Archief van
Tag: Nietzsche

Betrachtungen beim Buddenbrookhaus

Betrachtungen beim Buddenbrookhaus

Wie Lübeck zegt, zegt o.a. ook Hanzestad, Günter Grass en Thomas Mann. Tijdloze ingrediënten van een oude stad vol historie en wetenswaardigheden. Inzoomend op Thomas Mann focust de geïnteresseerde in het leven en werk van deze grote Duitse auteur natuurlijk ook op het in 1758 gebouwde ‘Buddenbrookhaus’. Een pand waar je je hart kan ophalen om van alles te lezen en natuurlijke te kopen – het blijft immers een Hanzestad – over en van Thomas Mann en zijn familie.

Een pand dat veel bekendheid heeft gekregen door het grote succes van Mann met zijn ‘Buddenbrooks’. In dit beroemde debuut beschrijft Thomas Mann de geschiedenis van vier generaties in de familie Buddenbrook, een toentertijd bekend koopmansgeslacht uit Lübeck. De oprichter van de firma, Johann Buddenbrook sr. en later zijn zoon Johann jr. hebben in het verhaal een stevige basis gelegd voor een machtige familie- en bedrijfstraditie. Maar bij de kinderen van Johann jr. ondermijnen artistieke interesses en de wens om hun driften en gevoelsleven te volgen, de opgebouwde kracht van het handelsimperium. Met Thomas, die veel te kunstzinnig is voor de harde handelspraktijk, begint de zakelijke teloorgang. In Thomas’ zoon Hanno, de vierde generatie, bereikt de tegenstelling tussen burger en kunstenaar een hoogtepunt. Al met al, voldoende stof voor wat ‘Betrachtungen’ en ook om eens rond te snuffelen aan de Mengstrasse 4 in Lübeck.

Thomas Mann had een bijzonder verhouding tot Friedrich Nietzsche. Nietzsche kende Mann niet dus de bewondering en kritiek was op éénrichtingsverkeer gestoeld. Maar beide worden wel met grote regelmaat in één zin uitgesproken of genoemd bij literaire en filosofische verhandelingen. Daarom maar ook vanwege zijn fantastische proza en volzinnen waar je een puntje aan kunt zuigen, blijft Thomas Mann mij altijd boeien. Zoals menig intellectueel in de 20-e eeuw lukte het Mann ook moeilijk om postuum bekeken op tijd een standpunt in te nemen tegenover het (verbale) geweld van het Nazi-regime. Zijn zoon Klaus en dochter Erika goten dat in andere vormen van literatuur en cabaret die niets aan duidelijkheid te wensen overlieten, terwijl hun vader aarzelend op gang kwam om überhaupt een stelling in te nemen en dat dus later deed hetgeen hem uiteindelijk ook de Exil in dreef. Maar waar mijn interesse altijd naar uit blijft gaan is de verhouding Mann-Nietzsche die een speciale positie inneemt in het leven en werk van de schrijver die grote werken voortbracht als ‘Joseph und seine Brüder’, ‘Doktor Faustus’, ‘Buddenbrooks’, ‘Der Tod in Venedig’, ‘Lotte in Weimar en ‘Der Zauberberg’, waarbij de laatste altijd met de opmerking begeleid gaat, deze niet op al te jonge leeftijd te gaan lezen. Ik zou zeggen; als student én als oudere volwassene want misschien rijpt het werk wel als een voortreffelijke wijn van een bijzondere oogst…

Maar voordat ik nog wat kwijt wil over zijn positie ten opzichte van Friedrich Nietzsche, wil ik eerst nog even kort het geheugen opfrissen en in enkele essentiële biografische punten Thomas Mann memoreren.

Thomas, de jongere broer van de eveneens beroemde Heinrich Mann (o.a. ‘Professor Unrat oder das Ende eines Tyrannen’, ‘Der Untertan’), werd dus in Lübeck geboren en wel op 6 juni 1875. Zijn moeder was half Braziliaans en zijn vader Duits koopman die hij al vroeg als tiener zou gaan verliezen vanwege diens blaaskanker. Na wat omzwervingen o.a. als medewerker in de verzekeringswereld, besloot hij na de verhuizing naar München, de erfenis van zijn vader te gaan gebruiken als basis voor zijn financiële behoefte en zich volledig te gaan richten op het schrijverschap. Tijdens een tweejarig verblijf in Italië ontspruit aan de fantasie van Thomas het idee om het verval van de koopmansfamilie in Lübeck als onderwerp te gaan gebruiken voor een groots opgezette roman. Het verhaal van de Buddenbrooks zit dan ook vol met autobiografische elementen, is wat pessimistisch van toon (de invloed van Arthur Schopenhauer is duidelijk aanwezig) en verder valt op dat er in de roman weinig moralistische inhoud te vinden is maar veel meer, in een structuur die aan Tolstoj doet denken, de pagina’s gevuld zijn met beschouwingen over de kunstenaar versus de koopman. Opnieuw een autobiografisch element dat ook later weer terug te vinden zou zijn bij bijvoorbeeld Menno ter Braak. Buddenbrooks bracht Thomas Mann na het verschijnen in 1901 gelijk een enorm succes maar wierp ook een drempel op want al verschenen daarna wel wat andere werken (o.a. ‘Königliche Hoheit’ en ‘Tonio Kröger’), het bleef lang stil voordat er een nieuw groots werk uit zijn pen zou komen.

Thomas Mann trouwde in 1905 met Katharina Pringsheim, dochter van een welgestelde joodse familie die in hogere kringen verkeerde en waar veelvuldig Wagner de huiskamer vulde. Het huwelijk was voor de echtgenoot en vader een anker om zijn homo-erotische neigingen de baas te blijven. ‘Katia’ zoals ze honderden keren in zijn dagboeken en brieven door hem wordt genoemd, is zijn rustplaats en zorgt ervoor dat Thomas op het maatschappelijk geaccepteerde en succesvolle pad blijft wandelen. Samen krijgen ze vijf kinderen. Katia zou zeven jaar na het huwelijksjaar tuberculose oplopen waarvoor ze een kuuroord bezocht en waarmee ze haar man de basis bezorgde voor de ongelooflijk mooie en filosofische roman ‘Der Zauberberg’, voor mij een absolute topper in de wereldliteratuur. Een werk waar hij zoals altijd teruggetrokken in zijn studeer- en werkkamer, een slordige tien jaar aan heeft gewerkt en pas voltooide in 1924. Tussendoor was het noodlot scenario in ‘Der Tod in Venedig’ (een verhaal dat ik onlangs nog in een prachtige vertolking in Carré mocht bewonderen) ook zeer goed ontvangen en prijkt deze nog steeds op de lijst van succesvolle kortere werken in de Duitse literatuur. Mann lijkt in deze jaren naar vernieuwing te snakken; weg van het burgerlijke conservatisme in het Pruisische Avondland, op zoek naar vernieuwing, humanisme en vrijheid.

In 1929 ontvangt Mann de Nobelprijs voor de Literatuur. De Buddenbrooks was doorslaggevend en werd door het comité als ‘een van de klassieke werken van hedendaagse literatuur’ bestempeld. Maar waar was ‘Der Zauberberg’ en het andere werk in de motivatie? Het kreeg er geen plek doordat een van de comitéleden het werk over het sanatorium met alle beschouwelijke dialogen die het zo tijdloos sieren, geen eer wilde aandoen…

Langzaam drong het besef over het gevaar van het opkomende Nazisme de studeerkamer van Mann binnen. Met een half-Joodse vrouw en fanatieke politiek geëngageerde kinderen was er voldoende aanleiding om eens op te kijken vanaf zijn bureau en de duimschroeven die de Nazi’s her en der aanbrachten op hun ware dreiging in te schatten. In 1933 werden de boeken van Thomas Mann weliswaar niet verbrand maar van vele andere schrijvers wel, waaronder de boeken van Stefan Zweig, zijn broer Heinrich en zijn zoon Klaus. Mann trekt zich daarop terug, niet zonder een grote ergernis en gevoelens van machteloos pessimisme, en verhuist in 1936 naar Zürich. De Nazi’s hadden hem zijn Nietzsche en Wagner ‘afgepakt’ waarop Mann nog verder in de tijd van de Duitse cultuur afdaalde en met ‘Lotte in Weimar’ een ontmoeting tussen Lotte uit Goethe’s ‘Werther’ en haar geestelijk vader, Goethe dus, arrangeerde. In Zwitserland weet Mann ook nog eens een ander groots werk te schrijven; ‘Joseph und seine Brüder’, weg van politieke statements en zich baserend op de bewondering van Goethe voor de verhalen van Jakob en Jozef in de Bijbelse Genesis. Een werk dat dankzij de voortreffelijke vertaling van Thijs Pollmann en de helaas overleden Hans Driessen vanaf 2004 ook in het Nederlands te bewonderen is.

De grond wordt de inmiddels uitgesproken antifascistische literaire beroemdheid wat te heet onder de voeten, dus besluit Thomas in 1938 om samen met zijn vrouw en hun jongste dochter Elisabeth naar Amerika te emigreren. Eerst naar New York en daarna werkend in de warmere sferen van Californië. Mann steekt daar zijn meningen niet onder stoelen of banken en vertolkt in vele radiotoespraken en lezingen zijn visie op hetgeen in Nazi-Duitsland gaande was. Via het personage ‘Adrian Leverkühn’ in de roman ‘Doctor Faustus’ geeft Mann op meerdere manieren een vertolking van zijn filosofische perspectieven waarbij Nietzsche zoals we later zullen begrijpen, ook een prominente rol als souffleur en inspiratiebron krijgt toebedeelt. Daarna wordt het wat stiller rondom Mann. Geen grote filosofische werken maar in de privésfeer wel een hoop verdriet; de dood van zijn jongere broer Victor en een jaar later zijn broer Heinrich. Nog aangrijpender is de zelfmoord van zijn zoon Klaus op 21 mei 1949. Mann bezocht Duitsland pas weer in 1949. In de open brief ‘Warum ich nicht nach Deutschland zurückkehre’ legt hij uit dat hij de Duitsers collectief schuldig achtte aan de misdaden van de Tweede Wereldoorlog. Drie jaar later, enigszins onder de druk van het Amerikaanse anticommunisme in de beginperiode van de Koude Oorlog, gaat het echtpaar evenwel terug naar Europa waar de verhoudingen inmiddels totaal anders liggen. In Zwitserland vinden ze weer een mooie plek aan het meer van Zürich.

De gevierde schrijver treedt daarna nog vaak op in publieke ‘Veranstaltungen’ zoals lezingen en voordrachten. Nadat bij Mann in de zomer van 1955 tijdens een ‘Erholung’ aan de Nederlandse kust bij Noordwijk, trombose werd geconstateerd, overlijdt de geestelijk vader van veel grote literatuur uit de 20eeeuw, op 12 augustus van dat jaar in Zürich. Zijn dagboeken mochten op zijn aanwijzingen 20 jaar lang niet geopend worden en kregen dus pas in 1975 het levenslicht. Echter niet allemaal want de jaren 1922 tot 1932 bleken door hem te zijn vernietigd (de reis die de dagboeken hebben doorstaan is overigens een verhaal apart). Waarschijnlijk zijn er in de ogen van Mann te veel getuigenissen van zijn homo-erotische aantrekkingskracht in deze jaren te vinden. Hoe dan ook, 1918-1921 en 1933-1955, samen tien dikke boeken, vullen ook een plank in mijn boekenkast en bewijzen ondanks de vele aantekeningen vanuit zijn private wereld, hun kracht wanneer je iets wilt begrijpen over met name kunst, literatuur en politiek in de stormachtige decennia waarin de koopmanszoon uit Lübeck heeft geleefd. Naast de dagboeken zijn er vele biografieën over Thomas Mann verschenen. De meest uitvoerige is direct ook een perfecte; ‘Thomas Mann, eine Biographie’ van Peter de Mendelssohn, dat in een dundruk uitgave maar liefst een slordige 2250 pagina’s beslaat en waarin leven en werk van Mann uitvoerig opgetekend is.

“…der unvergleichlich größte und erfahrenste Psychologe der Dekadenz.”

Wanneer je naar Friedrich Nietzsche zoekt in werk en leven (en dus ook in biografisch materiaal) van Thomas Mann, weet je niet goed waar je beginnen moet. Ik doe een poging door zijn visie op Nietzsche, zijn bewondering voor de filosofisch kunstenaar te omschrijven, een bewondering die sterk verweven met Mann’s afkeer van het Nazi-tijdperk, aan nogal wat schommelingen is blootgesteld maar uiteindelijk met een artistieke rehabilitatie van Nietzsche eindigt. Dus moet je keuzes maken en neem ik als basis daarom Mann’s eigen essay ter hand, en wel de niet mis te verstane titel ‘Nietzsches Philosophie im Lichte unserer Erfahrung’ dat hij volgens zijn eigen dagboek in februari/maart 1947 heeft geschreven. Een essay waarmee hij meerdere zalen (de eerste op 29 april 1947 in Washington) heeft weten te boeien toen hij nog in de VS woonde en rondtoerde. De waanzin van Nietzsche, zijn elf jaar durende geestelijke onmacht, blijkt aan te slaan als verklaring van het genie Nietzsche. Citaat uit het werk: ‘(…) ein wildes und trunkenes, jeder Pietät entsagendes, gegen die eigene Natur tobendes Prophetentum der barbarisch strotzenden Kraft, der Gewissensverhärtung, des Bösen gezerrt“. – „Aber dieses Genie hat noch einen anderen Namen. Er lautet: Krankheit“. Ihr verdanke Nietzsche seine Genialität, „seine stilistisch blendenden, von kühnen Beleidigungen seiner Zeit funkelnden, psychologisch immer radikaleren, in immer grellerem Weißlicht aufstrahlenden Bücher“. Mann houdt de ‘ziekelijke geestelijke opgewondenheid’ die Nietzsche tekent, verantwoordelijk voor diens superioriteitsgevoelens wanneer Nietzsche spreekt over Goethe, Shakespeare en Dante en hen toedicht niet het niveau te kunnen halen dat hij in zijn ‘Zarathustra’ laat zien. Nietzsche was een beetje de weg kwijt en is misschien zelf verantwoordelijk als de boosdoener zoals de Nazi’s hem ook politiek hebben ingelijfd. Een mening van Mann die hij later zou relativeren, een herwaardering zoals niet alleen Mann die heeft moeten maken. Maar in het bovengenoemde essay is Mann nog in de ban van de Europese gruwelen in de jaren ’30 en ’40 en blijkt Nietzsche steeds weer op te duiken in de Nazi-literatuur en misvormde denkbeelden (een hoofdstuk apart). Mann heeft in het essay moeite met de magneetwerking die van Nietzsche’s ‘Übermensch’ gedachten en oorlogsverheerlijking uitgaan. Hij neemt afstand van zijn vroegere verering van de grote Duitse filosoof zonder zijn liefde voor de mens achter de denker te verloochenen.

‘Doktor Faustus’ blijkt een scharnierfunctie te hebben. Hierin komen liefde en afkeer van en voor Nietzsche centraal in een boek waarin Adrian Leverkühn een centrale plek inneemt; ‘es ist die Geschichte einer Teufelverschreibung aus intellektueller Verzweiflung. Natürlich handelt das Ganze von Deutschland, gräbt sich tief ins Deutsche ein und ist mir nahe gegangen wie nichts Früheres’, schrijft hij op 7 januari 1948 in een brief. Nietzsche is in de ogen van Mann een sleutelfiguur geworden, een denker die de waarde en diepte van al het voorgaande in de Duitse kunst (Goethe, Schiller, Schopenhauer en Wagner) in een ander licht heeft geplaatst. Schopenhauer, Wagner en Nietzsche; wanneer Mann na de Eerste Wereldoorlog had mogen kiezen was het wel voor de laatste uit zijn ‘Dreigestirn’. Mann is de confrontatie aangegaan en ziet in de noodlottige levensloop van Nietzsche parallellen met zijn eigen leven. Daarnaast vecht hij met het idee hoe hij Nietzsche kan rehabiliteren na de catastrofe die Europa is ondergaan door iets buitenmenselijks en duivels, waar Nietzsche steeds weer geschiedkundig en politiek in voorkomt. In zijn ‘Faustus’ is Nietzsche de meest prominente aanwezige zonder dat er ook maar één keer zijn naam wordt genoemd. Het werk werd door Mann zelf overigens eerst als ‘der verkappte Nietzsche-Roman en later (december 1947) als ‘der richtige Nietzsche-Roman’ betiteld. Later zal Mann het toelichten: ‘Da ist die Verflechtung der Tragödie Leverkühns mit derjenigen Nietzsche’s, dessen Name wohlweislich in dem ganzen Buch nicht erscheint, eben weil der euphorische Musiker an seine Stelle gesetzt ist, so daß es ihn nicht mehr geben darf; die wörtliche Übernahme von Nietzsche’s Kölner Bordell-Erlebnis und seiner Krankheitssymptomatik, die Ecce-Homo-Zitate des Teufels, das — kaum einem Leser bemerkliche — Zitat von Diät-Menüs nach Briefen Nietzsches aus Nizza, oder das ebenfalls unauffällige Zitat von Deussens letztem Besuch mit dem Blumenstrauß bei dem in geistige Nacht Versunkenen.’

En ja, er zijn nogal wat overeenkomsten te vinden; Nietzsche en Leverkühn verliezen allebei hun geestelijke gezondheid op hun 45e en leven hun laatste tien levensjaren in een vegetatieve toestand om vervolgens allebei op 25 augustus te sterven (Nietzsche in 1900, Leverkühn in 1943). En de locaties waar het zich allemaal afspeelt in de roman van Mann hebben veel overeenkomsten met Röcken, Naumburg, Leipzig en Weimar. Alleen de musicus Leverkühn is muzikaal wat meer getalenteerd dan Nietzsche hetgeen Mann in zijn visie op de tragiek van Nietzsche verwoordt met de woorden ‘Nietzsche war eine überbelastete über-beauftragte Seele (…) welche zum Wissen nur berufen, nicht eigentlich dazu geboren war und, wie Hamlet, daran zerbrach’. Hij eindigt met een verstopte bewondering die me ook een beetje aan Zweig’s bewondering doet denken: ‘dieses Leben ist eine künstlerische Darbietung, nicht nur dem wundervollen Ausdruck, sondern dem innersten Wesen nach, – ein lyrisch-tragisches Schauspiel von höchster Faszination’.

Friedrich Nietzsche, is dus vaak aanwezig in het werk van Mann. Met name genoemd maar ook vaak niet. Je leest en voelt de waardering voor Nietzsche bijvoorbeeld ook sterk in ‘Betrachtungen eines Unpolitischen’ (1918) -ik denk daarbij altijd aan ‘Politicus zonder Partij’ van M. ter Braak- , ‘Vorspruch zu einer musikalischen Nietzsche-Feier’ (1924), ‘Lebenabriß’ (1930) en natuurlijk ‘Nietzsche im Lichte unserer Erfahrung’ (1947). Grofweg is die waardering in vier aspecten onder te verdelen. In het eerstgenoemde werk waardeert Mann de stijl van Nietzsche overduidelijk als iets onnavolgbaars wanneer hij stelt: ‘Nietzsche verlieh der deutschen Prosa eine Sensitivität, Kunstleichtigkeit, Schönheit, Schärfe, Musikalität, Akzentuiertheit und Leidenschaft – ganz unerhöhrt bis dahin und von unentrinnbarem Einfluss auf jeden, der nach ihm deutsch ze schreiben sich erkühnte’. Nietzsche als stilistische opvoeder van het Duits dus. Prachtige woorden. Het tweede aspect aan Nietzsche waar Mann zich in veel complimenten over uit liet was de psycholoog Nietzsche: ‘nicht so sehr der Prophet irgendeines unanschaulichen “Übermenschen” war Nietzsche mir von Anfang an, wie zur Zeit seiner Modeherrschaft den meisten, als vielmehr der unvergleichlich größte und erfahrenste Psychologe der Dekadenz’. En ook later in ‘Nietzsche’s Philosophie im Lichte unserer Erfahrung’ karakteriseert Mann Nietzsche als de ‘grössten kritiker und Psychologen der Moral (…) den die Geistesgeschichte kennt.’ Verder dicht Mann Nietzsche andere kwaliteiten toe en wel die van de artiest of charlatan, de ongrijpbare denker die op een koord balancerend de wereld toespreekt. Het vierde en laatste aspect waarover Mann hoog opgeeft is de kracht van zijn cultuurpessimisme zoals hij dat al bij een jonge Nietzsche heeft ontdekt. Hij ziet de enorme reikwijdte die Nietzsche in cultuur-historisch perspectief heeft en in de toekomst zal hebben.

“Nietzsche war vor allem ein großer Kritiker und Kultur-Philosoph”

Vier aspecten die ons ook iets vertellen over Thomas Mann zelf en specifiek diens worstelingen met het verstikkende burgerdom, zeker vanuit artistiek en intellectueel oogpunt bezien. Mann was in zoverre een Nietzscheaan dat hij geen enkel aspect van Nietzsche adoreerde en aanhing, maar veelmeer als een interpretator die Nietzsche las en tot zich nam zoals Nietzsche dat zelf had gedaan met de lectuur van Schopenhauer. Mann herkende veel van zichzelf in Nietzsche en bewonderde zijn kracht. Zoals velen had ook Mann moeite met de positie van verheerlijking van geweld, oorlogsvoering en barbarij die soms een prominente plaats innemen in de aforismen van Nietzsche. Het kon niet anders zijn dan een uitnodiging van Nietzsche hem niet te letterlijk te nemen (‘…sie nahmen Nietzsche beim Wort, nahmen ihn Wörtlich’). In 1930 herhaalt Mann die woorden van 12 jaar ervoor: ‘ich sah in Nietzsche vor allem den Selbstüberwinder; ich nahm nichts wörtlich bei ihm, ich glaubte ihm fast nichts, und gerade dies gab meiner Liebe zu ihm das Doppelsichtig-Passionierte, gab ihr die Tiefe’. En later herhaalt hij zichzelf in andere bewoordingen door te stellen ‘Wer Nietzsche ‘eigentlich’ nimmt, wörtlich nimmt, wer ihm glaubt, ist verloren’. Het was in 1947 nou niet bepaald de meest ideale tijd om je uit te spreken als een groot Nietzsche bewonderaar. De ontmaskering van Nietzsche’s zus Elisabeth c.s. moest nog volop beginnen en de gruwelen van WO2 waren nog kersvers in ieders geheugen gegrift. Voor Mann ook aanleiding om twee kritische punten te noemen.  Het eerste is de vermeende vergissing van Nietzsche wanneer hij spreekt over de relatie tussen ‘geest’ en ‘leven’:‘das ganz und gar falsche Verhältnis, in das er Leben und Moral zueinander bringt, wenn er sie als Gegensätze behandelt. Die Wahrheit ist, daß sie zusammengehören. […] Der wahre Gegensatz ist der von Ethik und Ästhetik. Nicht die Moral, die Schönheit ist todverbunden, wie viele Dichter gesagt und gesungen haben, — und Nietzsche sollte es nicht wissen? De retorische vraag aan het eind impliceert al enigszins het antwoord op de vraag die Mann stelt. Maar het is een veilige vraag want het speelt zich buiten het politieke spectrum af. Het tweede kritische puntje betrof Nietzsche’s verheerlijking van het instinct boven het intellect. Dat was volgens Mann slechts een tegenreactie op de overheersende rationele geest die destijds door Europa waarde: ‘Nietzsches Verteidigung des Instinkts gegen Vernunft und Bewußtsein war eine zeitliche Korrektur’.

In 1948 krijgt Mann vanuit Oxford de uitnodiging om President van de Nietzsche Society te worden. Zijn reactie zegt alles over zijn voorzichtige manoeuvres in het naoorlogse intellectuele establishment: ‘If you should be of the opinion that the critique of Nietzsche’s philosophy expressed [in the lecture] does not disqualify me as honorary president of an academic Nietzsche Society, but that my sympathy for the pathetic tragedy of his life predominates, I will be very glad to accept the honor you offer me’.

Echter, in het niet-publieke domein, wanneer hij zich kan uitdrukken op vertrouwd papier in brief vorm, vertolkt hij zijn gevoelens eenduidiger wanneer hij aan zijn (correspondentie) vriend en schrijver/rechter Maximilian Brantl schrijft: ‘Ich kann Nietzschen nicht böse sein, weil er mir ‘meine Deutschen verdorben hat’. Wenn sie so dumm waren, auf seinen Diabolism hineinzufallen, so ist das ihre Sache, und wenn sie ihre großen Männer nicht vertragen können, so sollen sie keine mehr hervorbringen’.

De enorme reikwijdte die de bewondering van Mann voor Nietzsche beslaat kreeg in de daaropvolgende jaren wat meer lucht. Mann zou nog een paar jaar hebben voordat hij in Zwitserland op 80-jarige leeftijd zal overlijden. Ik vond nog zo’n Mann-tekst waarin de mens Nietzsche de waardering krijgt die hij m.i. blijvend verdient: ‘Daß Philosophie nicht kalte Abstraktion, sondern Erleben, Erleiden und Opfertat für die Menschheit ist, war Nietzsche’s Wissen und Beispiel. Er ist dabei zu den Firnen grotesken Irrtums emporgetrieben worden, aber die Zukunft war in Wahrheit das Land seiner Liebe, und den Kommenden, wie uns, deren Jugend ihm Unendliches dankt, wird er als eine Gestalt von zarter und ehrwürdiger Tragik, umloht vom Wetterleuchten dieser Zeitwende, vor Augen stehen’.

In een tweede deel over Mann en Nietzsche wil ik graag specifieker ingaan op de lezing ‘Nietzsches Philosophie im Lichte unserer Erfahrung’ die Mann hield als ‘Vortrag’ op het 14e congres van de ’PEN-Club’ in Zürich op 3 juni 1947.

Voor wie na een wandeling door het Buddenbrookhaus nog ruimte in zijn bagage heeft voor nog meer Nietzsche gerelateerde beschouwingen en kenmerkende lange Thomas Mann zinnen, heb ik voor deze bijdrage een oudere voordracht onderstaand opgenomen. Het betreft een toespraak die Mann hield in de ‘Odeon’ in München waar de Nietzsche Gesellschaft een viering had georganiseerd ter gelegenheid van de 80everjaardag (15 oktober 1924) van Nietzsche. Mann kreeg het woord na een aantal stukken muziek en zijn woorden spreken voor zich. Ga er maar even voor zitten:

Meine Damen und Herren, seien Sie im Voraus versichert, daß das spröde Wort die Sprache der Töne nicht lange unterbrechen soll. Mein Auftrag geht nicht dahin – und ich danke Gott dafür –, hier etwas zu bieten, was im Entferntesten einem Vortrag, einer literarisch-kritischen “Conférence” über Nietzsche ähnlich sähe. Er nimmt Rücksicht auf die seelische Tatsache, daß unsere ordnenden Fähigkeiten versagen, daß tiefe Hemmungen uns das Wort im Munde stocken lassen bei dem Versuch, in gesellschaftlicher Öffentlichkeit einen Gegenstand rednerisch zu erörtern, formal zu bewältigen, der eines der Grunderlebnisse unseres Geistes, ein Erlebnis von unendlich bestimmender, von prägender Wirkung bildet. Nein, der Auftrag, dem ich mich allenfalls unterziehen konnte, verlangt nichts weiter von mir, als Ihnen mit wenig Worten den Sinn unserer heutigen Veranstaltung zu erläutern, den Gedanken oder das Gefühl anzudeuten, das ihr zu Grunde liegt und ihre Form rechtfertigt.

Zu sagen aber, weshalb wir beschlossen, das Andenken des kühnen, prophetisch regierenden und erzieherischen Geistes, in dessen Namen wir versammelt sind, nicht mit Reden, sondern mit Musik zu begehen, heißt zugleich bekennen, was er uns heute bedeutet, in welchem Punkte namentlich wir ihn, eben jetzt, eben in dieser deutschen und europäischen Stunde, als unsern sittlichen Meister empfinden.

Er hat die Musik geliebt wie keiner: wir sagen es zur Rechtfertigung unseres Beschlusses. Er war ein Musiker. Keine andere Kunst stand seinem Herzen nahe wie diese; jede andere trat weit zurück in seiner wissenden Teilnahme hinter diese. Er unterschied zwischen Augenmenschen und Ohrenmenschen und rechnete sich zu den letzteren. Über bildende Kunst hat er sich kaum geäußert und offenbar keine seiner großen Stunden mit ihr gefeiert. Sprache und Musik waren das Feld seiner Erlebnisse, seiner Liebes- und Erkenntnisabenteuer und seiner Produktivität. Seine Sprache selbst ist Musik und bekundet eine Feinheit des inneren Gehörs, eine Meisterschaft des Sinnes für Fall, Tempo, Rhythmus der scheinbar ungebundenen Rede, wie er in deutscher Prosa, und wahrscheinlich in europäischer überhaupt, bisher ohne Beispiel war. Nicht nur die Verwandtschaft und innere Zusammengehörigkeit von Kritik und Lyrik ist es, was das Phänomen Nietzsche, dies Phänomen des Erkenntnislyrikers erweist; es zeigt zugleich auf eine genial-persönliche und schöpferisch fortwirkende Weise die eigentümlichste Zusammengehörigkeit und innere Einheit von Kritik und Musik. Kritik aber heißt Scheidung und Entscheidung, und die Musik war es, an die die höchsten Entscheidungen seines Geistes und seiner Seele, seines prophetisch regierenden Gewissens sich knüpften.

Mit einem Worte: sein Verhältnis zur Musik war das der Leidenschaft, der Passion. Was aber ist Leidenschaft? Wie kommt das Element des “Leidens” in diese Wort- und Begriffsbildung? Was ist es, was Liebe leiden macht? – Es ist der Zweifel. Nietzsche hat einmal gesagt, die Liebe des Philosophen zum Leben sei die Liebe zu einem Weibe, das uns Zweifel mache. Genau dasselbe hätte er sagen können von seiner Liebe zur Musik. Sie war Liebe mit dem Stachel des Zweifels, der sie zur Leidenschaft machte; und wenn man je die Leidenschaft als zweifelnde Liebe bestimmte, so trug diese Bestimmung sein Gepräge.

Wir fragen weiter: Woher die prophetisch erzieherischen Regierungs- und Gewissenszweifel, die seiner Liebe zur Musik den Stachel der Passion und der Problematik gaben? – Daher, versuchen wir zu antworten, daß er – sehr deutsch das Musikalische fast gleichsetzte dem Romantischen, und daß es das Schicksal, die Sendung seines Heldentums war, sich an diesem seelischen Machtkomplex voll höchsten Zaubers, dem Musikalisch-Romantischen, dem Romantisch-Musikalischen – und also beinahe dem D e u t s c h e n – zu bewähren.

Sein Heldentum aber hieß Selbstüberwindung. Er hat, um des Lebens willen, die “asketischen Ideale” mit seinem ganzen Genie bekämpft; aber er selbst war ein Held jener “innerweltlichen Askese”, die die moralische Form der Revolution ist. Er war, wie Wagner, von dem er sich mit seinem Gewissensurteil gelöst, den er aber bis in den Tod geliebt hat, seiner geistigen Herkunft nach ein später Sohn der Romantik. Daß aber Wagner ein mächtig-glückhafter Selbstverherrlicher und Selbstvollender, Nietzsche dagegen ein revolutionärer Selbstüberwinder war, das macht es, daß jener auch nur der letzte Verherrlicher und unendlich bezaubernde Vollender einer Epoche blieb, dieser aber zu einem Seher und Führer in neue Menschenzukunft geworden ist.

Dies ist er uns: ein Freund des Lebens, ein Seher höheren Menschentums, ein Führer in die Zukunft, ein Lehrer der Überwindung all dessen in uns, was dem Leben und der Zukunft entgegensteht, das heißt des Romantischen. Denn das Romantische ist das Lied des Heimwehs nach dem Vergangenen, das Zauberlied des Todes; und das Phänomen Richard Wagners, das Nietzsche so unendlich geliebt hat und das sein regierender Geist überwinden mußte, war kein anderes, als das paradoxe und ewig fesselnde Phänomen welterobernder Todestrunkenheit.

Ich weiß wohl, wie viel in Ihnen, in uns sich – trotz Nietzsche, trotz Goethe selbst – dagegen wehrt, das Romantische als das Lebenswidrige und Kranke zu empfinden. Ist es denn nicht das Gemütlich-Gesundeste von der Welt, das Liebenswürdige selbst, geboren aus innigsten Tiefen des Volksgemüts? Ja, ohne Zweifel! Allein das ist eine Frucht, die, frisch und prangend gesund diesen Augenblick und eben noch, außerordentlich zur Zersetzung und Fäulnis neigt und, reinste Labung des Gemütes, wenn sie im rechten Augenblick genossen wird, vom nächsten, unrechten Augenblick an Fäulnis und Verderben in der genießenden Menschheit verbreitet. Es ist eine Lebensfrucht, vom Tode gezeugt und todesträchtig. Es ist ein Wunder der Seele, – das höchste vielleicht vor dem Angesicht gewissenloser Schönheit und gesegnet von ihr, jedoch mit Mißtrauen betrachtet aus triftigen Gründen vom Auge verantwortlich regierender Lebensfreundschaft und Gegenstand der Selbstüberwindung nach letztgültigem Gewissensspruch.

 Ja, Selbstüberwindung, das mag wohl auch heute noch das Wesen der Überwindung dieser Liebe sein, – dieses Seelenzaubers mit finsteren Konsequenzen. Auch wir alle noch sind seine Söhne, und kennen seine Macht. Man mochte als Seelenzauberkünstler dem Heimwehliede dramatische Riesenmaße verleihen und die Welt damit unterwerfen. Man mochte wohl gar Reiche darauf gründen, irdisch-allzuirdische Reiche, sehr derb und fortschrittsfroh und eigentlich gar nicht heimwehkrank, – in welchen das Lied, wenn ich so sagen darf, zur elektrischen Grammophonmusik verdarb. Aber sein bester Sohn mag doch derjenige gewesen sein, der, für uns alle, in seiner Überwindung sein Leben verzehrte und starb, auf den Lippen das neue Wort, das er noch kaum zu sprechen wußte, das auch wir noch kaum zu stammeln wissen, das prophetische Wort der Lebensfreundschaft und Zukunft.

Meine geehrten Zuhörer, man spricht und berät heute viel über eine zu erhoffende seelische Gesundung Europas. Was aber ist denn das, seelische Gesundung? Es ist die ideelle und grundsätzliche Wendung vom Tode weg zum Leben. Die aber ist schwer und tut weh; denn Europa ist ein romantisches Land; es krankt an Vergangenheit, an einem lebensgefährlichen Zuviel von historischer Frömmigkeit, aristokratischer Todesverbundenheit, die es bezwingen muß, wenn anders es sich nicht zu vornehm für das Leben dünkt und zu sterben entschlossen ist. Zu vornehm für das Leben? Aber das aristokratische Problem, das Problem der Vornehmheit – Nietzsche hat es entschieden: Gegen den Tod, zugunsten des Lebens! Eines guten Willens sein, das heißt heute nichts anderes, als ihm hierin Gefolgschaft leisten; es heißt. Willens sein, dem gesunkenen und beschädigten Erdteil und zuerst natürlich dem eigenen Volk bei dieser Wendung und Überwindung, die vor allem Selbstüberwindung ist, nach dem Maß unserer Kräfte zu helfen, – selbst auf die Gefahr, daß Selbstüberwindung verwechselt werde mit Selbstverrat und mit Verrat überhaupt. Auch Nietzsches große, stellvertretende Selbstüberwindung, der sogenannte Abfall von Wagner, schien Verrat. Seine Freunde klagten, es könne kein gutes Ende nehmen mit Einem, der beständig den Zweig absäge, auf dem er sitze, und ein Kapitel des schönsten Buches über ihn, des Buches von Bertram, ist “Judas” überschrieben. Daß aber Nietzsche zum Judas wurde, das ist es, warum heute bei seinem Namen – nicht bei dem jenes imperialen Romantikers – schwört, was an Zukunft glaubt, und warum er zum Evangelisten geworden ist eines neuen Bundes von Erde und Mensch.

An die Musik, sagten wir, knüpften sich die höchsten Entscheidungen seines Geistes. Sein Heldentum bewährte sich an ihr und fand auch wieder Lösung, Erlösung durch sie. ‘”Musik und Tränen,” schrieb er einmal, “- ich weiß das kaum auseinander zu halten.” Wie täten wir nicht gut, sein Andenken zu feiern mit Musik! Mit höchster Musik, heraufgeführt von dem geistigsten Meister des Instruments, auf dem auch Nietzsche, wie uns versichert wird, ein improvisatorischer Meister war. Ich bin froh, verstummen zu können, um mit Ihnen zu lauschen, – und dabei zu denken, er lauschte mit uns.