Ik ben dynamiet. Het leven van Nietzsche

Ik ben dynamiet. Het leven van Nietzsche

Een recensie van Paul van Tongeren over de Nietzsche-biografie van Sue Prideaux, uitgekomen in 2018 bij De Arbeiderspers (serie Open Domein nr. 54).

Deze nieuwe biografie, van de hand van een Engelse auteur die eerder naam maakte met romans en biografieën over de schilder Munch en de schrijver Strindberg, heeft opmerkelijk veel aandacht en lof gekregen, met name in op het grote publiek gerichte media als radio en landelijke kranten. Dat is opmerkelijk omdat de biografie weliswaar een eigen accent legt (dat in die publieksaandacht overigens nauwelijks als zodanig werd opgemerkt) maar verder – begrijpelijkerwijs – niet veel nieuws weet te brengen na de uitstekende biografieën die er al waren van Nietzsche, met name die van C.P. Janz uit 1978. Het eigen accent dat Prideaux legt betreft de relatie tussen Nietzsche en Wagner. Die was ontegenzeggelijk van groot belang, maar lijkt hier eerder overschat te worden. Het is waar dat Nietzsche ook later weer terugkomt op zijn relatie met Wagner, maar de vriendschap tussen beiden duurt in feite krap 10 jaar (1868-1878) en gaat vooraf aan de periode waarin Nietzsches filosofische oeuvre tot stand kwam (1878-1888). Niettemin zijn we al ongeveer op de helft van het boek als die belangrijkste periode begint, en de bespreking van het belangrijkste, aforistische werk blijft minimaal vergeleken met de aandacht die de vroege teksten krijgen. Natuurlijk zijn Nietzsches aforismen niet samen te vatten, maar het zou beter zijn dat te laten zien dan het te verbloemen in korte parafraserende weergaves of in de tamelijk willekeurige verzameling citaat-fragmentjes in de laatste 15 pagina’s van het boek.

De Nederlandse vertaler verdient lof, alleen al omdat hij alle citaten van Nietzsche en andere Duitse (evenals van Oudgriekse auteurs) die de auteur slechts in Engelse vertaling kent, uit de oorspronkelijke taal heeft vertaald. De auteur verdient lof voor haar vlotte vertelstijl, maar minder voor haar wetenschappelijk geweten. Soms verwijst ze naar haar bronnen, maar meestal niet, hetgeen juist bij zaken die mij althans niet bekend waren hinderlijk is en enige argwaan wekt. Zij probeert een gepassioneerd verhaal over haar hoofdpersoon te schrijven en daar hoort bij dat ze minder aansprekende zaken (bijv. het nationalistische enthousiasme voor de Frans Duitse oorlog van de jonge Nietzsche) weglaat, dat ze Nietzsches zus Elisabeth nog zwarter maakt dan ze al is, en dat ze regelmatig schrijft alsof ze zich identificeert met haar onderwerp, met diens zintuigen kijkt, ruikt en voelt en diens innerlijke gevoelens kent. 

Ik geef een aantal voorbeelden van zaken die mij discutabel lijken: Dat Wagner zij aan zij vocht met Michael Bakoenin in mei 1849 en de voorraad handgranaten van de rebellen financierde (p. 22), of wat Nietzsche schreef als opdracht in het exemplaar van Menschliches Allzumenschliches dat hij aan Paul Rée stuurde (en dat is volgens haar iets anders dan wat daarover door andere biografen wordt vermeld; p. 189) moeten we aannemen, zonder enige referentie. De suggestie dat het Händels ‘Halleluja-koor’ (28) was dat Nietzsche aanzette zelf ‘iets soortgelijks te componeren’ (29) lijkt een toegift aan het grote publiek dat Händel met Halleluja associeert, maar is waarschijnlijk onjuist, aangezien Nietzsches compositie een ander stuk uit de Messiah imiteert. Het lijkt me onjuist om te stellen dat Diogenes Laertius met Theognis van Megara en Empedocles  gemeen heeft dat er van hem nauwelijks iets overgeleverd zou zijn (45), of dat Nietzsche in zijn lezingen over de toekomst van het onderwijs ‘marxistische theorieën […] tegen een terugkeer naar het aristocratisch radicalisme van het oude Griekenland’ aanvoerde (111). Dat de naam Peter Gast, via Petrus als ‘steenrots’, een zinspeling zou zijn op de ‘stenen gast’ uit Mozarts Don Giovanni (201), is leuk bedacht, maar voor zover ik weet (en de auteur geeft geen referentie) zonder basis in Nietzsches brieven. De suggestie dat Nietzsches teksten over de ‘vrijwillige dood’ een pleidooi zou zijn voor ‘vrijwillige euthanasie voor mensen die ondraaglijke pijn lijden’ (247) lijkt me eerder een poging om Nietzsche aan te passen aan heersende opvattingen, dan een correcte weergave van zijn oneigentijdse gedachten. Het klinkt aardig om te schrijven dat zijn pension-gastheer hem het nieuwe behang voor zijn kamer liet uitkiezen (p. 305), maar in zijn brief schrijft Nietzsche alleen dat zijn kamer nieuw behangen is, ‘geheel overeenkomstig zijn eigen slechte smaak’. Door aanhalingstekens weg te laten suggereert de auteur dat zij zelf over Aristoteles schrijft wat heel anders klinkt als men weet dat zij in feite Nietzsche citeert (318). Dat de stad Naumburg typisch ‘apollinisch’, ‘noodzakelijk en logisch’ zou zijn (23) is een nogal loze opmerking, en hetzelfde geldt voor de suggestie van een analogie tussen Empedocles en de Etna, Zaratoestra en de grot en Nietzsche en de waanzin (41).

Regelmatig verliest de auteur haar zelfbeheersing in dweperige zinnen als bijvoorbeeld: dat volgens Burckhardt vrijheid van emotionele invloeden noodzakelijk was ‘om vat te krijgen op de hoogste ethische waarheden’ (78); of over Nietzsche: ‘Hij doorkruiste de hooggelegen streken als Prometheus, vaak liep hij acht of tien uur per dag terwijl hij zijn geest gericht hield op het ondoorgrondelijke doel van het universum, en dan ontdekt hij een heerlijke luciditeit in de contemplatie van de uitgestrekte sferen van wat hij niet volkomen kon doorgronden.’ (p.195) Maar wie zich aan dit soort zaken niet stoort, zal zich niet vervelen bij de lectuur van deze biografie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *