Nagelaten fragmenten (1)

Nagelaten fragmenten (1)

“Toen Nietzsche in 1900 overleed, liet hij een groot aantal schriften na met aantekeningen, ontwerpen, schema’s en aanzetten tot een gedachte, al dan niet uitgewerkt. Deze massa notities bleef onuitgezocht sluimeren in het Nietzsche-archief, tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw twee Italiaanse filosofen, Giorgio Colli en Mazzino Montinari, de papieren ordenden en voor publicatie gereedmaakten. Pas bij het verschijnen van de eerste delen in 1967 werd het belang van deze nalatenschap voor een juist begrip van Nietzsches filosofie duidelijk.”

Bovenstaand citaat is een korte introductie op de Nagelaten Fragmenten op de website van ene Bol.com. Ik vul graag aan dat de vertaling door Michel van Nieuwstadt en Mark Wildschut een ongelooflijk knap stuk werk is. Het uitzoeken van alle losse en niet uitgegeven aantekeningen en aforismen (inclusief alle aantekeningen en correcties door Nietzsche zelf) was al in de jaren ‘60 gedaan, maar toch ga er maar eens aan staan: de ‘Nachlaß’ neemt in de Kritische Studienausgabe (KSA) en in de Kritische Gesamtausgabe der Werk (KGW) onomstotelijk een grote ruimte in en het is dan ook geen verrassing dat de vertaling leidde tot zes kloeke en fraaie boeken die in 2007 bij uitgeverij SUN verschenen. Ik heb her en der op deze website al eens gememoreerd hoe onverteerbaar het is dat deze vertalingen in de ramsj zijn verschenen want voor de Nietzsche lezer en liefhebber is deze uitgave een parel! Meneer/mevrouw Bol verwoordt het dan ook terecht als volgt: ‘Lezend in de vertaling voel je je betrokken bij Nietzsches scheppingsproces. De ‘Nachlaß’ is meer dan eens en terecht vergeleken met een atelier, een werkplaats of een laboratorium, waar je de denker en schrijver Nietzsche tijdens zijn arbeid gadeslaat.’ “Wijsheid voor overmorgen”, zoals Nietzsche als titel opperde.’

Een enthousiaste lezer verwoordt het weer op een andere wijze: Met de Nagelaten Fragmenten kan ik er niet meer om heen: Nietzsche is werkelijk geniaal! Wil je de echte Nietzsche leren kennen, laat dan zijn boeken, hoe goed die ook mogen zijn, staan en verlustig je aan de Nagelaten Fragmenten. Zij overtreffen in diepgang en inzicht, ze zijn persoonlijker en minder schreeuwerig. Een absolute aanrader! 

Ik heb op deze laatste dag van dit jaar het idee opgevat om verdeeld over meerdere blogbijdragen wat aandacht aan deel 1 van de Nagelaten Fragmenten te geven, en wel werkend vanuit de vertaling. Alleen al het eerste boek dat de periode herfst 1869 tot het eind van 1874 (Nietzsche’s leeftijd destijds dus tussen 25 en 30 jaar) beslaat, geeft voldoende voeding om te delen met de lezer van deze webblog. De aantekeningen van dit eerste deel beslaan in het origineel 19 grote schriften, 3 boeken met aantekeningen en nog eens 2 mappen met losse aantekeningen. De enige ordening die de teksten hebben is een chronologische. Al lezende tekende ik in de afgelopen jaren zowel in de KSA als in deze vertaling verschillende aforismen aan. De Griekse tragedie en de Duitse cultuur -voor zover deze bestaat- worden door Nietzsche veelvuldig beschreven. Maar ook het gebrek aan mythe, kunst en het geheel aan levensbegrippen en waarden dat Nietzsche het predikaat van het Dionysische heeft gegeven. Het wordt onder de voet gelopen door een overdaad aan kennis en wetenschap waar ook techniek een steeds grotere plaats inneemt. Een conservatieve denker of een analyticus die zijn tijd ver vooruit was? Die ín de geschiedenis de geschiedenis zelf aan een ‘oneigentijdse’ beschouwing blootstelde en zag hoe de zoekende mens troost en houvast zoekt in een perspectief dat uiteindelijke het schrale pad van het nihilisme niet weet te overwinnen.

Over die kennis schrijft hij in hoofdstuk 3 aforisme 10 het volgende; “de volledige kennis doodt het handelen: ze doodt zelfs zichzelf als ze betrekking heeft op het kennen zelf. Je kunt geen lichaamsdeel verroeren als je eerst alles wilt weten wat voor het verroeren ervan nodig is. Nu is volledige kennis onmogelijk en daarom ook is handelen mogelijk. Kennis is een schroef zonder eind: elk moment dat hij wordt aangezet, begint een oneindigheid: daarom kan het nooit tot handelen komen. – Dat alles geldt alleen voor bewuste kennis. Ik sterf zodra ik, alvorens adem te halen, de diepste redenen voor die ademhaling wil aangeven. Iedere wetenschap die zichzelf praktische betekenis toekent, is nog geen wetenschap, economie bijvoorbeeld.”

Voortgaand op die analyse en zienswijze denkt hij hardop een gedachte waar de tegenstelling tussen Apollo en Dionysos zich eenduidig aftekent; “De ene kant van de wereld is zuiver mathematisch, de andere kant is enkel wil, lust en onlust. Kennis met absolute waarde zuiver in getal en ruimte aanwezig, de andere is een erkennen van driften en het inschatten ervan. In het eerste geval enkel oorzaak en gevolg, absolute logica, in het andere geval enkel doeloorzaken. Gelijkenis met de muziek: aan de ene kant zuiver getal aan de andere kant zuivere wil. Strenge scheiding tussen beide werelden.”

Al vroeg ontstaat bij Nietzsche de waardering en de speciale plek van de kunst. Een uiting van drift en tragedie waarin hij een irrationele acceptatie van het leven ziet, getuige ook de andere werken die hij hieraan wijdde. In aforisme 60 schrijft hij dan ook: “Enige mogelijkheid om te leven: in de kunst. Anders blijft niets anders over dan zich afwenden van het leven. Complete vernietiging van de illusie is de drijfveer achter de wetenschappen: quietisme zou het gevolg zijn – ware daar niet de kunst. Duitsland als eigenlijke orakelplaats van de kunst. – Doel: de organisatie van staatswege van de kunst – kunst als opvoedingsmiddel – afschaffing van de specifiek wetenschappelijke opleidingen. De ontbinding van de nog in leven zijnde religieuze sentimenten door ze naar het domein van de kunst te transponeren – daar ligt het praktische doel. Bewuste vernietiging van het criticisme van de kunst door toegenomen wijding (origineel: vermehrte Weihe) van de kunst (…).” In aforisme 77 spreekt hij dan ook een waardering uit voor Sophocles als hoogtepunt van de Griekse religie die hij diepzinniger acht dan alle latere vanwege de gelukzalige bestaansaanvaarding bij pessimistische denkers. En in aforisme 92 geeft hij nog eens twee voorbeelden van de plaats van kennis ten opzichte van het beleven: “De meeste ‘brandende vraagstukken’ van de klassieke filologie zijn tamelijk onbeduidend vergeleken met de centrale vragen, die overigens maar door weinigen worden gezien. Wat doet de volgorde er nou toe waarin de Platoonse dialogen zijn geschreven! En wat levert de vraag naar de echtheid bij Aristoteles op! (…).” Een gedachte (geen stelling!) die aansluit bij mijn vorige blogbijdrage over de kenner van de filosofie die zichzelf ‘filosoof’ noemt. Hoofdstuk 3 sluit wanneer we in medio 1870 zijn beland. Nogmaals, de professor Nietzsche is hier nog maar 25 jaar jong en ook al heeft hij Schopenhauer al gelezen en heeft hij zijn positie ten opzichte van hem al in zijn achterzak, het blijft bijzonder om zinnen als de volgende te vinden: “Je ontkomt niet aan de wil: de moraal, de kunst staan enkel in zijn dienst en werken slechts voor hem. Misschien is de illusie dat het tegen hem in gebeurt noodzakelijk. Het pessimisme is onpraktisch en kan niet consequent zijn! Het niet-zijn kan geen doel zijn. Het pessimisme is enkel in het rijk van het begrip mogelijk. Bestaan is alleen draaglijk vanuit geloof in de noodzaak van het wereldproces. Dat is de grote illusie: de wil snoert ons aan het bestaan vast en buigt elke overtuiging om tot een mening die het bestaan mogelijk maakt. Dat is de reden waarom het geloof in een voorzienigheid zo onuitroeibaar is, want het helpt ons over het kwaad heen. Vandaar dan ook het geloof in de onsterfelijkheid.” Hier ligt al een basis voor alle verdere kritische opmerkingen van Nietzsche jegens geloof en religie. Om de ledigheid niet te hoeven aanschouwen zoeken we naar een beeld, een geloof, een antwoord die samen de illusie vormen waarin we de ‘noodzaak van het wereldproces’ (i.c. het leven) het hoofd kunnen bieden. Een wijsheid die al eeuwen de zoekende mens achter het gordijn en de sluier verklaart.

Uit de aantekeningen in de laatste maanden van 1870 vormden de Nietzsche-onderzoekers Colli en Montinari o.a. hoofdstuk 5 in dit eerste deel. Een hoofdstuk dat in aforisme 36 weer onnavolgbaar Nietzsche aan het woord laat waarin deze schijft: “Een individu moet aan het totaaldoel dienstbaar zijn: zonder het te kennen. Zo doet elk dier, elke plant. Bij de mens komt daar nu, in het bewuste denken, een schijndoel bij, een tussengeschoven waan: de enkeling meent voor zichzelf iets te bereiken. We verzetten ons tegen het instinct. Daarin schuilt zelf een instinct. De natuurlijke mens voelt een scherpe kloof tussen zich en het dier; als hij aanstalten maakt voor zichzelf te verduidelijken waaruit die kloof bestaat, haalt hij zich domme onderscheidingen in het hoofd. De wetenschap leert de mensen om zich als dier te beschouwen. Hij zal daar nooit naar handelen. De Indiërs hebben het meest juiste inzicht, intuïtief, en handelen daarnaar.”

Al ver voor het gebazel over de vrije of onvrije wil zoals we dat in de afgelopen jaren in diverse media tegenkwamen, vind je hele eenvoudige en raak geformuleerde Schopenhaueriaanse gedachten tussen de vele snippers die Nietzsche achterliet. Wat te denken van 5-77: ‘De wereld van de voorstellingen is het middel om ons in de wereld van de daad staande te houden en onszelf tot handelingen in dienst van het instinct te dwingen. De voorstelling is motief tot de daad: terwijl ze het wezen van de handeling helemaal niet raakt. Tussen het instinct dat ons tot de daad noopt en de voorstelling die als motief tot ons bewustzijn doordringt, bestaat onderscheid. De vrijheid van de wil is de wereld van deze tussengeschoven voorstellingen, het geloof dat motief en handeling elkaar noodzakelijkerwijs veronderstellen.” De cursieve ‘vrijheid van de wil’ tekent net als zovele andere cursieve woorden en zinsdelen als ook de vele tussen gedachtestreepjes geplaatste doorkijkjes, het licht cynische, tegendraadse karakter en de soms humoristische stijl van de duizenden aforismen uit de pen van Nietzsche. Pre-Freudiaans (een vaststelling die je al lezende in Nietzsche vaak moet maken), toont Nietzsche die hang naar kennis en de onmogelijkheden om het onbewuste over te dragen, je zou kunnen zeggen dát wat het drama of de tragedie de troostende kracht geeft: “Alle uitbreiding van onze kennis ontstaat vanuit het bewustmaken van het onbewuste. Nu is de vraag welke tekentaal wij daarvoor hebben. De ene soort kennis is maar voor enkelen bestemd en andere dingen laten zich alleen kennen als we ons daarop hebben voorbereid en de stemming gunstig is.”

Een mooie literaire woordkracht zoals je die zo vaak bij Nietzsche kunt vinden lees je twee hoofdstukken verder (hoofdstuk 7) in bijvoorbeeld 92: “Met de doorzichtigheid, helderheid, beslistheid en schijnbare vlakheid van het Griekse leven is het gesteld als met heel helder zeewater: voor het oog ligt de bodem veel hoger, het ziet er ondieper uit dan het is. Juist dat zorgt voor de grote helderheid.” Prachtig! Het wordt voorafgegaan én gevolgd door zinnen die ik graag in de originele Duitse versie opteken: “Es gibt keine schöne Fläche ohne eine schreckliche Tiefe”, en “Die grosse Ruhe und Bestimmtheit ist eine Folge der unergründlichen Tiefe der Naturanlage.” Tegeltjeswijsheid of een poëtisch beeld met veel zeggingskracht?!

Een prachtige zin vind je ook als afsluiter van aforisme 116 waar Nietzsche noteert: ‘Het schone in de natuur bestaat niet. Maar wel het storend-lelijke en een indifferent punt. Denk maar aan de realiteit van de dissonantie tegenover de idealiteit van de samenklank. Productief is dus de pijn, die als verwante tegenkleur het schone produceert – vanuit dat indifferente punt. (…) Is de realiteit nu misschien enkel de pijn en wordt van daaruit de voorstelling geboren? Maar van welke aard is dan het genot? (…) wij zijn de gestalten in een droom van een god, die in de gaten hebben hoe hij droomt.” Nietzsche creëert zowaar een soort Drosteblik bestaand uit spiegelbeelden en projecties uit indifferentiepunten en durft het zelfs aan om de subjectiviteit niet antropomorf maar mondain te noemen. Hier zien we de creatieve kracht van het denkwerk dat zo onuitwisbaar bij Nietzsche hoort! ‘Wat is nu het kunstwerk?” vraagt hij zich af in een gedachte die nr.117 heeft gekregen. Een harmonie die ontstaat doordat de disharmonie tussen de realiteit en de gedroomde realiteit wordt opgeheven en de dissonantie overwint. Dat moet volgens hem de kracht van de kunst zijn. Het middel is dus de waanvoorstelling, van de voorstelling op zichzelf, die de (wereldse) pijn overwint bij de aanschouwing. Hier ligt de jonge kiem van zijn algemene opvatting over kunst en hoe deze als troost kan dienen, ja zelfs moet dienen. Nietzsche sluit dat prachtige 117 af met de zin: ‘het kunstwerk en de enkeling is een herhaling van het oerproces waaruit de wereld is ontstaan, als het ware een kleine kolking binnen de grote golf.” Lezen we hier al iets in het ‘laboratorium’ van zijn denkwerk dat later de Eeuwige terugkeer van het Gelijke zal gaan heten? En al zijn het stuk voor stuk prachtige doorkijkjes in de gedachtewereld van Nietzsche, ik wil (delen uit) nr.175 niet onvermeld laten: “Het behoort tot de natuur van elk mens dat hij zover hij kan in de aanschouwing opklimt. Deze ontwikkeling is verbonden met de voorstelling van vrijheid: alsof de mens ook anders zou kunnen! Uit het feit echter dat de mens opklimmen kan, blijkt dat hij geen moment dezelfde is, zoals ook zijn lichaam een worden is. Wat is, is alleen de ene wil: de mens is een voorstelling die elk moment wordt geboren. Wat is standvastigheid van karakter? Een activiteit van de aanschouwende wil, wat evenzeer geldt voor de mate waarin een karakter nog kan worden gevormd. (…) Leven is dat onophoudelijk voortbrengen van deze dubbele voorstellingen: de wil is en leeft alleen. De empirische wereld verschijnt slechts, en wordt.” Het zijn gedachten die bij de Nietzsche uit 1870 horen. Hij sluit af met “ik geloof in het onverstand van de wil. De projecties zijn pas na eindeloos veel moeite en talloze mislukte experimenten levensvatbaar. Slechts nu en dan is de kunstenaar daarvan resultaat.”

Voor deze bijdrage wil ik graag afsluiten met een finale gedachte van hetgeen later hoofdstuk 7 in dit eerste deel van de Nagelaten Fragmenten zou gaan worden. In aforisme 201, een wat uitgebreider stuk tekst verder handelend over de aanschouwing en de projectie maar dat niet toelaat om hier in delen weer te geven, heeft wel een zin in het midden dat als het ware als een draaiende as in de gedachte staat: “in de kunst daarentegen worden wij zelf ‘voorstellende’ subjecten: vandaar de vervoering.” Eentje die als basis kan dienen voor een verder gedachte-experiment.

In een volgende bijdrage ga ik graag verder waar ik hier in de ‘Nachlaß’ ben gestopt. Voor nu wens ik allereerst iedereen een voorspoedig, gelukkig en bovenal gezond 2019!

Eén gedachte over “Nagelaten fragmenten (1)

  1. Beste Stephan Peters,
    ik heb genoten van dit mooi relaas op je website. Ik loop al tijden te denken om deze boeken te gaan aankopen nadat ik meerdere werken van Nietzsche (en ook Kierkegaard) heb gelezen. Je hebt me overtuigd.
    Mvg, Brigitte
    (p.s. ik stuitte per toeval op deze website over Nietzsche, compliment!)

Laat een reactie achter op Brigitte Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *