Het heelal

Het heelal

Wat een ko(s)misch woord of begrip: het Heelal, een aanduiding die in zijn allesomvattende zijn, gevoelsmatig het antwoord impliceert op vele existentiële vragen rond plaats en tijd. Een Al en Heel dat duizenden jaren geleden ook al dezelfde hemel en overspanning duidde, al waren de kennende mensen toen in een andere constitutie dan de huidige en toekomstige. Toen en nu in het “geloof” dat de rede iets begrijpt en a priori van de premisse uitgaande dat iets zich laat kennen c.q. te begrijpen is. Een woord dat op de lagere school je liet duizelen in je eigen nietigheid, althans zoals ik het mezelf nog levendig kan herinneren. Was het kort of lang na het herkennen van het zelfbewustzijn en de relatie tot al het niet-zelf?

“In irgendeinem abgelegenen Winkel des in zahllosen Sonnensystemen flimmernd ausgegossenen Weltalls gab es einmal ein Gestirn, auf dem kluge Tiere das Erkennen erfanden. Es war die hochmütigste und verlogenste Minute der “Weltgeschichte”: aber doch nur eine Minute” begint Nietzsche sprookjesachtig te schrijven in “Über Wahrheit und Lüge im aussermoralischen Sinn”. Ik bewonder de zelfkennis en natuurlijke pathos waarmee hij zijn hamer hanteert. Onderhuids tekent zich de antipathie jegens de Socratische dialoog en kennis al af: “Nach wenigen Atemzügen der Natur erstarrte das Gestirn, und die klugen Tiere mussten sterben. -So konnte jemand eine Fabel erfinden und würde doch nicht genügend illustriert haben, wie kläglich, wie schattenhaft und flüchtig, wie zwecklos und beliebig sich der menschliche Intellekt innerhalb der Natur ausnimmt; menschlich ist er, und nur sein Besitzer und Erzeuger nimmt ihn so pathetisch, als ob die Angeln der Welt sich in ihm drehen”.

heelal
Alles, het Heelalles, draait om mij, het voelende, kennende en zich voorstellende superdier, althans zo verbeeld ik me al duizenden jaren me lavend aan het sprookje van elk geloof en elk weten. “Könnten wir uns aber mit der Mücke verständigen, so würden wir vernehmen, dass auch sie mit diesem Pathos durch die Luft schwimmt und in sich das fliegende Zentrum dieser Welt fühlt.” Nietzsche legt al vroeg zijn fundament voor het al-te-menselijk en metselt vanuit de tijdloze nietigheid van het kennen.

Ik herinner me een kleine passage uit het Boek der rusteloosheid van Pessoa: “Voor ons, eeuwige wandelaars door onszelf, bestaat alleen het landschap dat wijzelf zijn. Wij bezitten niets, omdat wij niet eens onszelf bezitten. Wij hebben niets, omdat wij niets zijn. Welke handen moet ik uitstrekken naar welk heelal? Het heelal is niet van mij: ik bén het.” Zijn zinnen mogen dan voer voor psychologen zijn, ik geniet wat zijn zg. dysthymie heeft voortgebracht en stel mezelf in het hier en nu onder de krachtige deken van het heelal van vandaag, de vraag in hoever Pessoa van Nietzsches geschriften op de hoogte was.

“…und wie jeder Lastträger seinen Bewunderer haben will, so meint gar der stolzeste Mensch, der Philosoph, von allen Seiten die Augen des Weltalls teleskopisch auf sein Handeln und Denken gerichtet zu sehen”.

Nietzsche en Pessoa, hebben gemeen er beide niet meer fysiek te zijn. De bananen in een groentewinkel in Lissabon zijn dezelfde maar ook andere. De kranten in de groentewinkel, dezelfde maar nu met een andere datum. In Röcken blijft het stil, een enkel vogeltje of eekhoorntje springt  van tak naar tak en in de verte suist het monotone geluid van de snelweg. Het Heelal is gebleven, alles wat reikt naar het kennen en het voortdurend willen blijven wat nu is, ging en gaat voorbij en wordt in een andere gedaante ondergedompeld. Het besef dat de troost er zal blijven, drapeer ik als een lichte deken om me heen, voldoende voor de verkoeling van vandaag als ook voor een verwarming tijdens koude dagen die onherroepelijk weer terug zullen komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *