius!’

Een boodschap op rijm en een uitdaging voor de vertaler. Hawinkels vertaalde ruim 40 jaar terug:

‘Gij die met uw vlammenspeer

Het ijs van mijne ziel versmelt,

Zodat zij bruisend naar de zee

Van hare hoogste hope snelt:

Steeds helderder en steeds gezonder,

Vrij, en door haar moeten teer gekust,

Zo prijst zij liefdevol uw wonder,

O schoonste Januarius!’

En hoe treffen we deze mooie eerste maand van het jaar in 2018 aan?

‘Jij die met je lans van vlammen

mijn bevroren ziel vergruist,

die nu kolkend van verlangen

op een zee van hoop af bruist,

helderder en steeds gezonder,

vrij door liefderijke dwang –

Januarius, jouw wonder

Zij geprezen, levenslang!’

Beide vertalingen weten de boodschap van Nietzsche vast te houden. Het rijm is nu wat mooier mede door de dichterlijke vrijheid dat ‘iets ergens op af kan bruisen’. ‘Vrij door liefderijke dwang’ zou naar mijn gevoel nog dichter bij het origineel komen door het als ’Vrij in liefderijke dwang’ te vertalen. ‘De grootste gebeurtenis uit het recente verleden’ is nu gewijzigd in ‘de grootste recentere gebeurtenis’. We hebben het over de eerste zin uit aforisme 343 waar het vijfde boek mee opent. Heeft deze wijziging meerwaarde? Had naar mijn mening ongewijzigd kunnen blijven staan. ‘Argwaan’ is ‘wantrouwen’ geworden, had ook zo kunnen blijven maar de zin zelf loopt nu wel beter immers ‘sterk genoeg is en verfijnd genoeg’ (dubbel genoeg) is nu ‘sterk en verfijnd genoeg’. Eenvoudige aanpassingen die de tekst zoveel fijner lezend maken. ‘In der Hauptsache’ was ooit ‘in hoofdzaak echter’ en nu ‘in essentie’, een vertaling die –eveneens de essentie- beter raakt. ‘Raadselraders’ heten nu ‘raadseloplossers’, ‘morgenrood’ werd ‘ochtendgloren’ en ‘eindelijk ligt de horizon weer voor ons open’ is gewijzigd in ‘eindelijk lijkt ons de horizon weer vrij’ (‘endlich erscheint uns der Horizont wieder frei…’). Veel is natuurlijk ook een ‘Geschmacksache’.

Liederen van prins Vogelvrij

de “writing-ball’

In 1884 herschrijft Nietzsche zes van de acht ‘Idyllen aus Messina’ die hij in 1882 al had geschreven op de fraaie Deense typemachine die hij van zijn zuster in februari van dat jaar had ontvangen. De titel verraadt zijn hang naar een ‘vogelvrijheid’, voorbij de ernst en het nihilisme van de soms zware academische en statische filosofie die in de ‘Bildungsanstalten’ wordt gedoceerd. Hier zien we Nietzsche duidelijk in zijn wens zich te bevrijden van het juk van een denksyteem waarin hij horizonnen wenst te verleggen en geen volgers vraagt maar het tegenovergestelde uit in zijn uitspraak; ‘nur wer sich wandelt, bleibt mit mir verwandt’. De vaak wolkeloze atmosfeer die de luchten van Genua kenmerkt inspireert hem in zijn teksten en niet voor niets heet een van deze veertien zuidelijke gedichten dan ook ‘Im Süden’. Als voorbeeld van poëtische vertaalkunst laat ik aan de hand van enkele zinnen graag zien hoe ooit Pé Hawinkels wat statischer en nu Ard Posthuma wat toegankelijker in hun eigen vogelvrije aanvliegroute dit gedicht hebben vertaald. De eerste strofe (de rijmvorm is steeds abaab) luidt;

So häng’ ich denn auf krummem Aste

Und schaukle meine Müdigkeit.

Ein Vogel lud mich her zu Gaste,

Ein Vogelnest ist’s, drin ich raste.

Wo bin ich doch? Ach, weit! Ach, weit!

Pé Hawinkels:

Hier hang ik aan een kromme tak

En schommel mijn vermoeidheid weg.

Een vogel gaf mij onderdak,

Een vogelnest: een groot gemak

Waar ben ik toch? Ver weg! Ver weg!

Ard Posthuma:

Een vogel vroeg mij te logeren,

op kromme tak, zijn nest mijn thuis.

Veilig gewiegd in nieuwe veren

kan hier mijn geest in rust verkeren.

Waar hang ik uit? Ach ver van huis!

De aanpak van Posthuma laat direct in deze eerste strofe zien dat hij zichzelf wat meer vrijheid heeft gegund zonder de esssentie van het origineel uit het oog te verliezen. Bovendien verlaat hij de stijl van Nietzsche die elke nieuwe regel met een hoofdletter liet beginnen. De weeklaag van de laatste zin blijft in beide vertalingen overeind. Maar soms blijft Posthuma nog mooier bij het origineel zoals verderop: ‘Das weisse Meer liegt eingeschlafen’ blijft nu ook ‘ligt ingeslapen’ in plaats van ‘is ingeslapen’. In de vierde strofe lijkt de laatste zin weggevallen; ‘Zu neuem Leben, neuem Spiel’ is niet vertaald en we missen de vijfde regel waar met groot gemak ‘voor een nieuw leven, een nieuw spel…’ had kunnen staan. Misschien een kleine zetfout en niet des vertalers? Ook de voorlaatste strofe is met nieuwe frisheid naar het Nederlands vertaald waarbij die van Hawinkels evenwel niet minder de essentie raakt. Echter, ‘Lief en ondeugend vogelbroed’ zoals het er nu staat klinkt onmiskenbaar poëtischer dan ‘Gij stoute vogeltjes, in pels’ uit 1976. En waar Hawinkels de metafoor van de oude waarheid – ‘die Wahrheit hiess dies alte Weib’ – het over een ‘ouwe taart’ heeft, kiest Posthuma voor een iets vrouwvriendelijke oplossing; ‘een lief om van te schrikken’. Wanneer je alle gedichten tot je neemt is het allesoverheersende gevoel dat de huidige vertaling wat soepeler verloopt doordat Posthuma o.a. de interpunctie iets minder nauwgezet heeft gevolgd waar Hawinkels vroeger zich er strenger aan hield. Het resultaat is dus toegankelijkere poëzie zonder de essentie van het origineel te verliezen. Dat is knap werk!

Must have

Deze nieuwe uitgave van De Vrolijke Wetenschap is voor de Nietzsche kenner zoals het in ‘onvervalst Nederlands’ zo mooi heet dan ook een ‘nice to have’ maar voor diegene die met Nietzsche begint, er meer over wil weten, iets van diens stijl wil proeven en ervaren, een ‘must have’! De Nietzsche liefhebber die de vrolijke wetenschap kent zou deze nieuwe vertaling zichzelf ook niet mogen onthouden. Zoals we van Uitgeverij Vantilt gewend zijn is het boek zelf ook mooi vormgegeven. Een met goudfolie voorzien omslag met flappen bergt in een fijne leesbare letter gedrukt op mooi papier, een heldere sprankelende (helaas laatste) vertaling van Hans Driessen van een wereldberoemd filosofisch werk! Samen met de poëtische vindingrijkheid van Ard Posthuma en –wanneer het over Nietzsche gaat- de zeer gedetailleerde kennis van Paul van Tongeren, is deze uitgave een aanwinst voor iedereen die de filosofische, literaire en vooruitziende woorden van Friedrich Nietzsche een warm hart toedraagt.

‘Raffen wir von jeder Blume

Eine Blüthe und zum Ruhme

Und zwei Blätter noch zum Kranz!

Tanzen wir gleich Troubadouren

Zwischen Heiligen und Huren,

Zwischen Gott und Welt den Tanz!

(Dans nu nover duizend ruggen

Golvenruggen, listig stugge,

Zet voor nieuwe dans je schrap!

Laat ons nieuwe dansen dansen,

Vrij zijn, onze kunst herkansen,

Vrolijk onze wetenschap!)

Paul van Tongeren zal het boek tijdens drie voordrachten inleiden, te weten op 12 februari in Amsterdam (De Rode Hoed), op 3 maart in Nijmegen (Boekhandel Roelants) en op 9 maart in Haarlem (Kennemer boekhandel).

7 gedachten over “Een nieuwe vrolijke wetenschap!

  1. Geachte heer Peters, uw betoog heeft me nieuwsgierig gemaakt en zal een nieuw exemplaar gaan kopen.
    (Mooie website overigens.)

    Hartelijke groet,
    G. Nieuwenhuis

  2. beste Stephan,
    de bijeenkomst gisteren bij De Rode Hoed heeft me aangespoord het boek te gaan lezen en verder ook wat te grasduinen in het werk van Nietzsche.
    Dank voor je tips.
    Anneke

  3. Hallo Stephan, gisteravond bij de rode hoed hebben we even staan praten. Prachtig zo’n passie voor een filosoof. Ik ben zoals ik je al zei nu met Ecce Homo bezig. Ondoorgrondelijk soms maar het nodigt wel uit. Ben nieuwsgierig of ik in deze vrolijke wetenschap iets weer terug kan vinden van hetgeen gisteren besproken is. En zal op je aanraden ook het boekje over nihilisme van van Tongeren lezen. Nog bedankt voor je informatie en voor de tip van deze website. Jasper. D.

  4. Hallo heer Peters
    een kennis met wie ik samen zou gaan heeft u bij de boekpresentatie gesproken (ik was helaas verhinderd) en mij uw kaartje gegeven. Mag ik een compliment geven voor uw website? Nietzsche is voor mij ook een grote inspiratiebron. Tijdloos!
    G. Lucassen

  5. Lieve Stephan, deze vrijheid gun ik mij 😉, als zijnde je tante! Hoe het je toesturen van een advertentie over een 8- daagse filosofiereis (Nietzsche) vanuit, een vrolijke gedachte dat dat wel iets voor je zou kunnen zijn, mij weer bij jouw website brengt en ik met veel plezier, interesse op de vroege ochtend, jouw boekbespreking heb gelezen! Ik krijg een heel ander beeld van Nietzche, word nieuwsgierig, en wie weet komt hij op mijn stapeltje nog zo graag te lezen boeken te liggen! Dank je en tot gauw, Lucia

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *