Vita activa oder Vom tätigen Leben

Vita activa oder Vom tätigen Leben

Ergens in deze hete zomer – uitdaging of toeval, wat had me hier gebracht? – liep ik na zovele jaren van handelend leven tegen de Duitse versie van The Human Condition aan. Waren het de grove zwart-wit ogen van Hannah Arendt die me hier in Leipzig dwongen het boek in te kijken en ik mijn mobiele telefoon bijna verloor omdat het lezen van die prachtige filosofische zinnen uit de jaren ’50, de concentratie op al het andere om me heen had deden verdwijnen? Concentratie die smolt als sneeuw onder die allesverzengende zon die de stad al weken in haar greep leek te houden. Buiten spatte een fontein de verhitte mensen wat koelte toe en ineens ontwaarde ik daar mijzelf, of beter gezegd het kind in mij dat nog geen besef had wat de werkende, denkende of handelende mens in mijzelf zou gaan voortbrengen. ‘Vita Activa’, oder Vom tätigen Leben’, lag daar voor mij, ergens op de derde verdieping van Boekhandel Hugendubel. Ik werd uitgenodigd om die menselijke conditie van Arendt opnieuw tot me te nemen, nu in de moedertaal van Hannah Arendt zelf.

Zoveel ‘Willen” en zoveel “Denken” verder (zie ook de bijdragen op deze Nietzsche website van 6 december 2014 en 9 maart 2015), kwamen ook nu weer de zinnen uit de pen van Arendt mij voor alsof ze gisteren geschreven waren. Zoveel actualiteitswaarde in menig discussie, probleemstelling en dilemma van vandaag. In de drie bekende autonome activiteiten ‘Arbeit’, ‘Herstellen’ en ‘Handeln’ (in haar Engelse en originele uitgave; labor, work and action) beschrijft ze haar visie op en zorg om de relatie tussen het actieve leven en het beschouwende, reflectieve leven. Als geen ander heeft ze mede naar aanleiding van de politieke ontwikkelingen met al haar uitwassen van de 20eeeuw, haar zorg uitgesproken over de ontsporing die de mens in haar ogen heeft doorgemaakt en blijft doormaken. Haar woorden spreken me telkens weer aan omdat ze onbewust ook lijken aan te haken bij een opvoeding die me steeds weer terugwerpt op die ene grote kernwaarde; ‘blijf te allen tijde verantwoordelijk voor wat je doet en wat je zegt’. De mens heeft naast allerlei existentiële vragen niet alleen die overlevingsdrang op zijn schouder te dragen, maar draagt ook een verantwoordelijkheid op het moment dat handelen en spreken in de openbare ruimte en met anderen samengaan. “Sofern wir im Plural existieren, und das heisst, sofern wir in dieser Welt leben, uns bewegen und handeln, hat nur das Sinn, worüber wir miteinander oder wohl auch mit uns selbst sprechen können, was im Sprechen einen Sinn ergibt.”

Haar appèl aan de politiek om die twee grootheden –handelen en spreken – scherp te houden en tegenwicht te bieden tegen de algehele banaliteit, heeft op zich ook een tijdloos element in zich, evenals een tijdloos nihilistische interpretatie van die waarschuwing. Want kijk om je heen. Politiek kan het pas zijn wanneer de spraak het kan vormgeven. Maar tot wat heeft die spraak en dat taalgebruik zich al ontwikkeld, ook na haar scherpe analyses in de jaren ’50 en ‘60?

In elke ruimte en in elke tijd is haar vraag legitiem en actueel: wat doen we eigenlijk wanneer we actief zijn? “…es geht mir um nichts mehr als dem nachzudenken, was wir eigentlich tun, wenn wir tätig sind”, schrijft ze in haar voorwoord. In haar eerste hoofdstuk komt ze al iets meer tot de essentie van haar betoog dat al het menselijk handelen niet noodzakelijkerwijs uit die ene oerdrift moet voorkomen maar dat die gedachte veeleer voortkomt uit de behoefte aan ordening; “Diese Überzeugung ist aber nicht selbtsverständlich, und wenn ich von der Vita activa rede, so setze ich voraus, das die in ihr beschlossene Tätigkeiten sich nicht ein immer gleichbleibende Grundanliegen ‘des Menschen überhaupt’ zurückführen lassen und dass sie ferner den Grundanliegen einer Vita contemplativa weder überlegen noch unterlegen sind.” Handelen, spreken of denken kent geen rangorde en er is geen constante tijdloze werkelijkheid van waaruit de mens doet wanneer hij handelt. Hier lees ik al een interpretatie op Nietzsches gedachten die de filosofe goed heeft gelezen en gedoceerd heeft gekregen (Heidegger, Jaspers). Ook verderop aan het einde van haar tweede hoofdstuk, kom je veel Nietzsche tegen wanneer Arendt over het ‘goede doen’ reflecteert, een prachtige beschouwing die haar bij Machiavelli brengt en van waaruit ze de overeenkomst tussen het openbare ‘goede’ en ‘slechte’ beschrijft. Nietzsche kom je tussen de zinnen nog veel vaker tegen, ook in dit hoofdwerk van haar, bijvoorbeeld in hoofdstuk drie waarin ze de continue herhaling van het gelijke loslaat op een betoog over de wereld van ongelimiteerde consumptie; ”Das Leben ist ein Vorgang, der überall das Beständige aufbraucht, es abträgt und verschwinden lässt, bis schliesslich tote materie, das Abfallprodukt vereinzelter, kleiner, kreisender Lebensprozesse, zurückfindet in den alles umfassenden ungeheuren Kreislauf der Natur selbst, die Anfang und Ende nicht kennt, und in der alle natürlichen Dingen schwingen in unwandelbarer, todloser Wiederkehr. ”Die laatste drie woorden is een fantastische vondst van begrippen die Nietzsche laat leven op deze pagina’s. En een pagina verder komt de aap dan ook uit de mouw; “Jede Lebensphilosophie wird mit Nietzsche dazu kommen müssen, die ‘ewige Wiederkehr’ als das höchste Seinsprinzip zu etablieren; tut sie es nicht, so weiss sie nicht, wovon sie redet.”

Ook in de actuele discussies over artificiële intelligentie (AI) en ongelimiteerde mondialisering van macht zou heel wat meer Arendt mogen voorkomen. Als geen ander fileert ze precies wat we in essentie doen, maar ook dreigen te verliezen, wanneer we mechaniseren, automatiseren en robotiseren. Natuurlijk borduurt ze hier voort op haar leermeester Heidegger die al veel over het fenomeen en essentie van techniek had geschreven. Maar haar doorkijkjes en beschouwingen vind ik zo ongelooflijk scherp en actueel dat je elke AI-fanaat dit boek, of op z’n minst de essentie van ons handelen en scheppen, zou willen voorleggen. Een ongelimiteerde drang naar een onmenselijke ont-geestelijking zou ik het willen noemen, afdrijvend van de essentie van ons mens zijn wanneer apparaten voor ons gaan denken. Een streven waarin achter elk doel weer een ander doel schuilgaat. Achter elk nut weer een ander nut. En daar staat Nietzsche plots achter een al oude boom en mompelt iets over een “Zweckprogressus in infinitum”, en Arendt begrijpt het, past het toe en houdt ons de spiegel voor dat doel en middel steeds en onbegrensd van stuivertje lijken te wisselen, als een ronddraaiende ketting die ons dol heeft gemaakt; ‘jede wirklich durch und durch, konsequent utilitaristisch organisierte Welt befindet sich wie Nietzsche gelegentlich bemerkte, in einem ‘Zweckprogressus in infinitum’.”

In hoofdstuk 5 dat volledig gewijd is aan ons handelen, komen diverse klassieke Grieken voorbij en illustreert ze aan de hand van de oude polis hoe handelen en spreken het publieke domein domineerden en vooral ook een andere rol kregen in de samenleving dan heden ten dage. Vanuit de driehoek macht-geweld-kracht analyseert ze hoe macht werkt en wat in essentie de macht maakt. In die context kon en kan Nietzsche dan ook niet uitblijven dus lezen we ook ‘Macht korrumpiert in der Tat, aber nur, wenn die Schwachen sich zusammentun, um die Stärken zu ruinieren, nicht vorher. Der ‘Wille zur Macht”, wie ihn die Neuzeit von Hobbes bis Nietzsche als Laster oder Tugend der Starken auslegte, ist in Wahrheit eines der Laster der Schwachen und Schlechtweggekommennen, der von Neid, von Gier, von Ressentiment Geplagten.’ En ze sluit haar alinea en haar betoog af met “Der Wille zur macht ist das gefährlichste dieser Laster, die er politisch überhaupt erst virulent macht.” Ook hier kun je niet om de actualiteitswaarde heen en dwalen mijn gedachten naar de jaren ’30 toen ook ter Braak al appelleerde aan ressentiment en rancune, de bouwstenen voor aanstekelijk machtsverlangen. De ‘Wil tot Macht’ van Nietzsche heeft in de teksten van Arendt een iets meer politieke connotatie dan met name in de latere jaren ’60 en ’70 in filosofische kringen rondom deze “Wil” van Nietzsche ontstond.

Vergeven en verantwoordelijkheid

Met een sterke verwijzing naar Bijbelse uitspraken van Jezus geeft ze een beschouwing over onze verantwoordelijkheid en de mogelijkheid om te vergeven. Met recht wijst ze erop dat in de Christelijke leer de liefde voor de dader tot vergiffenis voor zijn verkeerde daad kan leiden maar de daad an sich daarmee niet met de mantel der liefde bedekt kan worden. De vergiffenis, de gedachte van de alles bedekkende liefde en het vermogen te kunnen vergeven en vergeten, is een samengeraapt bedenksel dat de mens vrij kan waren, al zou je soms wensen dat de betreffende mens nooit geboren zou zijn, en kan nooit de handeling zelf bedekken. Ze vervolgt haar betoog: “Dass Menschen nicht fähig sind, sich auf sich selbst zu verlassen oder, was auf dasselber herauskommt, sich selbst volkommen zu vertrauen, ist der Preis, mit dem sie dafür zahlen, dass sie frei sind; und dass sie nicht Herr bleiben über das, was sie tun, dass sie die Folgen nicht kennen und sich auf die Zukunft nicht verlassen können, ist der Preis, den sie dafür zahlen, dass sie mit anderen ihresgleichen zusammen die Welt bewohnen, der Preis, mit anderen Worten, für die Freude, nicht allein zu sein, und für die Gewissheit, dass das Leben mehr ist als nur ein Traum.”  Hier voel je als lezer al de aanloop naar iets Nietzscheaans hetgeen zich ook openbaart op pagina 314 waar ze recht doet aan een van de mokerslagen van Nietzsche waarin deze de mens definieerde als een dier dat beloven kan: “Dass nur das Versprechen den Menschen auch für sich selbst ‘berechenbar’ und die Zukunft verfügbar macht, hat man immer gewusst; aber erst Nietzsche, wie mir scheint, in seinem grandiosen Spürsinn für die Wurzel moralischer Phänomene, hat auf das ‘Macht- und Freiheitsbewusstsein’ hingewiesen, das dem zuwächst, ‘der sein Wort gibt als etwas, auf das Verlass ist, weil er sich stark genug weiss, es selbst gegen Unfälle, selbst ‘gegen das Schicksal’ aufrechtzuhalten, und er ist wohl sicher der einzige, der den Menschen als ‘ein Tier’ definiert hat ‘das versprechen darf’”. Vervolgens komt ze tot de pointe waar ik bovenaan refereerde, namelijk de verantwoordelijkheid die onherroepelijk volgt op de vrijheid van de keuze om je verantwoordelijkheden te nemen; “Es ist auch Nietzsche, der dieses Versprechenkönnen und –dürfen mit Souveränität und dem ‘Ausserordentlichen Privilegium der Verantwortlichkeit’ identifiziert hat.”

Ze verwijst in haar noten naar de eerste twee aforismen uit de ‘Genealogie der Moral’.  Ik zal hier de eerste en bekende waarmee Nietzsche zijn Genealogie in 1887 opende in de originele ‘Fassung” nog eens aanhalen: “Wir sind uns unbekannt, wir Erkennenden, wir selbst uns selbst: das hat seinen guten Grund. Wir haben nie nach uns gesucht, — wie sollte es geschehn, dass wir eines Tags uns fänden ? Mit Recht hat man gesagt: „wo euer Schatz ist, da ist auch euer Herz“; unser Schatz ist, wo die Bienenkörbe unsrer Erkenntniss stehn. Wir sind immer dazu unterwegs, als geborne Flügelthiere und Honigsammler des Geistes, wir kümmern uns von Herzen eigentlich nur um Eins — Etwas „heimzubringen“. Was das Leben sonst, die sogenannten „Erlebnisse“ angeht, — wer von uns hat dafür auch nur Ernst genug? Oder Zeit genug? Bei solchen Sachen waren wir, fürchte ich, nie recht „bei der Sache“: wir haben eben unser Herz nicht dort — und nicht einmal unser Ohr! Vielmehr wie ein Göttlich-Zerstreuter und In-sich-Versenkter, dem die Glocke eben mit aller Macht ihre zwölf Schläge des Mittags in’s Ohr gedröhnt hat, mit einem Male aufwacht und sich fragt „was hat es da eigentlich geschlagen? “so reiben auch wir uns mitunter hinterdrein die Ohren und fragen, ganz erstaunt, ganz betreten „was haben wir da eigentlich erlebt? mehr noch: ”wer sind wir eigentlich?“ und zählen nach, hinterdrein, wie gesagt, alle die zitternden zwölf Glockenschläge unsres Erlebnisses, unsres Lebens, unsres Seins — ach! und verzählen uns dabei… Wir bleiben uns eben nothwendig fremd, wir verstehn uns nicht, wir müssen uns verwechseln, für uns heisst der Satz in alle Ewigkeit „Jeder ist sich selbst der Fernste“, — für uns sind wir keine „Erkennenden“…

Ook de computer als fenomeen (‘diese ins Gigantische gewachsene Rechenmaschine’) zet Arendt in een kritisch perspectief en in een tijdlijn. Het enige dat ze echt hebben bewezen is dat Hobbes geen gelijk had toen hij in de 17eeeuw verkondigde dat de toepassing van ons verstand de hoogste menselijke vaardigheid is. “….und dass das neunzehnte Jahrhundert mit seiner Arbeits- und Lebensphilosophie – mit Marx, Bergson und Nietzsche – im Recht war, wenn es den Verstand für eine blosse Funktion des Lebensprozesses hielt und also das Leben selbst für etwas höheres als den Verstand.”

Het boek verdient het telkens weer opnieuw gelezen te worden. Aan de hand van de onderverdeling in ‘Homo faber” en “Animal laborans” beschrijft ze onze drijfveren wanneer we handelen, maken, voortbrengen zou ik willen zeggen. Grote filosofen, Griekse wijsgeren, dichters en schrijvers, ze voert ze ten tonele in een prachtig werk waarin ze ‘het goede leven’ onderzoekt en probeert te omschrijven. Arbeid als het noodzakelijke voorzien in onze dagelijkse levensbehoeften, werken als het creëren en voortbrengen van goederen en handelen als de activiteit waarin we onze stem laten horen in ons samenzijn met anderen. Het is immers niet de mens die de aarde bewoont maar het zijn de mensen. Maar hoe actueel is haar zorg die een van de rode draden in haar boekt vormt; worden consumeren en produceren niet steeds meer een doel op zich en verdwijnt ondertussen het publieke domein, ons samen zijn als mens, niet steeds meer uit ons bestaan?

Hannah Arendt werd 14 oktober in Hannover geboren. Ze wordt beschouwd als een van de belangrijkste politiek-filosofen van de twintigste eeuw. Ze studeerde filosofie en theologie bij o.a. Edmund Husserl, Rudolf Bultmann, Karl Jaspers en bij Martin Heidegger, met wie ze overigens een gecompliceerde liefdesrelatie kreeg. In 1933 vluchtte zij voor het opkomend nazisme naar Parijs, en vervolgens in 1941 naar Amerika. Voor, tijdens en na de oorlog was ze actief in progressief-joodse bewegingen; ze zette zich in voor de slachtoffers van antisemitisme en holocaust. Al vroeg onderscheidde ze zich, o.a. met haar scherpe analyses van de totalitaire systemen in de twintigste eeuw, met haar eerste grote boek, “De oorsprong van het totalitarisme” (1951; deels vertaald, Boom 2014). Na haar hoofdwerk, “De menselijke conditie’ (1958) kreeg ze veel kritiek wegens een ‘te gemakkelijke morele veroordeling’ van Eichmann in haar boek “Eichmann in Jeruzalem: de banaliteit van het kwaad” uit 1963. Ze kwam daardoor in conflict met de universitaire wereld en met de Joodse internationale gemeenschap. Haar laatste grote werk, “Het leven van de geest” bleef onvoltooid en verscheen postuum, uitgegeven door Arendts vriendin Mary McCarthy. In Nederland verscheen het o.a. bij Uitgeverij Klement in 2012 en 2014. Hannah Arendt overleed op 4 december 1975 aan een hartaanval in haar woonplaats New York.

In 2012 verscheen een film over haar leven en werk. Actrice Barbara Sukowa speelt daarin Hannah Arendt waarbij de grootste uitdaging voor regisseur Margarethe von Trotta (o.a. bekend van “die Bleierne Zeit”) het ‘denken’ was. Want hoe beeld je die centrale activiteit in het leven van de hoofdpersoon uit zonder een film saai te laten worden? Misschien in essentie ook wel mijn eigen kleine teleurstelling toen ik zes jaar terug de bioscoop verliet. De grootsheid en gedurfdheid van haar gedachten en zinnen krijg je niet goed verbeeld op het filmdoek, hoe groot deze ook is en hoeveel Dolby Surround je ook toepast.

“De menselijke conditie” is een Nederlandse vertaling uit de handen van C. Houwaard en bij Boom Uitgevers verschenen. Dat scheelt een reis naar Leipzig. Maar eerlijk is eerlijk; ik lees deze zinnen het liefst in het Duits, de taal van het denken dat me dichter bij Friedrich Nietzsche brengt. In Leipzig waar de zon en een heerlijk ijsje me wat genoegen hadden gebracht, nam ik deze zomer dit boek daarom vastbesloten onder mijn arm, vond mijn mobiele telefoon gelukkig weer terug en hoorde het ontspannen geklater van de fontein dat me vergezelde toen ik gelukkig als een kind de boekwinkel verliet…