Waarheid en leugen

Waarheid en leugen

‘Wie wil liegen moet een goed geheugen hebben’ zegt het spreekwoord. “Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel”. Er zijn pagina’s vol te schrijven over het fenomeen leugen en leugenaar.

Ook in de 19e eeuw hingen er al wijsheden aan de muur die de voorbij komende leugenaar aanspraken; “je moet de feiten kennen vooraleer je ze kunt verdraaien” (Mark Twain) of de uitspraak van onze oosterburen “Lügen und Lawinen wachsen immer” (je moet steeds meer draaien en liegen om niet ontmaskerd te worden). Een mooi gezegde uit de Filipijnen luidt: “vertel een leugen opdat de waarheid aan het licht komt”. En wat te zeggen van een literaire variant uit de handen van Graham Greene: “He entered the territory of lies without a passport for return”. Ooit Nietzsche’s inspirator Schopenhauer schreef: Wenn man argwöhnt, daß einer lüge, stelle man sich gläubig. Dadurch wird er dreist, lügt stärker und ist entlarvt.” (Als je vermoedt dat iemand liegt, moet je doen alsof je hem gelooft: hij wordt dan overmoedig, liegt nog harder en is ontmaskerd).

Ik vraag me af: Kijken we naar de werkelijkheid of is het de wereld die haar ogen opslaat in onze belevingen en ervaringen die we het liefst met een leugen willen interpreteren?

oog

Een van Nietzsche’s bekendste uitspraken over misschien de wenselijkheid van de leugen citeer ik regelmatig, niet zozeer om de leugen te propageren, integendeel, maar veel meer om de overtuiging als fenomeen te hekelen: Überzeugungen sind gefährlichere Feinde der Wahrheit als Lügen.” Nietzsche schreef het in zijn eerste deel van ‘Menschliches, Allzumenschliches’. De leugen hield Nietzsche eigenlijk best wel veel bezig. De drang om de waarheid voorbij te lopen in de wil tot macht, de wens de werkelijkheid niet onder ogen te hoeven komen zoals in de (dicht)kunst en de Christelijke dogmatiek, was voor hem aanleiding om in meerdere werken terug te komen op dit rare fenomeen dat ons ook onderscheidt van het dier. “Het dier heeft geen woorden nodig, het is toch niet van plan te liegen”, schreef de Vlaamse auteur Vloemans. Wanneer je liegt, lieg je eigenlijk jezelf wat voor, ik zou haast willen zeggen de eerste trede op de trap van de pathologische (narcistische) variant. “Die gewöhnlichste Lüge ist die, mit der man sich selbst belügt; das Belügen anderer ist relativ der Ausnahmefall”, noteert Nietzsche in zijn Antichrist. Mooie woorden om de uitkomst van de behoefte tot liegen weer te geven.

Wanneer er veel om je heen gedraaid en gekonkeld wordt, wordt je weliswaar op het feit gewezen dat het gehele driftleven een zompig moeras gebaseerd op angst is. Een vrees die soms wat brak aandoet en daardoor begint te stinken of op z’n minst een vreemde geur krijgt. Nietzsche legt Zarathustra in het vierde deel de woorden in de mond die zoveel willen zeggen dat je altijd de motieven van de leugen dient te kennen om de waarheid onder ogen te kunnen zien (“Wer nicht lügen kann, weiß nicht was Wahrheit ist”), al is dat hier meer bedoeld voor het ‘kennende’ wezen, de zogeheten geleerde.

“Eerlijkheid is een duur geschenk, 

verwacht het niet van goedkope mensen”

Al is de leugen nog zo snel, de waarheid doet pas de schoenen aan wanneer de leugen al drie maal rond de aarde is geweest. In de wereld van vandaag waarin ‘werkelijkheden’ in nanoseconden rond de aardbol vliegen, krijgen de kracht en de macht van de leugen vleugels als nooit te voor. Ingegeven door angst liegt menig mens zichzelf en de ander wat voor en geeft voeding aan zijn eigen gemis aan vertrouwen in eerlijkheid en geborgenheid. Het machtsstreven als substituut voor kwetsbaarheid die als eng wordt ervaren.

In 1873 schreef Nietzsche zijn prachtige opstel “Über Wahrheit und Lüge in aussermoralischen Sinne“. De filosofische strekking van leugen en waarheid staat weliswaar enigszins buiten de alledaagse opvatting over leugens en waarheden, maar ik wil toch graag het begin van dit uit twee hoofdstukken bestaande opstel noteren:

nietzsche-studentIn irgend einem abgelegenen Winkel des in zahllosen Sonnensystemen flimmernd ausgegossenen Weltalls gab es einmal ein Gestirn, auf dem kluge Tiere das Erkennen erfanden. Es war die hochmütigste und verlogenste Minute der “Weltgeschichte”: aber doch nur eine Minute. Nach wenigen Atemzügen der Natur erstarrte das Gestirn, und die klugen Tiere mußten sterben. – So könnte jemand eine Fabel erfinden und würde doch nicht genügend illustriert haben, wie kläglich, wie schattenhaft und flüchtig, wie zwecklos und beliebig sich der menschliche Intellekt innerhalb der Natur ausnimmt. Es gab Ewigkeiten, in denen er nicht war; wenn es wieder mit ihm vorbei ist, wird sich nichts begeben haben. Denn es gibt für jenen Intellekt keine weitere Mission, die über das Menschenleben hinausführte. Sondern menschlich ist er, und nur sein Besitzer und Erzeuger nimmt ihn so pathetisch, als ob die Angeln der Welt sich in ihm drehten. Könnten wir uns aber mit der Mücke verständigen, so würden wir vernehmen, daß auch sie mit diesem Pathos durch die Luft schwimmt und in sich das fliegende Zentrum dieser Welt fühlt. Es ist nichts so verwerflich und gering in der Natur, was nicht, durch einen kleinen Anhauch jener Kraft des Erkennens, sofort wie ein Schlauch aufgeschwellt würde; und wie jeder Lastträger seinen Bewunderer haben will, so meint gar der Stolzeste Mensch, der Philosoph, von allen Seiten die Augen des Weltalls teleskopisch auf sein Handeln und Denken gerichtet zu sehen.(…)

De filosoof, de met een lichtlantaarn uitgeruste waarheidszoeker, weet dat zijn liefde voor de waarheid niet per se ontstaat uit de onmacht om te kunnen liegen (deel 4 Zarathustra). Maar de kracht en de kwetsbaarheid om zonder leugens de waarheid tegemoet te treden geven wel een significant grotere kans om de liefde tot zowel de waarheid als tot de medemens beantwoord te krijgen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *