Ecce Homo

Ecce Homo

Duizenden moet het zijn vergaan zoals onze eigen Tachtiger Albert Verwey, wanneer hij een soort van teleurstelling dient te verwerken omdat hij zijn verwachtingen over een tekst van een gerijpte denker als Nietzsche, moet bijstellen. De dichter schrijft: “Bij mijn eerste lezing van Ecce Homo was ik teleurgesteld. Ik had een werk verwacht van verheffing en ideeën- dracht: in de plaats daarvan werd ik getroffen door laag-bij-de-grondsche bespiegelingen omtrent voeding en door haast-kinderachtige zelf –lof en ijdelheid.”

ecce-homo-p-hawinkelsEn ja, wat moet je ook denken van een tekst die Nietzsche in 1888 schreef, niet zo erg lang voor zijn ineenstorting en die pas in 1908 voor het eerst uitgegeven werd. Al redelijk voorin stelt hij de retorische vraag “Warum ich so Weise bin”, en daarop volgend “Warum ich so klug bin”. Of wat te denken van “Warum ich so gute Bücher schreibe.” Is hier sprake van een narcistische waan, een platte opschepper of een denker wiens eerlijkheid gelijk is aan de verstopte ijdelheid van menig kunstenaar?

Verwey was een hoop vuurwerk toegezegd wanneer hij Nietzsche zou lezen. “Bengaalsch vuur zelfs, van donkerste hoeken uitstroomend, langzaam doovend en nawalmend.” Kenners van Nietzsche’s werken weten wat hier gemeend wordt maar eerlijk is eerlijk, Ecce homo steekt daar bij af. Het lag ook niet in de bedoeling van Nietzsche dit boek aan de Duitsers te schenken, misschien pas nadat hij allang verteerd onder de grond lag.

ecce-homo-oudIn een ongedateerde brief aan zijn zus is hij daar helder over: “Ich schreibe in diesem goldenen Herbst (vermoedelijk tweede helft oktober 1888) , dem schönsten den ich je erlebt habe, einen Rückblick auf mein Leben, nur für mich selbst. Niemand soll es lesen mit Ausnahme eines gewissen guten Lamas (Nietzsche’s benaming voor zijn zus) wenn es übers Meer kommt, den Bruder zu besuchen. Es ist nichts für Deutsche… Ich will das Manuskript vergraben und verstekken, es mag verschimmeln und wenn wir allesamt verschimmeln, mag es seine Auferstehung feiern. Vielleich sind dann die Deutschen des großen Geschenks, das ich ihnen zu machen gedenke, würdiger.” Het is duidelijk een verkapte aanklacht zowel in de persoonlijke sfeer in de richting van zus Elisabeth die zich in Uruguay met haar anti-semitische echtgenoot verschanst had, en meer algemeen richting het Duitse publiek waar zijn boeken slechts zeer matig werden gelezen laat staan begrepen. Frustraties dus, en die komen m.i. ook tot uiting in de geest van de 44-jarige schrijver en ontwerper van een hoop beschouwend vuurwerk. “Die in zijn woorden die koorts van de waanzin draagt”, schreef Verwey.

Ze mogen dan last hebben van “enige verhoging”, ik blijf het werk intrigerend vinden. Het lezen en een studie meer dan waardig en daarom wil graag een lans breken voor een nieuwe vertaling. De vertaling van de veel te vroeg gestorven Pé Hawinkels, die meerdere vertalingen van Nietzsche op zich nam en waarmee hij veel zeer respectabel werk heeft gedaan, is enigszins versleten. Mooie literaire vondsten ten spijt mist hij in mijn ogen ook een enkele keer de pointe van Nietzsches gedachten in Ecce homo.

ecce-homo-arbeiderspersDe vertaling diende als basis voor een herziening door Paul Beers waarmee het boek in de Nietzsche bibliotheek bij de Arbeiderspers in 2000 opnieuw werd uitgegeven. Maar ook hier struikel ik soms en dat heeft alles te maken met smaak, woordkeus en stijlgevoel. Is het dan moeilijker vertalen dan zijn andere werken? Nee, ik denk juist integendeel behoudens het addertje onder het gras van de directheid in zijn mededelingen. Hoe plaats je die in het huidige idioom zonder zijn tekst teveel tekort te doen. Wanneer hij het over het “Minimum” in zijn leven heeft, neemt Beers dit letterlijk over terwijl wellicht “dieptepunt” meer voor de hand ligt. En zo zijn er meerdere voorbeelden aan te wijzen. Nogmaals, smaak is hier doorslaggevend. Ik kan het dan ook niet nalaten een begin te hebben gemaakt door het voorwoord te vertalen:

Ecce homo

Hoe iemand wordt wat hij is.

Voorwoord

1

Met het vooruitzicht dat ik over niet al te lange tijd de mensheid moet confronteren met de zwaarste eis die haar tot nu toe werd gesteld, lijkt het mij absoluut noodzakelijk om te vertellen wie ik ben. Eigenlijk zou men het dienen te weten want ik heb mezelf niet bepaald onbetuigd gelaten. Echter, de wanverhouding tussen de grootte van mijn opdracht en de kleinheid van mijn tijdgenoten heeft er toe geleid dat men mij niet gehoord of zelfs maar gezien heeft. Ik leef voort op mijn eigen krediet, het is misschien alleen een vooroordeel dat ik leef…? Ik hoef slechts een willekeurige intellectueel te spreken die in de zomer in het Ober-Engadin komt, om mezelf ervan te overtuigen dat ik niet leef… Onder deze omstandigheden is het mijn plicht, al druist het in tegen mijn natuurlijke aard of sterker mijn instinctmatige trots, te zeggen: luister! want ik ben die en die, verwar me vooral niet met een ander!

2

Ik ben bijvoorbeeld absoluut geen boeman, geen moraal monster – ik ben zelfs een tegengestelde natuur van het type mens dat men tot nu om zijn deugdzaamheid vereerd heeft. Onder ons gezegd, ik denk dat ik juist daardoor trots op mezelf ben. Ik ben een leerling van de filosoof Dionysos en zou nog liever een satyr dan een heilige zijn. Men moet maar gewoon deze tekst gaan lezen. Misschien is het me gelukt, misschien heeft deze tekst geen ander doel, dan deze tegenstelling op een verhelderende en mensvriendelijke manier tot uiting te brengen. Het laatste wat ik zou beloven is de mensheid te gaan gaan verbeteren. Ik zal geen nieuwe afgoden bedenken, de oude moeten maar eens leren wat er van komt om met botten van klei te leven. Afgoden (mijn synoniem voor idealen) omverwerpen – dat behoort eigenlijk meer tot mijn werkzaamheden. Toen men een ideale wereld verzon, heeft men de werkelijkheid meer omwille van zijn waarde, zijn doel en waarachtigheid geconstrueerd… De echte wereld en de schijnbare wereld, in goed Duits: de verzonnen wereld en de werkelijkheid…. De leugen van het ideaal lag tot nu toe als een vloek op de werkelijkheid, de mensheid is tot aan haar oerinstincten leugenachtig en gemeen geworden – tot aan de verheerlijking van de omgekeerde waarden waardoor een ontwikkeling, een toekomst, het ultieme recht op een toekomst, gegarandeerd zou zijn.

3

Wie in staat is om de lucht van mijn teksten in te ademen, weet dat het een lucht van de hoogte is, een sterke lucht. Je moet er geschikt voor zijn anders bestaat er een niet gering gevaar dat je er verkouden door wordt. Het ijs is dichtbij, de eenzaamheid is gigantisch – maar hoe helder liggen alle dingen in het licht! Hoe vrij kun je ademen! Er is zoveel dat je onder je voelt! Filosofie zoals ik haar tot nu toe begrepen en beleefd heb, is het vrijwillig leven in het ijs en het hooggebergte, het zoeken naar al het vreemde en twijfelachtige van het bestaan, naar alles dat tot nu toe door de moraal verboden werd. Door de ruime ervaring die ik opdeed met het wandelen langs al het verbodene, leerde ik de oorzaken van waaruit tot nu toe gemoraliseerd en geïdealiseerd werd, heel anders te bekijken dan misschien gewenst mag zijn: de verborgen geschiedenis van de filosofen, de psychologie van de grote namen werd voor mij helder. Hoeveel waarheid verdraagt een geest, hoeveel waarheid durft een geest aan? Dit werd voor mij steeds meer de graadmeter. Een vergissing (het geloof aan een ideaal) is niet zozeer blindheid, een vergissing betekent lafheid…. Elke verworvenheid, elke stap vooruit in kennis ontstaat vanuit moed, uit de hardheid en zuiverheid tegenover zichzelf… Ik spreek de idealen niet tegen maar trek er alleen handschoenen voor aan… Nitimur in vetitum: onder dit motto zal mijn filosofie een keer zegevieren want goed beschouwd verbood men tot nu toe telkens weer de waarheid. –

4

In mijn teksten staat mijn Zarathustra op zichzelf. Met hem gaf ik de mensheid het grootste geschenk dat haar tot nu toe werd gegeven. Dit boek waar nog eeuwen over gesproken zal worden, is niet alleen het hoogste boek dat er bestaat, – het boek uit hogere sferen dat onmetelijk ver boven het fenomeen mens staat – het is ook het diepste boek dat voortgekomen is uit de rijkdom van de meest elementaire waarheid, de oneindige bron waar geen emmer naar beneden gaat zonder met goud en goedheid gevuld naar boven te komen. Hier spreekt geen profeet, niet een van die afschuwelijke tweeslachtige wezens die lijden aan een ziekte en een wil tot macht, die men godsdienststichters noemt. Men moet vooral de toon, deze toon die uit een volle innerlijke zielenrust spreekt, op de juiste wijze aanhoren om de wijsheid die er uit klinkt geen meelijwekkend onrecht aan te doen. “Het zijn de zachtst klinkende woorden die de storm brengen, de weldoordachte ideeën die de wereld sturen.”

De vijgen vallen van de bomen, ze zijn vol en rijp: wanneer ze vallen barst hun rode huid. Ik ben een noorderwind voor de rijpe vijgen.

Deze gedachten komen over jullie zoals vijgen kunnen vallen, mijn beste vrienden: geniet dus van het sap en het zoete vruchtvlees. Het is herfst om ons heen en de hemel is helder op deze late middag –

Hier is geen fanatiekeling aan het woord, hier wordt niet ‘gepreekt’, hier wordt geen geloven verwacht: uit een oneindige lichtbron en diepe gelukzaligheid valt drup na drup, woord na woord – het praten gaat in een vertederend langzaam tempo. Ze zijn niet voor iedereen bestemd maar alleen voor de uitverkorenen die het voorrecht hebben hier toehoorder te zijn. Het is niet aan iedereen besteed oren voor Zarathustra te hebben. Is Zarathustra in alles niet een verleider? Wat zegt hij eigenlijk zelf als hij voor de eerste keer terugkeert naar zijn eenzaamheid? Precies het tegenovergestelde van datgene wat een “wijze”, “heilige”, “wereldverbeteraar” of andere ijdeltuit in zo’n situatie zou zeggen…. Hij praat niet alleen anders, hij is ook anders…

Ik volg mijn weg verder alleen, mijn leerlingen! Ook jullie gaan nu verder, alleen! Zo wil ik het.

Verlaat mij en verzet je tegen Zarathustra! Of beter nog, schaam je voor hem! Misschien bedroog hij jullie wel.

De begrijpende mens moet niet alleen zijn vijanden kunnen liefhebben maar ook zijn vrienden kunnen haten. Men doet een leraar tekort wanneer men altijd de leerling blijft. En waarom zouden jullie mijn kroon niet van het hoofd stoten?

Jullie vereren mij: maar wat gebeurt er wanneer jullie verering op een dag ophoudt? Pas dan op, een vallend standbeeld zou jullie kunnen verpletteren!

Jullie beweren in Zarathustra te geloven? Maar wat interesseert dat Zarathustra! Jullie zijn mijn gelovigen, maar wat interesseert dat alle gelovigen!

Jullie hebben jezelf nog niet gezocht en daar vinden jullie mij. Dat doen alle gelovigen, vandaar dat al dat geloven zo weinig voorstelt.

Daarom nodig ik jullie nu uit mij te verliezen en jezelf te gaan vinden; pas wanneer jullie mij allemaal verloochend hebben, wil ik naar jullie terugkeren.

Friedrich Nietzsche

Op deze volmaakte dag wanneer alles rijpt en niet alleen de druif bruin verkleurt, zag ik wat zonlicht op mijn leven schijnen: ik keek om, wierp een blik om me heen en zag nog nooit zoveel goede dingen tegelijk. Niet voor niets dat ik vandaag mijn vierenveertigste jaar heb begraven, ik mocht het ook begraven – het leven dat er in voorkwam is gered en onsterfelijk. Het eerste boek van “Umwertung aller Werte”, de Dionysos-Dithyramben en ter ontspanning de Götzen-Dämmerung, – het zijn allemaal geschenken van dit jaar, eigenlijk van het laatste kwartaal. Waarom zou ik mijn hele leven hier niet dankbaar voor zijn? Daarom vertel ik nu mijn eigen leven aan mijzelf.

(einde vertaling)

albert-verweyVerwey: “ (….) Voor de kenner van zijn werken is het (Ecce homo) helder, en bovendien leerzaam. Het is een lofzang, maar in de toon van een vertrouwelijke mededeeling.” Verwey legt op zijn prozaïsche wijze uit dat Nietzsche niet echt in de wereld en tussen de mensen is geweest dan wel kan zijn, en daarmee niet het “kleed maken kan zonder draden.” Ik moet Verwey gelijk geven in zijn analyse dat Nietzsche een outsider was en altijd is gebleven. De woorden van Wittgenstein (Worüber man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen) indachtig, heeft Nietzsche veel eenzame momenten gekend en misschien ligt daar ook een verklaring van zijn enigszins ontspoorde taalgebruik. Een jeugdig zaadje uit Schulpforta dat zich tot een filologische kiem ontwikkelde en die gaandeweg zijn leven langzaam maar zeker ontpopte in een onbegrepen bestaan waardoor hij veel pratend en schrijvend maar in grote eenzaamheid doorbracht. “Man soll nur reden, wo man nicht schweigen darf; und nur von dem reden, was man überwunden hat, – alles Andere is Geschwätz (….)”

Verwey sluit onbevredigend voor mij af: “Hij in wie de afstooting sterker is dan de aantrekking, zal de gedachten ontwikkelen, waaruit alleen de Eenling leeft. Heeft hij de kracht die gedachten te onderscheiden, ze saam te binden tot een stelsel, ze te doen dienen tot beheersching van alle anderen, waarboven hij, de Eene, zich handhaaft en heerlijk maakt, dan voltooit hij het type dat Macchiavelli in zijn De Vorst heeft voorgeteekend. Macchiavellistisch, en niet anders, kan de dialectiek zijn die zich sterk maakt in de denkbeelden van Nietzsche. Macchiavellistisch – ik heb Ecce Homo uit de hand gelegd – zou Nietzsche geweest zijn, als hij niet geleden had aan de zwakte die hij verdoemt.”

nietzsche-waanzinnig

Dit raakt me want het is de kern van de eenzaamheid van de wandelaar uit Sils Maria. Daarom is en blijft het zo belangrijk zijn werken goed te lezen (“lernt mich gut lesen!”), te herlezen en op waarde te schatten. Laat Ecce homo dan een ijdel en aanmatigend werk lijken, het is het leven, de terugblik op het leven, van een waanzinnig wijs schrijver, poëet en grensoverschrijdende denker uit de 19e eeuw die zijn tijd mijlenver vooruit was.

Eén gedachte over “Ecce Homo

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *