Het niet-zijnde zijn

Het niet-zijnde zijn

De 29-jarige hoogleraar in Bazel doceert, leest, discussieert met vakgenoten en heeft al regelmatig last van stevige hoofdpijnen en ander lichamelijk ongemak. Maar bovenal filosofeert Nietzsche er aforistisch stevig op los terwijl hij over de oude Grieken doceert. Nog duidelijk met Schopenhauer in zijn achterzak schrijft hij in het voorjaar van 1873 een aantal logische en ontologische gedachten die een voorbode zijn van de nihilistische benadering inzake waarheidsvinding. Ik citeer uit de “Nachlaß” en wel het eerste deel van aforisme 26(11): “Ich habe nichts als Empfindung und Vorstellung. Also kann ich diese nicht aus den Vorstellungs-Inhalten entstanden denken. Alle jene Kosmogonien usw. sind erschlossen aus den Empfindungsdaten. Wir können uns nichts denken, das nicht Empfindung und Vorstellung wäre. Somit auch nicht rein Zeit, Raum, Welt existirend, aber ohne das Empfindene und Vorstellende. Ich kann mir das Nichtsein nicht vorstellen. Das Seiende ist Empfindung und Vorstellung. Das Nichtseiende wäre etwas, was nicht Empfindung und Vorstellung wäre.” (…).

man-bijt-hondDe zin waarin hij stelt dat we het niet-zijn niet kunnen voorstellen kan me oneindig intrigeren. Opnieuw een eigen staart die door het denkende subject wordt gebeten. Man bijt niet hond maar man bijt man. Hoe uit deze welhaast fatalistische vaststelling te ontsnappen, de vaststelling dat het zijnde louter gewaarwording en voorstelling behelst? Gewaarwordingen die verankerd worden in onze taal. Waar het verstoord wordt zien we een als een door afasie getroffen mens pogingen ondernemen om met de wereld om zich heen te communiceren. Hoe essentieel we de wereld wel/niet begrijpen blijkt maar weer eens af te hangen van onze begrippen in samenhang met onze gewaarwording. Hoe de waarheid te zoeken als dat woord en begrip verzandt in een moeras van een eeuwig zinken? Een voortdurend tasten in het duister van een “waar vandaan” tot een “waar naar toe”? De voorstelling die ik nu kan maken dat het Zijnde voortduurt in een abstracte tijd terwijl ik die werkelijkheid niet meer als gewaarwording kan aanschouwen?

Er was en is geen antwoord. Geen logicus of Heidegger die ons uitkomst biedt. De open deuren blijven deuren openen. De voortdurende essentie van het nu dat ik me voorstel als een aaneenschakeling van DNA-achtige “alleen” moleculen. Kijkend naar mijn eigen leven dat vaststaat  zolang ik er naar kan kijken. Camus moet dit gevoeld hebben in zijn doordachte theorie dat alleen zelfmoord de essentie van het leven in zich draagt. De Nietzscheaanse gedachte die platgeslagen neerkomt op de essentie van Shakespeares uitspraak “to be or not to be.”.  Hoe dan ook, het later overwonnene nihilisme kreeg stevige wortels in de Bazelse jaren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *