Nietzsche’s Earth. Great Events, Great Politics

Nietzsche’s Earth. Great Events, Great Politics

In 2016 verscheen bij Chicago Press van Gary Shapiro ‘Nietzsche’s Earth. Geat Events, Great Politics’. Een recensie van Paul van Tongeren.

In Ecce homo schrijft Nietzsche: “Erst von mir an giebt es auf Erden grosse Politik. –“ (EH, Schicksal 1 KSA 6.366). Shapiro probeert uit te leggen wat dat betekent waarbij hij vooral veel nadruk legt op de term ‘aarde’. Hij spreekt onmiddellijk van “a great politics of the earth” (mijn cursivering PvT). “Aarde” wordt vervolgens geopponeerd aan “wereld”. Zoals “wereld” hoort bij “wereldgeschiedenis” (met de connotaties van totaliteit, van een geschiedenis waarin het Christendom een cruciale rol speelt en van een ontwikkeling naar een voltooiing, die bovendien sinds Hegel en Fukuyama in principe gerealiseerd zou zijn), zo zou “aarde” staan voor pluraliteit en voor toekomstigheid die wezenlijk open is, open voor het ogenblik (kairos) en de mogelijkheid. De “wereld” kent een politiek van vaderlanden, staten, instituties en massa’s (“Masse”), de aarde daarentegen is een tuin, ingericht voor volken, nomaden en menigten (in Nietzsches “Menge” hoort Shapiro vooral pluraliteit). De twee staan tegenover elkaar als christendom en antichrist.

Een zo korte samenvatting als deze richt ten onrechte, want te eenzijdig, alle aandacht op de beperking van het boek, die er overigens zeker is: de rol van de tegenstelling (“I claim that the distinction [i.e. between ‘earth’ and ‘world’] is one that is implicit from the beginning and becomes increasingly more prominent in Nietzsche’s work” p. 19) is wel erg zwart-wit en doet denken aan wat Nietzsche in JGB 2 aanduidt als “der Grundglaube der Metaphysiker […] der Glaube an die Gegensätze der Werthe”. En zoals altijd (en zoals bijvoorbeeld ook bij G. Deleuze die een belangrijke leidsman voor Shapiro blijkt te zijn) vergt een dergelijke constructie dat Nietzsches gebruik van begrippen als systematischer wordt gepresenteerd dan het veelal is: wereld tegenover aarde, massa tegenover menigte, transcendentie tegenover immanentie, geschiedenis tegenover toekomstigheid, geschiedswetenschap tegenover geografie en geologie, laatste mens tegenover Übermensch, schuld tegenover geschenk (de reeks maakt overigens ook duidelijk hoe zeer Nietzsche aanleiding geeft tot dit soort dualistische interpretaties). 

Maar de zwakte van de constructie als geheel doet geen afbreuk aan de vele interessante en belangrijke observaties die Shapiro naar voren brengt door zijn aandachtige, met veel eruditie verrijkte (en regelmatig met zijn eigen geëngageerde verzet tegen de recente Amerikaanse politiek gekruide) lectuur van Nietzsches teksten. In hoofdstuk 2 staat de kritiek op Hegel en het Hegelianisme in de Unzeitgemäße (en niet ‘unzeitmässige’ zoals Shapiro een paar keer schrijft) Betrachtungen (UB) centraal. In hoofdstuk 3 ligt de nadruk op Nietzsches kritiek van de staat in Menschliches, Allzumenschliches (met name MA I, hfst. 8), Also sprach Zarathustra (met name Z I.11 en Z II.18) en  Jenseits von Gut und Böse (vooral hoofdstuk 8). Hoofdstuk 4 opponeert de tijd van de chronos (en de wereldgeschiedenis) aan die van het kairos (en het ogenblik, de gebeurtenis en de toekomstigheid) via o.m. een lectuur van het laatste hoofdstuk van JGB en van het tweede deel van Zur Genealogie der Moral. In hoofdstuk 5 wordt de Zarathustra gelezen als begin van een antwoord op de vraag wat dan die grote gebeurtenissen, die grote politiek van de aarde zullen laten zien: de aarde voorgesteld als een tuin is aanduiding van een “geo-esthetische politiek van het antropoceen”. Het 6de hoofdstuk tot slot bespreekt vooral Der Antichrist en de rol die het gevecht met het christendom speelt in Nietzsches “grote politiek van de aarde”.

Shapiro vertaalt de UB als “Unmodern Observations” omdat ze volgens hem niet slechts tegen de eigen tijd ingaan, maar tegen het principe van moderniteit en met name de Hegeliaanse opvatting daarvan waarin het heden zich opvat als de “Aufhebung” van de geschiedenis tot dan toe. In zijn bespreking legt hij alle nadruk op de polemiek met het Hegelianisme van Strauss (UB I) en van Hartmann (UB II) en op het anti-hegelianisme van Schopenhauer (UB III); en dat Nietzsche na de vierde UB over Wagner de tot 13 afleveringen geplande reeks afbreekt zou zijn omdat zijn be­schrijving van Wagners ontwikkeling hem ongewild zelf in een Hegeliaans schema leek te dringen. 

In zijn bespreking van Also sprach Zarathustra richt Shapiro op interessante wijze de aandacht op de manier waarop de aarde, het landschap, en de nomadische beweging daarin een hoofdrol spelen. De tekst waarmee het derde deel (en volgens sommigen eigenlijk het hele boek) wordt afgesloten (“Die sieben Siegel, oder das Ja- und Amen-Lied”) duidt hij als een “geophilosophical rhapsody” die gelezen moet worden in oppositie met de apocalyptische geografie waarmee het Nieuwe Testament wordt afgesloten. In het vijfde hoofdstuk wijst hij op de rol van het beeld van de tuin in de Zarathustra en probeert dat te duiden met behulp van enerzijds een geschiedenis van de rol van de tuin in de (filosofische) esthetica en anderzijds de verbinding ervan met andere beelden (seksualiteit) en thema’s (toekomstigheid) uit Nietzsches denken. 

In zijn bespreking van BGE in hoofdstuk 3 en 4 gaat veel aandacht uit naar de betekenis van Europa. Shapiro volgt Deleuzes interpretatie volgens welke Nietzsche de territorialisering van de (universaliteit pretenderende) filosofie aan de orde stelt. Dat ‘Europa één wil worden’ (JGB 256) zou niet naar een politieke eenheid verwijzen, maar een betekenis hebben die pas blijkt als het achtste hoofdstuk van JGB gelezen wordt als een coherent geconstrueerd geofilosofisch argument. Daarbij schenkt Shapiro aandacht aan de rol van Nietzsches lectuur van Fr. Ratzels Anthropo-Geographie en diens kritiek op Kant en Hegel die de geografie ondergeschikt maakten aan de geschiedwetenschap: Tegenover Hegels filosofie van de geschiedenis die een afgeronde ontwikkeling van Oost naar West schetst, plaatst Nietzsche een beeld van een voortdurende spanning tussen Noord en Zuid. Shapiro illustreert dat met het contrast tussen Hegels vergeestelijkte opvatting van muziek als hoogste kunst die breekt met alle uitwendigheid en Nietzsches geografische oppositie van Noordelijke en Zuidelijke muziek. Dat Europa één wil worden heeft twee kanten: Europa is een mengkroes, een “menigte” die enerzijds de potentie heeft van avontuur en experiment, maar die het gevaar loopt tot een homogene “massa” te worden.

Terecht wijst Shapiro (met name in hoofdstuk 4) op het open verwijzend karakter van Jenseits von Gut und Böse.Dit “Vorspiel einer Philosophie der Zukunft” voorspelt niet zozeer een bepaalde toekomst, maar wil een opening zijn naar toekomstigheid, naar het ogenblik, de gebeurtenis, wil voorbereiden om daartoe gereed te zijn. In zijn nadruk hierop en op de rol van het “vielleicht”, het wachten, het toeval (serendipiteit) in Nietzsches teksten volgt hij duidelijk een lijn van interpretatie die Derrida heeft ingezet.

Der Antichrist wordt door Shapiro gelezen met behulp van een uitgebreide presentatie van het werk van Nietzsches vriend Franz Overbeck over het vroege christendom. Net als Overbeck schetst Nietzsche een sterke oppositie tussen het vroegste christendom met zijn besef van het ogenblik enerzijds (Jezus’ idee dat het Rijk Gods hier en nu is; geen zorgen over de dag van morgen) en de verwereldlijking en vertijdelijking (historisering) en institutionalisering van het Paulijnse christendom anderzijds. Die verwereldlijking (en vertijdelijking tot wereldgeschiedenis) wordt niet alleen geduid als een ont-aardsing, maar vormt ook de reden dat de moderne “secularisering” door Nietzsche niet als een breuk met, maar eerder als een voortzetting van het bekritiseerde christendom gezien wordt. Dionysos als naam van de antichrist toont hoezeer Nietzsche hiermee de filosofie van de aarde tegenover de religie van het boek plaatst. 

Behalve Deleuze en Derrida zijn Agamben en Badiou duidelijk aanwezig als actuele inspiratie­bronnen voor Shapiro, en net zoals dat geldt voor de teksten van die auteurs, levert ook zijn eigen boek veel interessante perspectieven op, zonder dat de centrale these ervan (Nietzsche “grote politiek” is een politiek van de aarde) nu veel duidelijker wordt en zonder dat de ondersteunende argumenten daarvoor (bijv. de tegenstelling wereld-aarde) steeds overtuigend werken. De eerder genoemde zware rol van de duale opposities in Shapiro’s boek wreekt zich misschien wel het meest hierin, dat hij daardoor eigenlijk geen recht kan doen aan de zelfreferentialiteit van Nietzsches kritiek, een kenmerk dat m.i. in toenemende mate zijn teksten doortrekt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *