Nietzsche en Goethe (deel 2)

Nietzsche en Goethe (deel 2)

Daar liggen de steden opnieuw aan mijn voeten; Eisenach, Erfurt, Jena, Dresden, Leipzig en Weimar. Driebaans snelwegen verbinden de gerestaureerde centra waar ooit paard en kar dagen over keien en zandgrond hobbelden om brieven van A naar B te brengen. Zon en regen wisselden toen en ook nu elkaar af. Voor het eerst wandel ik in stromende regen langs de plekken van Herder, Schiller, Wieland, de jongere Bach, de jongere én de oudere Cranach (wat een prachdoek in de Herderkirche!) en natuurlijk Goethe. De straten glimmen onder mijn net gekochte Weimar paraplu wanneer ik langs het Goethehaus loop. Het werd 1709 gebouwd in een onvervalste barokstijl. Goethe leefde hier van 1782 tot zijn dood in 1832, alleen onderbroken door zijn reizen. Hij kreeg het huis als geschenk van Karl August in 1794 toen hij zelf al in de adelstand was verheven. De vertrekken zijn grotendeels nog in originele staat zoals Goethe ze heeft laten maken. Menig toerist heeft ze al kunnen bewonderen. Voor het huis staat al sinds mensenheugenis, specifieker sinds 1822, de ‘Goethebrunnen’. Voldoende water en wijsheid om van te drinken. Langs het huis van zijn voormalig geliefde -een van de velen- Charlotte von Stein, kom ik op de hoek van de Seifengasse en Ackerwand opnieuw bij de beroemde Gingko Biloba boom en uit mijn zak haal ik nog maar eens het gedichtje voor Marianne von Willemer dat in 1815 uit Goethe’s pen vloeide en hier zo rijkelijk te koop is:

Dieses Baumes Blatt, der von Osten

Meinem Garten anvertraut,

Gibt geheimen Sinn zu kosten,

Wie’s den Wissenden erbaut.

Ist es ein lebendig Wesen,

Das sich in sich selbst getrennt?

Sind es zwei, die sich erlesen,

Dass man sie als eines kennt?

Solche Fragen zu erwidern

Fand ich wohl den rechten Sinn.

Fühlst du nicht an meinen Liedern,

Dass ich eins und doppelt bin ?

 (Dit blad van de boom,

die vanuit het Oosten mijn tuin werd toevertrouwd,

schenkt wetenden een zinvol geheim,

waarmee ‘inzicht’ wordt opgebouwd.

Is het één levend wezen,

dat zich binnen zichzelf verdeelt?

Zijn het twee, die ervoor kozen,

als één te verschijnen in beeld?

Zulke vragen te beantwoorden

vond ik terecht en vol van zin,

voel je niet aan mijne verzen,

dat ik zelf één en dubbel ben?)

Ik voel dat het tijd word om nog wat uitspraken van Nietzsche over Goethe te memoreren op mijn webpagina zoals ik op 17 april mezelf had beloofd. 

Uit ‘Nietzsche contra Wagner’ tekende ik het volgende op: ‘Goethe hat sich einmal die Frage vorgelegt, was die Gefahr sei, die über allen Romantikern schwebe: das Romantiker-Verhängnis. Seine Antwort ist: ‘am Wiederkäuen sittlicher und religiöser Absurditäten zu ersticken.’

Vertaling: Goethe heeft zichzelf een keer de vraag gesteld wat het gevaar is dat alle romantici boven het hoofd hangt: het romanticus-noodlot. Zijn antwoord luidt: ‘Te stikken in het herkauwen van morele en religieuze absurditeiten.’

 

En 10 jaar na de oprichting van het Duitse Rijk schrijft Nietzsche in zijn ‘Morgenröthe’ over de Duitse beschaving (hoe wil je ‘Bildung’ vertalen?) waar hij Schopenhauer en Goethe in één zin aanhaalt:

‘Die ehemalige deutsche Bildung. — Als die Deutschen den anderen Völkern Europa’s anfiengen interessant zu werden — es ist nicht zu lange her —, geschah es vermöge einer Bildung, die sie jetzt nicht mehr besitzen, ja die sie mit einem blinden Eifer abgeschüttelt haben, wie als ob sie eine Krankheit gewesen sei: und doch wussten sie nichts Besseres dagegen einzutauschen, als den politischen und nationalen Wahnsinn. Freilich haben sie mit ihm erreicht, dass sie den anderen Völkern noch weit interessanter geworden sind, als sie es damals durch ihre Bildung waren: und so mögen sie ihre Zufriedenheit haben! Inzwischen ist nicht zu leugnen, dass jene deutsche Bildung die Europäer genarrt hat und dass sie eines solchen Interesses, ja einer solchen Nachahmung und wetteifernden Aneignung nicht werth war. Man sehe sich heute einmal nach Schiller, Wilhelm von Humboldt, Schleiermacher, Hegel, Schelling um, man lese ihre Briefwechsel und führe sich in den grossen Kreis ihrer Anhänger ein: was ist ihnen gemeinsam, was an ihnen wirkt auf uns, wie wir jetzt sind, bald so unausstehlich, bald so rührend und bemitleidenswerth? Einmal die Sucht, um jeden Preis moralisch erregt zu erscheinen; sodann das Verlangen nach glänzenden knochenlosen Allgemeinheiten, nebst der Absicht auf ein Schöner-sehen-wollen in Bezug auf Alles (Charaktere, Leidenschaften, Zeiten, Sitten), — leider „schön“ nach einem schlechten verschwommenen Geschmack, der sich nichtsdestoweniger griechischer Abkunft rühmte. Es ist ein weicher, gutartiger, silbern glitzernder Idealismus, welcher vor Allem edel verstellte Gebärden und edel verstellte Stimmen haben will, ein Ding, ebenso anmaasslich als harmlos, beseelt vom herzlichsten Widerwillen gegen die „kalte“ oder „trockene“ Wirklichkeit, gegen die Anatomie, gegen die vollständigen Leidenschaften, gegen jede Art philosophischer Enthaltsamkeit und Skepsis, zumal aber gegen die Naturerkenntniss, sofern sie sich nicht zu einer religiösen Symbolik gebrauchen liess. Diesem Treiben der deutschen Bildung sah Goethe zu, in seiner Art: danebenstehend, mild widerstrebend, schweigsam, sich auf seinem eignen, besseren Wege immer mehr bestärkend. Dem sah etwas später auch Schopenhauer zu, — ihm war viel wirkliche Welt und Teufelei der Welt wieder sichtbar geworden, und er sprach davon ebenso grob als begeistert: denn diese Teufelei hat ihre Schönheit! — Und was verführte im Grunde die Ausländer, dass sie dem nicht so zusahen, wie Goethe und Schopenhauer, oder einfach davon absahen? Es war jener matte Glanz, jenes räthselhafte Milchstrassen-Licht, welches um diese Bildung leuchtete: dabei sagte sich der Ausländer „Das ist uns sehr, sehr ferne, da hört für uns Sehen, Hören, Verstehen, Geniessen, Abschätzen auf; trotzdem könnten es Sterne sein! Sollten die Deutschen in aller Stille eine Ecke des Himmels entdeckt und sich dort niedergelassen haben? Man muss suchen, den Deutschen näher zu kommen.“ Und man kam ihnen näher: während kaum viel später die selben Deutschen sich zu bemühen anfiengen, den Milchstrassen-Glanz von sich abzustreifen; sie wussten zu gut, dass sie nicht im Himmel gewesen waren, — sondern in einer Wolke!’ (Morgenröthe, 190)

Vertaling: De voormalige Duitse beschaving. – Toen de Duitsers voor de andere volkeren van Europa interessant begonnen te worden – zolang is dat niet geleden -, geschiedde dit op grond van een beschaving, die zij nu niet meer bezitten, die zij zelfs met blinde ijver hebben afgeschud als was het een ziekte: en toch wisten zij er niets beters voor in de plaats te stellen dan de politieke en nationale waanzin. Wel hebben ze daarmee bereikt dat ze voor de andere volkeren nog veel interessanter geworden zijn dan ze indertijd door hun beschaving waren: en zo kunnen ze tevreden zijn! Inmiddels is niet te ontkennen dat de bewuste Duitse beschaving de Europeanen voor de gek heeft gehouden en dat zij een dergelijke belangstelling, ja, een dergelijke nabootsing en wedijverende toe-eigening, niet waard was. Men moet vandaag de dag maar eens terugblikken op Schiller, Wilhelm von Humboldt, Schleiermacher, Hegel, Schelling, men moet hun briefwisseling maar eens lezen en zich laten binnenvoeren in de grote kring van hun aanhangers: wat hebben zij gemeen? Ten eerste de zucht om tot elke prijs moreel bewogen te lijken; vervolgens het verlangen naar schitterende, beenderloze algemeenheden, alsook het streven mooier te willen zien dan het is (karakters, hartstochten, tijden, zeden), – maar helaas ‘mooi’ volgens een slechte, waterige smaak, die zich niettemin op een Griekse afkomst beroemde. Het is een week, goedaardig, zilverachtig glinsterend idealisme, dat in de eerste plaats edel verdraaide gebaren en edel verdraaide stemmen wil, iets even aanmatigends als ‘argeloos’, bezield door een grondige afkeer van de ‘koude’ of ‘droge’ werkelijkheid, van de anatomie, van de volle hartstochten van elke vorm van filosofische soberheid en scepsis, maar vooral van de kennis van de natuur, voor zover deze zich niet liet gebruiken voor een religieuze symboliek. Bij dit doen en laten van de Duitse beschaving keek Goethe toe, op zijn manier: terzijde, zich licht verzettend, zwijgzaam, steeds sterker wordend op zijn eigen betere weg. Iets later keek ook Schopenhauer toe, – voor hem was veel van de werkelijke wereld en van het duivelse van de wereld opnieuw zichtbaar geworden, en hij sprak er even grof als enthousiast over: want dit duivelse karakter heeft zijn schoonheid! – En wat bracht de buitenlanders ertoe er niet zo naar te kijken als Goethe en Schopenhauer, of eenvoudig een andere kant op te kijken? Het was die matte glans, dat raadselachtige melkweglicht dat deze beschaving omstraalde – daarbij zei de buitenlander tegen zichzelf: ‘Dat is ver, veel te ver voor ons, daar houdt voor ons zien, horen, begrijpen, genieten, waarderen op; en toch zouden het sterren kunnen zijn! Zouden de Duitsers in alle stilte een hoek van de hemel ontdekt en zich daar gevestigd hebben? Men moet proberen dichterbij de Duitsers te komen.’ En men kwam dichterbij: terwijl dezelfde Duitsers even later begonnen te proberen zich van de melkwegglans te ontdoen; zij wisten te goed dat zij niet in de hemel geweest waren, – maar in een wolk!

Als laatste Goethe tekst in de geschriften van Nietzsche geef ik hier zijn aforisme 227 uit Menschliches Allzumenschliches weer. “Zonder de omzwervingen van de dwaling was hij geen Goethe geworden”, een conclusie die al direct een Nietzsche geur achterlaat:

‘Goethe’s Irrungen. — Goethe ist darin die grosse Ausnahme unter den grossen Künstlern, dass er nicht in der Bornirtheit seines wirklichen Vermögens lebte, als ob dasselbe an ihm selber und für alle Welt das Wesentliche und Auszeichnende, das Unbedingte und Letzte sein müsse. Er meinte zweimal etwas Höheres zu besitzen, als er wirklich besass — und irrte sich, in der zweiten Hälfte seines Lebens, wo er ganz durchdrungen von der Ueberzeugung erscheint, einer der grössten wissenschaftlichen Entdecker und Lichtbringer zu sein. Und ebenso schon in der ersten Hälfte seines Lebens: er wollte von sich etwas Höheres, als die Dichtkunst ihm schien — und irrte sich schon darin. Die Natur habe aus ihm einen bildenden Künstler machen wollen — das war sein innerlich glühendes und versengendes Geheimniss, das ihn endlich nach Italien trieb, damit er sich in diesem Wahne noch recht austobe und ihm jedes Opfer bringe. Endlich entdeckte er, der Besonnene, allem Wahnschaffnen an sich ehrlich Abholde, wie ein trügerischer Kobold von Begierde ihn zum Glauben an diesen Beruf gereizt habe, wie er von der grössten Leidenschaft seines Wollens sich losbinden und Abschied nehmen müsse. Die schmerzlich schneidende und wühlende Ueberzeugung, es sei nöthig, Abschied zu nehmen, ist völlig in der Stimmung des Tasso ausgeklungen: über ihm, dem „gesteigerten Werther“, liegt das Vorgefühl von Schlimmerem als der Tod ist, wie wenn sich Einer sagt: „nun ist es aus — nach diesem Abschiede; wie soll man weiter leben, ohne wahnsinnig zu werden!“ — Diese beiden Grundirrthümer seines Lebens gaben Goethe, angesichts einer rein litterarischen Stellung zur Poesie, wie damals die Welt allein sie kannte, eine so unbefangene und fast willkürlich erscheinende Haltung. Abgesehen von der Zeit, wo Schiller — der arme Schiller, der keine Zeit hatte und keine Zeit liess — ihn aus der enthaltsamen Scheu vor der Poesie, aus der Furcht vor allem litterarischen Wesen und Handwerk heraustrieb — erscheint Goethe wie ein Grieche, der hier und da eine Geliebte besucht, mit dem Zweifel, ob es nicht eine Göttin sei, der er keinen rechten Namen zu geben wisse. Allem seinem Dichten merkt man die anhauchende Nähe der Plastik und der Natur an: die Züge dieser ihm vorschwebenden Gestalten — und er meint vielleicht immer nur den Verwandlungen Einer Göttin auf der Spur zu sein — wurden ohne Willen und Wissen die Züge sämtlicher Kinder seiner Kunst. Ohne die Umschweife des Irrthums wäre er nicht Goethe geworden: das heisst, der einzige deutsche Künstler der Schrift, der jetzt noch nicht veraltet ist, — weil er eben so wenig Schriftsteller als Deutscher von Beruf sein wollte.’(Menschliches, Allzumenschliches, 227)

Vertaling: Goethes vergissingen – Goethe is hierin de grote uitzondering onder de grote kunstenaars, dat hij niet in de beperktheid van zijn werkelijke kunnen leefde, alsof dat voor hemzelf en tegenover iedereen essentieel en kenmerkend, absoluut en ultiem moest zijn. Twee keer geloofde hij iets hogers te bezitten dan hij werkelijk bezat – en vergiste zich, in de tweede helft van zijn leven, waarin hij blijkbaar geheel doordrongen is van de overtuiging, een der grootste wetenschappelijke ontdekkers en verlichters te zijn; en ook al in de eerste helft van zijn leven: hij wilde iets hogers van zichzelf dan de dichtkunst in zijn ogen was – en vergiste zich toen ook al. Dat de natuur een beeldend kunstenaar van hem had willen maken – dat was zijn innerlijk gloeiende, verzengende geheim dat hem ten slotte naar Italië dreef om zich nog eens goed in deze waan uit te kuren en er alles aan op te offeren. Eindelijk ontdekte hij, een bezonnen man en oprecht afkerig van al het wanstaltige als zodanig, dat een bedrieglijke kobold van begeerte hem ertoe had aangezet in deze roeping te geloven, en dat hij zich van de grootste hartstocht van zijn wil moest losmaken en afscheid nemen. De pijnlijk kervende en wroetende overtuiging dat het nodig was afscheid te nemen, is uitputtend verklankt in de stemming van Tasso: hij, de ‘Werther in de overtreffende trap’, wordt overschaduwd door het voorgevoel van iets wat erger is dan de dood, zoals wanneer iemand bij zichzelf zegt: ‘nu is het afgelopen – na dit afscheid; hoe verder te leven zonder krankzinnig te worden!’ – Dankzij deze beide fundamentele vergissingen van zijn leven kon Goethe, geconfronteerd met de zuiver literaire verhouding tot de poëzie die toen de enige was die men kende, zich zo onbevooroordeeld en bijna onverschillig opstellen. Afgezien van de tijd waarin Schiller – de arme Schiller, die geen tijd had en zich geen tijd gunde – hem uit zijn ascetische schroom jegens de poëzie, uit zijn vrees voor het hele literaire bedrijf en ambacht verjoeg – lijkt Goethe hier op een Griek, die nu en dan een geliefde bezoekt, twijfelend of het niet een godin is die hij geen echte naam weet te geven. In zijn literaire werk is de bezielende nabijheid van de beeldhouwkunst en de natuur merkbaar: de trekken van deze voor hem voor de geest staande gestalten – en misschien denkt hij steeds alleen de metamorfosen van een godin op het spoor te zijn – werden ongewild en onbewust die van alle kinderen van zijn kunst. Zonder de omzwervingen van de dwaling was hij geen Goethe geworden: dat wil zeggen, de enige Duitse woordkunstenaar die thans nog niet verouderd is, – omdat hij van beroep net zomin schrijver als Duitser wilde zijn.

Terwijl ik Goethe gebroederlijk naast Schiller voor het Nationaltheater van Weimar zie staan, gaat de gedachte door me heen of, hoe en wanneer Nietzsche de aanmoediging van Goethe voor een rijkelijk leven, tot zich heeft genomen: ‘‘Man sollte alle Tage wenigstens ein kleines Lied hören, ein gutes Gedicht lesen, ein treffliches Gemälde sehen und, wenn es möglich zu machen wäre, einige vernünftige Worte sprechen.’

Terwijl de regen is gestopt en de zon de straten alweer wat opwarmt, blijft het vragen stellen ongelimiteerd doorgaan: ‘wie zou in deze dagen het beste de eigenaar van Goethe’s woorden kunnen worden?’ Of nog beter; ‘voor wie zouden deze woorden in deze dagen het meest van waarde kunnen zijn?’ Een buschauffeur wacht, ik stap in en verlaat deze culturele bakermat in de wetenschap dat ik er net als eerder weer terug zal keren…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *