Rilke’s pijlen van verlangen

Rilke’s pijlen van verlangen

Wanneer je in deze tijd van desastreuze ontlezing nog iets treffends wilt communiceren over de grootsheid van literatuur, filosofie of poëzie, moet je van goede huize komen. Geen marketinggoeroe die je daar de sleutel voor overhandigt. Hoe licht je in een tekst die de huidige gemiddelde concentratieboog kan doorstaan, een onderwerp toe dat gewoonweg meer woorden vraagt? Hoe richt je je pijlen zodat het verlangen tot inhoud haar doel treft? Pfeile der Sehnsucht… Het is bijna niet te doen wanneer ik zie hoe de 26 letters van het alfabet in korte teksten om me heen vaak een stuurloze en dronken indruk maken. Toch heb ik het toetsenbord nu aan het eind van 2019 weer ter hand genomen en wil ik graag iets kwijt over een van de grootste taalkunstenaars die Europa heeft gekend, en naar ik hoop nog steeds een beetje kent: Rainer Maria Rilke.

Rainer Maria Rilke

Thomas Mann vond hem een snob terwijl Robert Musil in Rilke de grootste Duitse dichter vanaf de Middeleeuwen zag… Ik richt me op deze pagina uiteraard specifieker op de relatie van Rilke tot Nietzsche. Rilke staat immers niet voor niets in mijn nog veel te korte lijst van schrijvers die in meer of mindere mate door Friedrich Nietzsche zijn beïnvloed. Laat ik beginnen met een korte toelichting op leven en werk van Rilke om daarna wat zinnen aan de relatie van Rilke tot Nietzsche te wijden. Uiteraard een en ander voorzien van een poëtische dressing die ik dit keer wat meer in de originele tekst laat staan. Vertalen van Rilke blijft immers monnikenwerk.

December is de maand van geboorte en overlijden van Rilke; op de 4e  geboren in Praag en op de 29gestorven vlakbij het Zwitserse Montreux. Hij groeide op met gescheiden ouders en verbleef na die scheiding, Rilke was toen 9 jaar, bij zijn moeder die de dood van een eerder overleden zusje niet kon verwerken waardoor Rilke op z’n eerste foto’s soms als meisje (René, de wedergeborene) uitgedost te zien is. De sensitieve en melancholische puber liep helemaal vast in de aanvankelijke opgelegde militaire scholing en koos later zelf filosofie en kunstgeschiedenis als studies in respectievelijk Praag en München. In 1897, 22 jaar jong, ontmoette Rilke de knappe Louise von Salomé die destijds getrouwd als Lou Andreas Salomé door het leven ging. René werd door voorspraak van Lou verruild voor Rainer. Met de wederzijds amoureuze relatie ontstond, postuum gezien, een historische schakel tussen Nietzsche en Rilke. Nietzsche kwam weliswaar niet voor in de correspondentie tussen Lou Salomé en Rilke maar hoeveel zegt dat feitelijk als het primair over affectie en kunstzinnig scheppen gaat?

Lou Salomé en Rilke in Rusland

Rilke voelde zich zeer sterk tot de 15 jaar oudere Lou aangetrokken, was anders gezegd zeer verliefd op de getrouwde Russin, en volgde het echtpaar door in Berlijn bij hen in de buurt te gaan wonen en ook met hen diverse reizen te ondernemen. Op een van die reizen ontmoette Rilke o.a. de grote Russische schrijver Tolstoj en de schilder Pasternak. Reizen door de grote lege vlakten van het 20-eeuwse Rusland, waar nog maar weinig cultuur was doorgedrongen en waar boeren met een sterk gevoel van religiositeit woonden. Het zou hem veel inspiratie geven voor bijvoorbeeld het ‘Stundenbuch’ dat in drie delen tussen 1899 en 1903 ontstond.

Al scheidde Lou later van haar echtgenoot Andreas, zij en Rilke hebben nooit een intieme relatie gehad maar zijn wel altijd goede vrienden gebleven. Over hun verhouding, die ik verder hier buiten beschouwing wil laten, zijn meerdere studies verschenen. Ik beperk met tot een gedicht van Rilke zelf waarin hij zijn relatie met Lou in vier regels samenvatte:

Du warst das zarteste, das mir begegnet,

Das Härteste warst Du, damit ich rang.

Du warst das Hohe, das mich gesegnet –

Und wurdest der Abgrund, der mich verschlang.

Een tweede vrouw kruiste het pad van Rilke in 1900: Clara Westhoff, beelhouwster in Worpswede (boven Bremen). Het huwelijkse leven nam al snel een vreemde wending doordat Rilke na de geboorte van hun dochter Ruth naar Parijs vertrok. Het was officieel in verband met een monografie die hij over de beeldhouwer Auguste Rodin wilde schrijven maar wellicht was de onrust van de dichter in de burgerlijke sfeer een groter motief. In Parijs ontstond o.a. tussen 1904 en 1910 zijn beroemde ‘Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge’ en leerde hij o.a. Cézanne kennen. De schilders en beeldhouwers lieten hun sporen achter in het werk van de nog jonge schrijver. De aanvankelijk sterke affiniteit met religieuze thematiek veranderde in een wat meer ‘aardse’ stijl waarin Rilke zich meer toelegde op de zichtbare dingen als personages, beroepen en ook dieren; ‘Die Gazelle’, ‘Das Einhorn’, ‘Der Schwan’, ‘Die Flamingo’s’ en het nóg meer bekende ‘Der Panther,’ om er enkele te noemen. Gedichten die als ‘Neue Gedichte’ (waarin de ‘Ding-Gedichte’) min of meer zijn tweede scheppingsperiode afbakenden en die in een vertaling uit de hand van Peter Verstegen in 1997 bij Van Oorschot zijn uitgekomen. Uit die bundel onderstaand dat ene bekende gedicht:

Der Panther

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe

so müd geworden, dass er nichts mehr hält.

Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gebe

und hinter tausend Stäbe keine Welt.

Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,

der sich im allerkleinsten Kreise dreht,

ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,

in der betäubt ein grosser Wille steht.

 

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille

sich lautlos auf -. Dann geht ein Bild hinein,

geht durch der Glieder angespannte Stille –

und hört im Herzen auf zu sein.

 

De panter

Zijn blik is van het langsgaan van de stangen

zo moe geworden dat hij niets meer ziet.

Wel duizend stangen houden hem gevangen

en meer dan duizend stangen is er niet.

 

De zachtheid van zijn lenig sterke pas,

die steeds de allerkleinste ring beschrijft,

is als een dans van kracht rondom een as

waarin een machtig willen is verstijfd.

 

Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen

geluidloos op -. Dan gaat een beeld erdoor

naar binnen, glijdt door het van spanning stille

lijf naar zijn hart – en gaat teloor.

De panter, moe van het dagelijkse lopen langs ‘duizend’ stangen, meent niet zelf te bewegen maar ervaart een beweging door het spel van het zonlicht door de tralies. Wat een prachtige vondst zoals Rilke dit optekende in de Jardin des Plantes in Parijs.

Maar we gaan verder met de biografie. De voor hem ook in financieel opzicht zware Parijse jaren trokken ondanks de vele inspiraties ook een wissel op Rilke. Een periode van minder schrijven werd in 1922 doorbroken nadat hij bij Triëst driekwart jaar op het slot Duino verbleef. Hier begon hij aan zijn beroemde ‘Duineser Elegien’ die hij in 1922 voltooide. De eerste wereldoorlog had hem van Parijs afgesneden en zorgde voor een verblijf in München waar hij twee jaar lang met een andere Lou (Albert-Lasard) een verhouding had. Uiteindelijk zou de grote Europese oorlog voor Rilke een persoonlijk traumatische ervaring worden aangezien een oproep om in militaire dienst te gaan zijn angsten uit zijn puberteit liet terugkomen. Al kwam hij uiteindelijk niet als soldaat in militaire dienst, zijn zwijgen in die periode was onlosmakelijk door deze angst ingegeven.

Na de grote Europese brand had Rilke behoefte aan rust die hij na wat omzwervingen in het Zwitserse Wallis vond. In het hooggebergte van het hoofdzakelijk Franstalige Sierre, voltooide hij zijn ‘Duineser Elegien’ en kregen zijn ‘Sonnette an Orpheus’ het levenslicht. Nog maar 48 jaar oud kreeg Rilke wat problemen met zijn gezondheid. De rust en de gezonde berglucht waren van weinig waarde voor Rilke’s gestel omdat hij – naar vlak voor zijn overlijden ontdekt werd- lijdend aan leukemie was. Op 29 december 1926, nu 93 jaar geleden, overleed Rilke. Een van de grootste lyrische dichters uit Duitsland, uit Europa, vertrok als een held avant la lettre uit ‘Der Zauberberg’ van Thomas Mann dat twee jaar later zou verschijnen. Misschien wel mijmerend over de zin die Mann in Castorp plantte; ‘Der Mensch soll um der Güte und Liebe willen dem Tode keine Herrschaft einräumen über seine Gedanken’. Het was in ieder geval wel in een Zwitsers sanatorium, en de schrijver zelf nog maar 51 jaren jong.

‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr’

 

Zoals ik onder ‘Schatplichtig aan Nietzsche’ op deze website een paar jaar terug al optekende, ontkwam Rilke niet aan de sfeer die de denker, schrijver maar ook dichter Nietzsche voor hem opriep. Ik schrijf ‘sfeer’ omdat de gedachtes, aforismen, poëtische en allegorische vondsten van Nietzsche met enige frequentie een gevoelsmatige weerslag vinden in de gedichten van Rilke. Een voorbeeld is zijn prachtige gedicht ‘Herbsttag’ waarin de ‘Heimatlosigkeit’ die Rilke ook in zijn aardse belevingen heeft moeten meemaken, een prachtige kunstzinnige reflectie krijgt:

Herbsttag

Herr, es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.

Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,

und auf den Fluren laß die Winde los.

 

Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;

gib ihnen noch zwei südlichere Tage

dränge sie zur Vollendung hin und jage

die letzte Süße in den schweren Wein.

 

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.

Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,

wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben

und wird in den Alleen hin und her

unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr’….’Weh dem der keine Heimat hat’. De connectie tussen Rilke en Nietzsche is weliswaar in kleine kringen maar al wel decennia een onderwerp van enige overdenking en speculatie. Zowel hier in Europa maar bijvoorbeeld ook in Amerika. Ik doel hierbij op de Duitser/Amerikaan Walter Kaufmann (1921-1980) die als schrijver, professor, filosoof en vertaler Nietzsche in Amerika op de kaart heeft gezet. Een bekend werk in deze context is ‘Nietzsche, Philosopher, Psychologist, Antichrist’, een werk uit 1950 waarin Kaufmann stevige kritiek uitte op de naoorlogse misinterpretaties die het werk van Nietzsche ook in Amerika sterk ondermaats hielden.

Kaufmann, overigens behoudens diens protestantisme ook een groot liefhebber van Kierkegaard, heeft veel Nietzsche vertalingen gemaakt en schreef eveneens een essay met de titel ‘Nietzsche and Rilke’. Voor Kaufmann is de invloed van Nietzsche op Rilke buiten kijf. Maar er is ook een overeenkomst te benoemen. Nietzsche en Rilke, zij delen de ervaring van geluk en ellende in de tastbare werkelijkheid en zijn zeer gevoelig voor elke afstand tot deze werkelijkheid, de perceptie, de stemming en de fysieke plaats waar zij zich bevinden. Bij beide schrijvers voelt de lezer bij tijd en wijle een soort religieuze grondstemming zonder een God. Geen woord van God want ook voor Rilke was God een volledig andere grootheid. Zo schreef hij ooit in een brief aan een Poolse vertaler zeer expliciet dat bijvoorbeeld zijn engelen niet de christelijk engelen zijn maar dat het voor hem de metaforen, de dragers van de verbinding tussen het zichtbare en het onzichtbare voorstellen. Voor Rilke was zijn poëzie immers geen interpretatie van de wereld maar een weergave in woorden van een geïnterpreteerde wereld. Een wezenlijk onderscheid en ja, zeer Nietzscheaans!

‘Rilke’s Connection’s to Nietzsche’ (2003) is een studie die de Amerikaan Richard Detsch op zijn naam heeft staan. Een zoektocht in de gedichten en teksten van Rilke naar invloed van Nietzsche. Dat Rilke ‘Über Nütz und Nachteil der Geschichte für das Leben’ heeft gelezen, weten we uit overlevering. Dat is dan de eerste vis die Detsch aan de haak heeft en die hij verder uitwerkt in zijn studie. Ook Nietzsches ‘eeuwige wederkeer van het gelijke’ en ‘Thus spoke Zarathustra’ worden ook door hem aangehaald zijnde een grote voedingsbodem voor de jonge Rilke. Het is een werk dat drie jaar later (2006) ook bestudeerd is door Katja Brunkhorst in haar essay ‘Verwandt-Verwandelt, Nietzsches presence in Rilke’(2007)’. Zij heeft in haar studie grondig onderzoek gedaan naar de verbinding, de ‘Verwandschaft’, tussen beide denkers en dichters en komt tot ongeveer 70 vermeldingen die op zich vaak weer een grote overlap en onderlinge verwijzing kennen. Duidelijk is wel dat het met name Detsch en Kaufmann zijn die hierover baanbrekend nieuwe inzichten hebben geleverd. Voor Brunkhorst is het niet vreemd dat het zo lang in speculaties is blijven hangen omdat Rilke bij leven heeft ontkend veel van Nietzsche te kennen. Maar toch, de gelijkenissen zijn thematisch, filosofisch en psychologisch op z’n minst frappant te noemen. Was Rilke misschien in het Nietzscheaanse begrip een Nietzsche kenner? Onbewust misschien? Door niet als een discipel achter Nietzsche aan te lopen maar zijn eigen creatieve bouwwerken te ontwerpen?

In al veel oudere studies zoals van Fritz Dehn (1936) en dat van Erich Heller (1975) is er al op gewezen dat beïnvloeding niet zozeer in gedachtegoed hoeft te liggen maar ook in de gevoelens. Dus niet de traditionele aanvliegroute die denken en dichten verbindt, maar veeleer tussen denken en voelen. Of zoals Heller het benoemde, de ‘emotionele equivalent’.

Wat las Rilke dan eigenlijk van Nietzsche? Vanuit verschillende invalshoeken is het duidelijk geworden dat buiten de twee bovenstaand genoemde werken, Rilke ook ‘Die Geburt der Tragödie’ heeft gelezen. Hij schreef hierover in maart 1900 zijn ‘Marginalien zu Friedrich Nietzsche’ die echter niet voor publicatie bedoeld was. Met een grote filologische zorgvuldigheid schreef de toen 25-jarige Rilke over passages uit de ‘Geburt der Tragödie’ en dan met name die over kunstzinnige vormen als ritme en muziek gaan. De filosofische boodschap in de ‘Geburt’ liet hij destijds voor wat het is. Het was naar alle waarschijnlijkheid een eerste kennismaking met Nietzsche op aandringen van Lou Salomé.

In het ‘Florenzer Tagebuch’ uit 1898 komen onderwerpen aan bod die zeer sterk aan Nietzsche doen denken; over de kunst en de kunstenaar, de noodzaak voor het kunstzinnige scheppen, de dood van God (weliswaar met een beduidend minder radicalisme dan we van Nietzsche gewend zijn), het gesprek tussen de eenzamen….Of neem zo’n eerste strofe voorin: ‘(…) Unser Wille ist nur der Wind/der uns drängt und dreht/weil wir selber die Sehnsuch sind/die in Blüten steht.’ Maar expliciet geen woord over Nietzsche.

Lou Salomé en Rilke

Daarnaast kende hij wat correspondentie zoals die tussen Nietzsche en Franz Overbeck en tussen Nietzsche en Erwin Rohde. Of Rilke bijvoorbeeld de Franse vertaling van ‘Ecce Homo’ uit 1909 kende is onzeker. Anders gesteld is het ten aanzien van ‘Die Fröhliche Wissenschaft’ dat in de Rilke bibliotheek is aangetroffen en nu ook in het Rilke Archiv aanwezig is, een archief in Gernsbach dat overigens met een degelijke Duitse ‘Gründlichkeit’ is samengesteld en via het web volledig digitaal geraadpleegd kan worden. Rilke heeft in ieder geval delen van ‘Die Fröhliche Wissenschaft’ gelezen. Katja Brunkhorst vindt de grove opdeling in drie levensfasen die vaak aangehouden wordt wanneer je de gemiddelde biografie van Rilke er op naslaat, ook een onheuse benadering wanneer je naar splinters of grotere brokstukken Nietzsche in het werk van Rilke speurt. Zo zijn er bijvoorbeeld twee exemplaren van de Zarathustra in de bibliotheek van Rilke teruggevonden; een boek is naar alle waarschijnlijkheid een exemplaar van Lou Salomé, de ander van hem zelf getuige meerdere aantekeningen zoals de aantekening voorin die verraadt dat hij het boek van zijn vrouw Clara heeft gekregen. Maar onderstreepte zinnen met potlood verraden geen handschrift dus kunnen de aantekeningen ook van Lou zijn geweest. Wie zal het zeggen? Katja Brunkhorst heeft het voor het eerst keurig opgetekend: ‘Von Kind und Ehe’, ‘Vor Sonnenaufgang’, ‘Vom Vorübergehen’. Hier staan wel degelijk opmerkingen van Rilke. Het lijkt er dus toch verdacht veel op dat Rilke hier in contact stond met enkele uitingen van Nietzsche die hem hebben geïntrigeerd. Maar waarom heeft het boek dan naast een gedroogde cyclaam en een foto geen verdere leessporen? Het andere exemplaar, de editie uit 1883 van Schmeitzner, kent ook aantekeningen die hoogstwaarschijnlijk door Lou zijn aangebracht toen zij haar biografie over Nietzsche schreef. Een werk dat in 1894 uitkwam en vanuit verschillende windstreken is geroemd vanwege de heldere uiteenzettingen over leven en gedachten van Nietzsche. In de bibliotheek van Rilke ontbrak dit boek dus ook zeer zeker niet. Al met al is er een grote waarschijnlijkheid die in het onderzoek van Katja Brunkhorst overheerst maar nog steeds is er niet een volledige zekerheid. Maar genoeg om voor nu te laten rusten en ook voldoende om in te zien hoe gedachten van Rilke zijn ingegeven door woorden en gevoelsuitingen van Nietzsche. Nee, er was geen reproductie of verwijzing naar Nietzsche, maar je zou kunnen stellen wel een creatieve uitweg van Nietzscheaanse  vergezichten en gedeelde benaderingen van de kunst. Brunkhorst heeft daarom – ik denk ook terecht – de bruggen op persoonlijke en literaire gronden geduid. En met persoonlijk kom je al gauw terecht op o.a. de financiële onzekerheid en erotische spanningen die beide schrijvers typeren. Zou het bijvoorbeeld toeval zijn dat beide heren zich volkomen hebben verloren in de mooie psychoanalytica Lou Salomé?

‘Du musst dein Leben ändern’

 

Dionysos en Apollo, de bekende grootheden uit diverse aforismen en teksten uit handen van Nietzsche, moeten Rilke volgend Brunkhorst hebben aangesproken. Overigens, de stijl van de gehele Zarathustra is gedrenkt in een lyriek, een romantiek zou je zelfs kunnen zeggen, die Rilke tot de verbeelding moet hebben gesproken. Apollo bijvoorbeeld, komen we als eerste gedicht tegen in ‘Der neuen Gedichte anderer Teil’ dat hij aan Auguste Rodin opdraagt:

Archäischer Torso Apollos

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt

darin die Augenäpfel reiften. Aber

sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,

in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

 

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug

der Brust dich blenden, und im leisen Drehen

der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen

zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

 

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz

unter der Schultern durchsichtigem Sturz

und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle:

 

und bräche nicht aus allen seinen Rändern

aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle

die dich nicht sieht. Du musst dein Leben ändern.

De laatste uitspraak kennen we weer als boektitel uit de handen van Peter Sloterdijk, (‘Du mußt dein Leben ändern’ – 2009) die hierin duidelijk de poëtische vertaling ziet van de gedachte dat de mens zichzelf blijft scheppen door steeds opnieuw weer te oefenen. (Daar sluit weer een cirkel die bijzonder aan Nietzsche refereert zonder deze hierin expliciet te noemen aangezien ook Sloterdijk met zijn werken doorgaans prima in de canon van Nietzsche past, getuige bijvoorbeeld de gedachte in dat boek dat religie niet meer behelst dan een ‘spiritueel oefensysteem’ dat een verticale ontwikkelingslijn nastreeft. Maar dat verder in deze context terzijde.)

Het essay van Brunkhorst intrigeert me door de trefzekerheid en de golflengte waarop ze haar onderzoek heeft laten afspelen. Was de jonge dichter niet net als zovelen gevoelig voor het bombastische woordgebruik, de zwaarwegende thematiek en het broederlijke gevoel waardoor Rilke zich niet alleen voelde staan in de burgerlijke en conventionele maatschappij waarin hij opgroeide? De bekende dreunen van de Nietzscheaanse hamer? De affiniteit van Rilke met passages uit de Zarathustra wierp in tegenovergestelde richting een ander licht op uitspraken die in de complexe Zarathustra te vinden zijn. Het zijn met name religie, liefde (met name de liefde op afstand en minder de naastenliefde) en de eenzaamheid die Rilke in het grote werk hebben aangesproken.

Rilke krijgt door de studie van Brunkhorst bijna de rol als vertolker van Nietzsche. Die broek is waarschijnlijk iets te ruim gemeten maar het is wel een verrassende kijk op de psychologische overeenkomsten tussen de beide dichters en denkers. Een overeenkomst die bijna naar een Freudiaanse uitleg neigt, die andere grootheid in het leven van Lou Salomé; verrassende lijntjes die ‘nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven’ ook weer in een ander licht stelt.

De invloed van Nietzsche op Rilke blijft ondanks de diverse studies een, althans voor mij, intrigerende thema. Net zoals je ook bij Dostojewski dat gevoel kan bekruipen; ‘dit heeft toch wel erg veel gelijkenissen met Nietzsche’. Al vanaf het begin zoals in het ‘Buch vom mönchischen Leben’ ervaar je Nietzsche tussen de regels ook al is het gevecht tussen Rilke en God nog zeer matig en vooral kunstzinnig. In het latere werk komt Nietzsche wat meer achter de sluier vandaan. De ‘Duineser Elegien’ en de ‘Sonetten an Orpheus’ ademen minder religiositeit en meer poëtische aardsheid. Als voorbeeld enkele zinnen uit ‘Die zweite Elegie’: Jeder Engel ist schrecklich (…) Träte der Erzengel jetzt, der gefährliche, hinter den Sternen / eines Schrittes nur nieder und herwärts: hochauf / schlagend erschlüg uns das eigene Herz. Wer seid Ihr?  (…) Spiegel: die die entströmte eigene Schönheit / wiederschöpfen zurück in das eigen Antlitz. / Denn wir, wo wir fühlen, verflüchtigen; ach wir / atmen uns aus und dahin; von Holzglut zu Holzglut / geben wir schwächern Geruch. Das sagt uns wohl einer: / ja du gehst mir ins Blut, dieses Zimmer, der Frühling / füllt sich mit dir…Was hilfts, er kann uns nicht halten, / wir schwinden in ihm und um ihn (…)

Zoals ik bovenstaand al kort beschreef is de invloed niet zozeer op een bewuste en feitelijke manier of op basis van thematische parallellen aan te duiden. De overeenkomsten spelen zich meer af op een sentiment, een sfeer, een associatief kijken en denken, ja je zou zelfs kunnen stellen dat beide schrijvers een overeenkomstig inzicht hadden in de kracht van de affirmatie. Het ‘Ja-sagen’ ervaar je bijvoorbeeld in ‘Die Siebente Elegie’: (…) O und der Frühling begriffe -, ja da ist keine Stelle, / die nicht trüge den Ton Verkündigung. Erst jenen kleinen / fragenden Auflaut, den mit steigernder Stille / weithin umschweigt ein reiner bejahender Tag./ Dann die Stufen hinan, Ruf-Stufen hinan zum geträumten / Tempel der Zukunft -: (…) Und vor sich, den Sommer. / Nicht nur die Morgen alles des Sommers -, nicht nur / wie sie sich wandeln in Tag und strahlen von Anfang.’ Schemert hier niet een beetje Morgenrood tussen de woorden? En wat te denken van de zin in de opening van ‘Die Neunte Elegie’: (…) Aber weil Hiersein viel ist, und weil uns scheinbar / alles das hiesige braucht, dieses Schwindende, das / seltsam uns angeht. Uns die Schwindesten. Einmal / jedes nur einmal. Einmal und nichtmehr (…). De tekst volgt gevoelsmatig een pad dat is ingegeven door een Zarathustra: ‘Hier ist des Säglichen Zeit, hier seine Heimat’. (…) om vervolgens na een ode aan het ding (‘Zeig ihm, wie glücklich ein Ding sein kann …’) te eindigen in ‘Siehe, ich lebe. Woraus? Weder Kindheit noch Zukunft /werden weniger….Überzähliges Dasein entspringt mir im Herzen.’

Rilke in de tuin van Hotel Catalonia Reina Victoria

Ik moet mezelf tot de orde roepen want met alleen al de ‘Duineser Elegien’ in de hand (ik ben voorzichtig met mijn exemplaar uit 1939) is er veel moois te citeren. Rilke sprak zelf wel eens over het ‘Schwingungszahl des poetischen Textes’, een trillingsgetal dat het gedicht met het leven verbindt. Wat mijmerend over dat mooie woord wandel ik in mijn geheugen net zoals in 1989, alleen en in de stilte van de hoteltuin in het zuid-Spaanse Ronda. Een prachtig en weids uitzicht over de kleurschakeringen van Andalusië. Hier verbleef Rilke enkele maanden in 1912 nadat hij nog onder de indruk van het werk van El Greco in Toledo de winterse kou van de hoogvlakte had ontvlucht en via Córdoba en Sevilla in Ronda terechtkwam. Hier zou hij de rest van zijn leven wel willen blijven maar het werd slechts één winter, daar aan die prachtige kloof:

„Es ist unbeschreiblich, um das Ganze herum ein geräumiges Tal, beschäftigt mit seinen Feldflächen, Steineichen und Ölbäumen, und drüben entsteigt ihm wieder, wie ausgeruht, das reine Gebirg, Berg hinter Berg, und bildet die vornehmste Ferne. Was die Stadt selbst angeht, so kann sie in diesen Verhältnissen nicht anders als eigen sein, steigend und fallend, da und dort so offen in den Abgrund, dass gar kein Fenster hinzuschauen wagt, – kleine Paläste hinter Krusten von jährlicher Weiße, jeder mit farbig abgesetztem Portal.“

‘Pfeile der Sehnsucht nach dem anderen Ufer’, aldus sprak Zarathustra. Rilke dichtte: ‘Wie der Pfeil die Sehne besteht, um gesammelt im Absprung/mehr zu sein als er selbst.’

Zo vlak voor kerst sluit ik graag af met Rilke’s ‘Weihnachten’ gedicht:

Weihnachten ist der stillste Tag im Jahr

Weihnachten ist der stillste Tag im Jahr.
Da hörst du alle Herzen gehn und schlagen
wie Uhren, welche Abendstunden sagen.
Weihnachten ist der stillste Tag im Jahr.

Da werden alle Kinderaugen groß,
als ob die Dinge wüchsen, die sie schauen
und mütterlicher werden alle Frauen
und alle Kinderaugen werden groß.

Da mußt du draußen gehn im weiten Land
willst du die Weihnacht sehn, die unversehrte,
als ob dein Sinn der Städte nie begehrte,
so mußt du draußen gehn im weiten Land.

Dort dämmern große Himmel über dir,
die auf entfernten, weissen Wäldern ruhn,
die Wege wachsen unter deinen Schuhn,
und große Himmel dämmern übern dir.

Und in den großen Himmeln steht ein Stern,
ganz aufgeblüht zu selten großer Helle,
die Fernen nähern sich wie eine Welle ,
und in den großen Himmeln steht ein Stern.

Voor iedereen een gezond en poëtisch 2020!