De angst voor vrijheid

De angst voor vrijheid

“Dit boek behoort tot de honderd belangrijkste werken van deze eeuw”, aldus ooit een recensent van de Times Literary Supplement. We hebben het over het misschien wel bekendste werk van Erich Fromm met de titel “De angst voor vrijheid” dat voor het eerst in 1952 verscheen en een verbazingwekkende actualiteit in analyse, zorg en waarschuwing van en voor de huidige tijd laat zien. Fromm onderscheidt zich van Freud door niet vanuit (seksuele)driften naar mens en maatschappij te kijken maar meer vanuit de interactie tussen deze twee grootheden. Het boek volgt in zekere zin een chronologie, heeft her en der de neiging tot herhalen van eerder genoteerde visies maar is als totaal een ongelooflijk belangrijk werk dat slechts een goede 5 jaar na het einde van WO2 werd geschreven. Wat is vrijheid? We kennen een vorm die we vrijheid van denken en meningsuiting kunnen noemen maar het recht om onze gedachten te uiten heeft misschien alleen betekenis wanneer we in staat zijn om er ook werkelijk eigen gedachten op na te houden. Fromm houdt de mens van de Middeleeuwen tot aan die van nu (dus de jaren ’50) kritisch tegen het licht en dan met name de wijze waarop deze mens vrijheid een plek gaf dan wel geeft in zijn leven. Via een wetenschappelijke analyse en gevolgtrekkingen sluit hij af en toe naadloos aan bij aforismen zoals we die uit de werken van Nietzsche kennen. Fromm was zeer zeker bekend met de werken en gedachten van Nietzsche, de denker die overleed in het geboortejaar van Fromm.

Die Gedanken sind frei

wer kann sie erraten?

Sie fliehen vorbei

wie nächtliche Schatten.

Kein Mensch kann sie wissen,

kein Jäger erschießen

mit Pulver und Blei:

Die Gedanken sind frei!

Aldus de eerste strofe uit een oud Duits lied maar dan met name gericht op de vrijheid die het denken in politieke zin heeft. Bij Nietzsche vinden we in Morgenröte het volgende: “Das wache Leben hat nicht diese Freiheit der Interpretation wie das träumende, es ist weniger dichterisch und zügellos, – muss ich aber ausführen, dass unsere Triebe im Wachen ebenfalls nichts anderes tun als die Nervenreize interpretieren und nach ihrem Bedürfnis deren “Ursachen” ansetzen? Dass es zwischen Wachen und Träumen keinen wesentliches Unterschied gibt? Dass all unser sogenanntes Bewusstsein ein mehr oder weniger phantastischer Kommentar über einen ungewussten , vielleicht unwissbaren, aber gefühlten Text ist? Nietzsche wijst ons op vele plekken in zijn schriften op de onfeilbare vrijheid en mij stoort de voortgaande discussie over de wel/niet vrije wil die we nog steeds voeren zonder eerst die vrijheid en die wil onafhankelijk van elkaar eens stevig onder handen te nemen en te definiëren.

de-angst-voor-vrijheidTerug naar Fromm. Hij legt in zijn boek duidelijk uit hoe hij tegen de angst voor de vrijheid aan kijkt en betoogt hoe de ineenstorting van de middeleeuwse maatschappij de middenklasse bedreigde waardoor er een machteloos gevoel van isolement en twijfel ontstond waar op hun beurt Luther en Calvijn garen bij konden spinnen om vervolgens de analyse te vervolgen richting het sociale karakter van de mens in de opkomst van industrialisatie, kapitalisme en fascisme tot aan de huidige tijd van verfijning van de individualisering en vercommercialisering. In alle tijden blijft de mens behoefte voelen om in een eenheid met de medemens en de natuur te leven en dit contact blijft continu haperen zolang er geen echte vrijheid in het denken en handelen is geworteld. Liefde en scheppende arbeid (creativiteit) zijn in de ogen van Fromm de belangrijkste bouwstenen om de mensen uit de beklemming van de onvrijheid en daarmee van vluchtmechanismen en depressies weg te houden. De ontwikkeling van het individu langs de weg van echte vrijheid loopt van vrijheid van naar vrijheid tot. Maar vrijheid denken we te kennen of te hebben echter Fromm houdt ons een spiegel voor, die misschien juist voor de lezer van nu, zeer beangstigend kan zijn. De rode draad in alle tijden weet Fromm te vangen in de vaststelling dat enerzijds de groeiende individuele onafhankelijkheid van externe autoriteiten overgaat dan wel gepaard gaat met anderzijds het toenemende isolement en het daaruit voortvloeiende gevoel van eigen zinloosheid en onmacht. Daar waar externe factoren als geloof, kerk, vereniging of politiek, structuur en antwoord geeft, kan het individu zich in een warm en opgemaakt bed wanen. Maar wat te doen wanneer we ons ‘vrij” denken en er geen externe factoren meer zijn? Ik denk aan Nietzsche’s “God is dood” gedachte die ook een stuwmeer van nihilisme kon en kan doen vollopen. Voor de grotere geesten is de hang naar roem een bekend substituut. Fromm tipt dit ook aan in zijn weergave over de hervorming in Europa: “Als elke levenszin twijfelachtig is geworden en de verhouding tot anderen en zichzelf geen enkele zekerheid meer biedt, dan is roem een middel om eigen twijfels tot zwijgen te brengen” (ik zou materialisme en sociale druk willen toevoegen). “Zij (roem dus) bezit een functie die te vergelijken is met die van de Egyptische piramiden of van het christelijke geloof in de onsterfelijkheid: zij heft het eigen individuele leven boven zijn begrenzingen en onbestendigheden uit tot een niveau van onvergankelijkheid.” Verderop citeert hij de prediker Butzer: “Heel de wereld jaagt achter zaken en werken aan die het meeste geld opbrengen. Studie in kunsten en wetenschappen worden verruild voor de laagste vorm van winstbejag (….) de laatste bezigheid waarmee een eenzaam man zich zou moeten inlaten.” De actualiteit in de media laat het onomstotelijk zien nu de faculteiten van de geesteswetenschappen gaan inkrimpen en ogenschijnlijk de waarde van het creatieve beschouwelijke denken weinig tot geen maatschappelijke waarde c.q. relevantie verdient.

Fromm, wel degelijk door Freud geschoold, wijst er terecht op dat de mens vaak door andere beweegredenen wordt gedreven dan hij zelf denkt. “Bovendien, schrijft Fromm, weten we dat hij bepaalde tegenstrijdigheden in zijn eigen besef zal proberen te verzoenen door een wereldbeschouwelijke constructie, en dat hij een door hem verdrongen gedachte zal proberen te verbergen achter een redenering die het tegendeel ervan betoogt.”

Zoals boven al aangetipt, krijgen Luther en Calvijn ruime aandacht in de ontwikkeling van het sociale karakter van de huidige maatschappij. Zo stelt Fromm dat met name Luther niet zozeer een authentiek gelovend iemand was maar veeleer een autoritair kerkelijk persoon met een noodzakelijke behoefte een ondraaglijke twijfel te overwinnen. Fromm weet de leren van beide heren ook vakkundig terug te voeren naar de overlevering van de verstoting uit het paradijs. Daarnaast ook een heldere analyse van de weg tussen Calvijn en de nationaal socialistische leer die immers ook vanuit predestinatie rasverschillen en ongelijkheden wist te verklaren. Ook onze (neurotische)arbeidsethos of het geweten als “slavendrijver” die terug te voeren zijn naar het calvinisme krijgen ruim aandacht in de overdenkingen van Fromm. Overigens is de gehele wijze waarop het boek een visie weergeeft, een prettige wijze van ontleding; alsof een patholoog de gehele probleemstelling in logische stukjes aan ons voorlegt en samen met de lezer tot een samenhangend geheel en een eenduidige conclusie komt en die behelst en hoopt op een waarachtig vrije mens die er echter (nog) niet is. Ook hier komt bij mij de Übermensch van Nietzsche als spontane wandelaar voorbij…

Vanuit de God is dood zienswijze kan ik het niet nalaten het vergrootglas op stellingen uit het boek te leggen, handelend over het katholicisme en het protestantisme, die me direct aanspreken: “zij wezen de mens een weg om zijn angsten meester te worden, en wel door de leer dat men door een volledige aanvaarding van de eigen machteloosheid en verdorvenheid van de eigen aard, door het hele leven als een boete voor eigen schuld te beschouwen, door uiterste zelfvernedering en ook door niet aflatende inspanning bevrijd kan worden van twijfel en angst, en dat men door volledige onderworpenheid door God bemind kon worden en ten minste de hoop mocht koesteren tot de door God uitverkoren geredden te behoren.” Daar waar in het boek in de verleden tijd wordt gesproken kan ik helaas alleen maar vaststellen dat de actualiteit nog steeds deze gedachten laat zien, ik kan er zelfs op loopafstand getuige van zijn in de plaatselijke katholieke kerk.

from2Fromm komt in zijn boek steeds weer terug op de samenhang tussen samenleving en individu en de wisselwerking dan wel beïnvloeding van beiden op elkaar. Hierin heeft hij in de psychoanalyse een duidelijke andere afslag genomen dan Freud en een korte kennismaking met het leven werk van zijn echtgenote die ooit Graham Greene in therapie had (I never primised you a rosegarden), maakt duidelijk dat in huize Fromm minder naar de seksuele driften werd terug verwezen dan in huize Freud maar meer naar die bouwstenen die een maatschappij maken zoals religie, politiek maar ook een gangbare filosofie of zo men wil opvatting en moraal/ethiek.

De hoofdstukken die volgen na de geschiedkundige analyses stellen met name het verlies van het “zelf” aan de orde. Daar wordt het nóg interessanter want het werpt ook licht op de bereidwilligheid om aan eenzaamheid en machteloosheid te willen ontsnappen, al betekent het verloochening van ons ware zelf. Ook hier weer de rode draad dat de mens zich van zichzelf vervreemdt door in een verhouding tot een externe kracht of macht te gaan leven. God werd verruild door economische doelstellingen, en vrijheden die daar voor terug kwamen blijken geen echte vrijheden te zijn maar slechts nieuwe slavenbanden. We werken met onze dubbele inkomens nog steeds een slag in de rondte om het leven te kunnen leiden dat we (denken te) wensen. Komt hier een maatschappij criticus als aap uit de mouw van Fromm? Ik denk niet primair maar wel als resultante van een heldere psychologische en filosofische ontrafeling van de heden ten dage gewaande vrijheden.

Op pagina 110 verwijst de schrijver nog een keer naar Stirner en Nietzsche als voorbeelden van vrijdenkers die ontplooiing buiten een eigen autonomie stellig verwierpen. “Het was Nietzsche die het naderende nihilisme (…) zichtbaar maakte en het beeld van de Übermensch ontwierp als het tegendeel van de waardeloze en stuurloze mens die de werkelijkheid hem te zien gaf.” Tegen het licht van de teksten en uitleg over bijvoorbeeld Luther wordt het mij weer eens duidelijk welk dynamiet Nietzsche in de 19e eeuw heeft gebruikt en heeft moeten gebruiken, om in de Duitse oerconservatieve kerkse samenleving gehoor te vinden, ook al was dit maar een hele kleine druppel op een gloeiende plaat tijdens zijn leven.

De verhandelingen over sadisme en masochisme (in de combinatie sado-masochisme) vat ik kort samen door er op te wijzen dat de mens in angst voor de mogelijke vrijheid graag beveelt dan wel bevelen ontvangt. Fromm brengt Adler ten tonele waar hij onderstreept dat de drang naar macht voortkomt ter bescherming van een zelf dat bedreigd wordt door onzekerheid. Hoe treffend en actueel wanner je de krant van gisteren, vandaag en morgen er op na slaat. Angst voor eenzaamheid en onbeduidendheid gecamoufleerd door gevoelens van suprematie, het lijkt wel of de gehele samenleving aanéén geklonterd narcisme-stoornissen laat zien, inclusief de wereldpolitiek van vandaag.

De psycholoog gaat verder en wijst er feilloos op hoe ons geweten bevelen accepteert, niet als eisen van het individuele zelf maar door sociale eisen die de waardigheid hebben aangenomen van ethische normen. Het is misschien wat gezocht maar ik zie een platgetreden en kronkelend pad van de erfzonde uit de kerkse leer naar de dogmatiek van de vercommercialiseerde wereld om ons heen. We zijn vastgeklonken en overgeleverd aan factoren die er nou eenmaal zijn en verlossing ontstaat door mee te gaan in de mallemolen die als een autoritaire macht over ons ‘vrije geesten” regeert. En niet alleen die wereld van status en materialisme regeert maar ook de wens om verlossing van onbereikbare idealen te realiseren (zie ook mijn bijdrage over ressentiment). Waar het niet lukt heeft de menselijke psyche nog meer verrassingen in de trucendoos; destructivisme. Is het niet van de ander dan wel van ons zelf. Ik noem het gemakshalve maar even de auto-mutulatie van het individu. Fromm: “Het leven bezit een eigen innerlijke dynamiek; het streeft ernaar te groeien, zich in vormen te uiten en geleefd te worden. Wordt deze dynamiek belemmerd, dan lijkt de energie die op het leven is gericht een ontbindingsproces te ondergaan en verandert ze in krachten die op vernietiging zijn gericht. (…)Levensdrift en vernietigingsdrift zijn niet twee gescheiden factoren, maar bevinden zich in een wederkerige afhankelijkheid. Hoe sterker de levensdrift is belemmerd, des te sterker wordt de drift tot vernietiging; hoe vollediger het leven wordt verwerkelijkt, des te geringer is de kracht van vernietiging. Destructivisme is kort gezegd het gevolg van ongeleefd leven.” Ik herinner me soortgelijke woorden uit “De zelfstandige mens”.

We kennen het eigenlijk zelf best wel en ervaren maar al te vaak hoe willen, voelen en denken plaatsmaken voor een rationalisatie. Fromm spreekt over pseudo-denken, pseudo voelen en pseudo-willen. Aan de hand van enkele levendige psychoanalytische ervaringen typeert Fromm alle drie ervaringen en de conclusie is steeds hetzelfde namelijk dat we door al dit pseudo handelen een pseudo zelf hebben ontwikkeld want wat denken/voelen/willen wij nu echt en wat is door rationalisatie ons “zelf” geworden?

ken-uzelveSluit Fromm met hoop af? Ja en nee. Tegen het wereldtoneel van verderf, oorlog en terreur in de afgelopen eeuwen, pleegt de mens toch hoop en geloof op een betere wereld te houden. Vrij of niet vrij in zijn eigen gedachten of in harmonie met een zelf hervonden “zelf” komt daarin misschien niet expliciet voor maar de weg er naar toe blijft dynamisch in beweging. “Het ‘Ken uzelve’ is een der meest fundamentele bevelen die menselijke kracht en menselijk geluk ten doel zal hebben”, staat te lezen op pagina 215. Hoe zou Fromm dat anno 2015 opgetekend hebben? In een tijdperk waarin mensen die met fundamentele vragen worstelen als oververmoeid of tijdelijk depressief eventjes in de hoek van de klas mogen gaan staan. Fromm ziet licht in het spontaan handelen als de enige manier om aan de verschrikking van eenzaamheid te ontkomen zonder de integriteit van zichzelf op te geven. Dus toch terug naar de kunstenaar of het kind? In ieder geval naar de mens die van zichzelf bewust is door te handelen en te scheppen en daardoor onderkent dat het leven slechts één zin en betekenis kent namelijk de daad van het leven zelf. In een leven dat echte idealen kent die levensbevorderlijk zijn en dus niet verwijzen naar iets hogers waarvoor onze dood heel zoet kan zijn. “Bleibt der Erde treu, schreef Nietzsche in zijn Zarathustra, “und glaubt denen nicht welche euch von überirdischen Hoffnungen reden!”

Hoe vat je “de angst voor vrijheid” samen? Het handelt over de bevrijding van de autoriteiten en de wording van het individu dat tegelijk geïsoleerd en machteloos is geworden, een werktuig voor doelen buiten hemzelf, vervreemd van zichzelf en van anderen, en die weer graag bereid is om zijn “vrijheid” in te leveren door zich aan nieuwe eigentijdse vormen van horigheid te onderwerpen. Waar Fromm op laat volgen: “De culturele en politieke crisis van onze tijd is niet te wijten aan het feit dat er te veel individualisme is, maar dat het door ons vermeende individualisme een lege dop is geworden.”. Ziedaar, de psychoanalyticus die voor, tijdens en na WO2 zijn werken schreef en nog niet bekend was met massamedia in de vormen zoals we deze nu kennen; de lege doppen als Twitter en Facebook. Al in de 40-er en 50-er jaren wijst Fromm op de eenzame robotmens die ronddoolt als een tandrad in een grote vermalende machine. De westerse mens kent niet echt levensbedreigende armoede maar wel een levens ontkrachtende eenzaamheid (2014 kende o.a. 2000 zelfdodingen) die ons laat chatten met een leuke meid in Tokio terwijl de buurman al 2 weken dood in bed blijkt te liggen.

Voordat hoop gaat omslaan in een nihilistisch wereldbeeld, ga ik stoppen met deze beschrijving en weergave van dit werkelijk belangrijke werk. Resumé; werkelijke vrijheid is dus niet de vrijheid van maar een vrijheid tot.

Ik eindig met de opening van Nietzsche’s aforisme 638 (het lijkt wel een Psalmenboek) uit Menschliches Allzumenschliches (deel 1): “Wer nur einergermaßen zur Freiheit der Vernunft gekommen ist, kann sich auf Erden nicht anders fühlen denn als Wanderer, – wenn auch nicht als Reisender nach einem letzten Ziele: denn dieser gibt es nicht. Wohl aber will er zusehen und die Augen dafür offen haben, was alles in der Welt eigentlich vorgeht; deshalb darf er sein Herz nicht allzufest an alles einzelne abhängen (…).”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *