Want alle verlies is winst

Want alle verlies is winst

So wie man uns jetzt erzieht, bekommen wir zuerst eine zweite Natur; und wir haben sie, wenn die Welt uns reif, mündig, brauchbar nennt. Einige wenige sind Schlangen genug, um diese Haut eines Tages abzustossen: dann, wenn unter ihrer Hülle ihre erste Natur reif geworden ist.  Morgenröte

Wie het politieke toneel van de laat-20e en begin 21e eeuw onder een goed vergrotende loep legt, de analyses uit vele media over elkaar positioneert en de kruisverbanden probeert te zien, wie de kopstukken van nationale en internationale politiek kritisch tegen het licht houdt komt eigenlijk na enige beschouwing maar tot één conclusie of beter gezegd vraag; waar is de Politicus zonder Partij? Een criticus, voorzien van het esthetisch en morele geweten zoals de auteur die een essay met deze titel in 1934 liet verschijnen? Waar is de huidige écht doortastende intellectueel met de onnavolgbare scherpe pen zoals de geestelijk vader van die Politicus: Menno ter Braak. Hofland is niet meer onder ons. Bas Heijne heeft zijn handen er vol aan om het grote gat waar we inkijken te vullen. De naam van ter Braak, de scherpzinnige stylist, essayist, cultuur- en literatuurcriticus dook door zijn zelfgekozen dood op 14 mei 1940, nog recentelijk op in het boek “Mij krijgen ze niet levend” van Lucas Ligtenberg. Mij houdt de vraag al decennia lang bezig, vooral wanneer we weer eens het zoveelste toneelstukje in de Nederlandse media of politiek voorgeschoteld krijgen; wat zou ter Braak erover geschreven hebben? Menno ter Braak; een in mijn ogen veel te snel en radicaal vergeten grootheid uit de Nederlandse geschiedenis en letteren. Hij heeft veel geschreven zeker gezien zijn korte leven van 38 jaar. Maar zijn verzameld werk staat zelfs dubbel in mijn boekenkast. Een Freudiaanse daad om misschien toekomstige vergeetachtigheid tegemoet te komen? Hoe dan ook, ter Braak verdiend een zeer grote plek in de Nederlandse geschiedenis en dat is voor mij persoonlijke de dubbele (misschien idiote) aanwezigheid van zijn zeven bruine delen Verzameld Werk op de plank thuis.

Zoals ik als bekend mag veronderstellen was Menno ter Braak een groot bewonderaar en kenner van de werken van Nietzsche. Ik zou zelfs durven te stellen dat hij een van de weinige Nederlanders is geweest die na 1900 Friedrich Nietzsche op de juiste merites, duurzaamheid van gedachten en met name creatieve (lees; niet-wetenschappelijke en academische) denkvermogen heeft gewaardeerd. Tijd dus om eens even wat beter stil te staan bij de lijn tussen ter Braak en Nietzsche.

Over Menno ter Braak is in de loop der jaren in een kleine kring veel aan publiciteit geweest maar aan de grote klok van deze tijd heeft hij nooit echt gehangen. De onvoorstelbaar uitgebreide biografie van Léon Hansen (deel 1 in 2000 en deel 2 in 2001, uitgeverij Balans) spant de kroon over hetgeen er in de loop van de jaren over studies aan ter Braak is gewijd. Maar toch…altijd weer die kleine kring. Datzelfde geldt ondanks de goede bezoekersaantallen voor de mooie website www.mennoterbraak.nl. Kwaliteit in vorm en inhoud die wordt ingehaald door de vluchtigheid van vandaag, “waar de slechtste lezers zich als plunderende soldaten gedragen: ze halen dat eruit wat ze kunnen gebruiken, besmeuren en verhaspelen de rest en stellen het geheel in een kwaad daglicht.” (Mij valt ineens iets in over geleend gedachtegoed van epigonen en etaleurs als bijvoorbeeld Baudet. Was het niet iets met parels en zwijnen?)

‘Want alle verlies is winst’, luidt het eerste deel van de biografie over ter Braak. Léon Hansen (LH) heeft zichzelf twee decennia terug een gigantische uitdaging gesteld; een zeer uitgebreid en gedetailleerd overzicht van leven, denken en werken van ter Braak. Het is een letterkundig huzarenstuk geworden dat zoals het Nederlandse maaiveld betaamt helaas uiteindelijk in de ramsj verdwijnt. LH legt de jeugd van ter Braak naast die van Nietzsche, althans naast de analyse van Alice Miller zoals zij deze verwoordt in haar “De gemeden sleutel”. De stelling dat veel van Nietzsches gedachtegoed een fundament heeft in de jeugd van de denker; ‘…de stilzwijgende, vertwijfelde, maar toch tevens gigantische strijd van het gekwetste, expressieve kind met de leugenachtigheid, botheid, levenloosheid, onduidelijkheid, domheid, tegenstrijdigheid, krachteloosheid van zijn opvoeders’.

Wie daarover meer wil horen en ‘verstehen’ kan ik de volgende drie scenes aanbevelen:

https://www.youtube.com/watch?v=V7HFIYmPdaU

https://www.youtube.com/watch?v=DzYoSppLmeM

https://www.youtube.com/watch?v=iNuze1m6VYM

Ik kan me in zekere zin vinden in de analyse van Miller maar dan in de meest algemene deler die ons verbindt, namelijk dat we allemaal een product zijn van hetgeen we genetisch en vanuit onze totale invloedsfeer hebben meegekregen. LH gebruikt de stelling van Miller betreffende Nietzsche als een aanloopje naar de parallel met het kind Menno ter Braak voor wie het fenomeen taal gevormd door ‘de slechte verhouding tot woorden’ een prominente rol speelt. Het kind dat net als zijn grote voorbeeld Nietzsche een groot improvisatietalent en aanleg voor muzikaliteit bezat. Een gedrevenheid die misschien wel ‘lebensbejahend’ genoemd mag worden, die de gezondheid van geestelijke vermogens bevordert door jezelf steeds weer te overwinnen, uit te dagen, al was het alleen maar door een gehoord wijsje thuis noot voor noot na te spelen. Zou het tegenwoordig in een ‘autistisch spectrum’ passen? Ook verderop in een vergelijk met de dichter Dèr Mouw komt de invloed van de kindheid in het latere leven terug. LH haalt een citaat van Dèr Mouw aan die de crisis op diens 48e jaar onderschrijft: ‘…ik ben alleen, gevangen in de bewustzijnscel, waarin het spookt van wereldhallucinatie, tevoorschijn gekoortst door de onbegrijpelijke ziekte, die ik leven noem’. Ter Braak noemde de crisis ‘het gericht der individualiteit’ waarmee hij de logica en de tragiek voor de denkende mens onderstreepte; levenslange opsluiting in de cel van het bewustzijn. Gevolgd door een citaat uit “Afscheid van Domineesland”: ‘Waar de kindsheid eindigt, begint de vertwijfeling en de strijd; wat misschien reeds in het kind-zijn bewust geweten was, maar als een ver, theoretisch belangwekkend probleem, tast nu het eigen bestaan in den wortel aan; het denkspel wordt een fatale ernst’.

En die politiek, was dat nou zonder een partij, een kleur? Nee, het was veel meer het besef dat de politiek an sich steeds weer tegen de harde muur van de paradox loopt oftewel die van de fantasie die op de praktijk stuit. Dat zien we vandaag net zo hard gebeuren als bijvoorbeeld in de boven aangehaalde psychologe Miller waarin zij stelt dat elke leider of dictator als onbeschadigd kind is geboren en in de tijd dat de slang van macht de geest van de politicus nog niet in haar invloed had, zij het goede met de wereld voorhadden. In zijn “Kaiser Otto” zal ter Braak dan ook stellen dat politiek niet geworteld is in de werkelijkheid maar tot het domein van de fantasie behoort. (Een uitgangspunt dat een mooie uitvalsbasis geeft voor de blatende Baudets en Trumps van deze wereld). Nietzsche was de adviseur van ter Braak die hem al heel vroeg door zijn teksten had ingefluisterd ver van de politiek te blijven. Wie fluistert dat heden ten dage nog de nar in die met folders en gedraai voor de microfoon zielen tracht te winnen?

De biografie volgt de intellectuele groei van ter Braak nauwgezet en mijn oog valt steeds weer op die ene invloed vanuit het Duitse denken. Nietzsche zal zoals bij menig andere adolescent enerzijds de aanstichter van de chaos en het nihilisme zijn maar anderzijds ook de kracht geven om door die chaos naar het nihilisme als voorbijgaand station te kijken. Dat de adolescent zoiets met veel ironie en zelfspot doet mag dan misschien een vreemd instrumentarium zijn en de jongvolwassene op de een of andere wijze al vroeg diens jeugd afnemen, maar de balans zoeken tussen burger en dichter is een proces dat bijna niet met omhooggetrokken gordijn kan plaatsvinden. De façade is zogezegd een bittere noodzaak.

Op pagina 408 van dit eerste deel vergelijkt LH Nietzsche’s Zarathustra met de opbouw en vorm van ‘Het carnaval der burgers’ dat in 1930 uitkwam. Beide een lange allegorie hetgeen ter Braak zelf later in zijn ‘Politicus’ zal ondergraven door te stellen dat de allegorie alleen nodig is voor de schrijver die nog niet voldoende op de alledaagse woorden en beelden durft te vertrouwen, die het sprookje zogezegd nodig heeft om enigszins overtuigend te kunnen zijn. Hier tippen we voor mij iets essentieels aan; de uitleg is er niet voor mogelijk, de duiding is lastig maar het mysterie van de tekst blijft. ‘Het carnaval der burgers’ houdt iets duisters en ondoorgrondelijks tot aan de laatste pagina. Hier is onomstotelijk al vroeg de invloed van de creatieve Nietzsche te bespeuren die met zijn Zarathustra het Duitse literaire gehalte naar een allegorisch niveau bracht dat zijn weerga niet kende.

Aforisme 455 uit Nietzsches Morgenröte waarmee dit bericht begint is het aforisme dat ter Braak vooraf laat gaan in zijn Politicus zonder Partij, opgedragen aan zijn vriend Eddy du Perron en diens vrouw Elisabeth. Het is exemplarisch voor de vele Nietzsche invloeden, beschouwingen, studies en citaten die op menig plek in het oeuvre van ter Braak te vinden zijn. Ter Braak als doorgeefluik, ankerpunt tussen Nietzsche van toen en de tijd van nu.

Deel twee van de biografie uit handen van Léon Hanssen neem ik binnenkort ook onder de loep. Menno ter Braak loopt daarin zijn pad verder met Friedrich Nietzsche, verlaat diens route niet, integendeel. Afsluitend van deze beschouwing nog wat fraaie zinnen en gedachten uit de pen van ter Braak zelf en wel uit zijn “Douwes Dekker en Multatuli” (1937):

Maar vergelijk Multatuli met Nietzsche, en de partijen zijn gelijk; niet gelijk in dien zin, dat men hen onder ieder perspectief over één kam zou moeten scheren, maar gelijk wat den inzet van hun drama betreft. Die inzet is in beide gevallen de menschelijke waardigheid, gesteld als probleem (en niets anders dan probleem) zonder het patronaat van den christelijken God. In den stijl van Nietzsche zoowel als van Multatuli voelt men de bereidwilligheid om iedere christelijke illusie, iedere rest van het ‘geloofsbezit’ los te laten; de bereidwilligheid is bij beiden dezelfde, de talenten en de strategische positie zijn bij beiden zeer verschillend. Er is een verschil in cultuur, er is een verschil in temperament, er is ook (last not least) een verschil in klankbodem en in tegenspelers; men kan eenvoudig het optreden van Multatuli niet met dat van Nietzsche vergelijken zonder steeds weer de verregaande provincialiteit van Nederland, het ontbreken van persoonlijkheden als Schopenhauer en Wagner als ‘opvoeders’, in rekening te brengen. Maar ook wanneer men dat verschil in klankbodem en tegenspelers tracht weg te denken, blijft het verschil bestaan tusschen Nietzsche, den voormaligen philoloog, en Douwes Dekker, den voormaligen indischen ambtenaar, tusschen Nietzsche, den moralist met de denktucht der academie op den achtergrond, en Multatuli, den man der ‘directe actie’, der gekrenkte waardigheid. Dìt verschil is het essentieele. Nooit heeft Multatuli zich, zooals Nietzsche, terug kunnen trekken op de roeping van philosoof als ‘wetgever’, nooit heeft hij de ‘Umwertung aller Werte’ als zijn specialiteit erkend, ook al schreef hij in de dagen der Minnebrieven aan Tine: ‘Men erkent dat ik een omkeering maak in de literatuur. Ja, omkeeren is myn métier!’ Toen het inzicht van de betrekkelijkheid der woorden definitief tot hem door begon te dringen, was hij uitgeput en niet meer in staat zich die laatste ontdekking toe te eigenen, ook deze groote skepsis om te smeden tot een nieuw wapen…

Het begin van een schrijversloopbaan is minstens zoo representatief voor den schrijver als het einde. Aan het begin staat bij Nietzsche de klassieke philologie; zijn eerste ‘sensatie’ is Die Geburt der Tragödie, is de ontdekking van het begrippenpaar apollinisch-dionysisch, die beslissend zal blijken voor zijn ontwikkeling als denker; een ontdekking in het gebied der theorie, die vàn de theorie nààr het handelen zal voeren.

Aan het begin staat bij Douwes Dekker Max Havelaar, een oproep tot handelen, tot ongedaan maken van onrecht; de ontdekking van algemeene knevelarij, een ontdekking van de koloniale practijk. Reeds in een concept van een brief aan Duymaer van Twist, die nooit werd verzonden, opgesteld te Rangkas Betoeng (9 April 1856), formuleert Dekker het aldus: ‘Ik heb veel geleden. Ik geloof dat ik bestemd ben veel te handelen. Ik geloof dat ik eene roeping heb. Ik heb lust en moed die roeping te volgen. Ik geloof dat God my de kracht geven zal die te volbrengen.’ Terwijl hij daarvoor te kennen geeft, dat hij is ‘bezield met de kracht van een eerlyk man die een edele taak voorstaat. Want ik heb myzelven leeren kennen als waardig daarvan de held, of althans de martelaar te wezen’.

Men proeft het uit deze formuleering: de man, die dit opschreef, had nooit de hartstocht voor het zuiver-theoretische, en evenmin den schroom voor het handelen, die Nietzsche kenmerkt; hij wilde, napoleontisch, iets bereiken in het domein der ‘directe actie’, en werd pas theoreticus door de ontgoocheling. Zijn stijl blijft tot in zijn laatste brieven toe gestempeld door die ontgoocheling; er blijft een voortdurend tasten naar practische resultaten, naar directe solidariteit met een publiek waarneembaar, dat men in de geschriften en de correspondentie van Nietzsche tevergeefs zal zoeken. Hij, die veel geleden heeft en zich bestemd voelde tot veel handelen, wordt na de ontnuchtering meer en meer een geniaal improvisator; van den brochuretoon is hij nooit geheel losgekomen, in de versplintering der Millioenenstudiën nadert hij den ouden dag.

Nietzsche en Multatuli waren beiden meesters van het aphorisme, maar de aphoristische uitdrukkingswijze heeft in hun oeuvre toch geenszins dezelfde functie. Bij Nietzsche is het vooral de groote veelheid van aspecten op het ééne, zich ‘ondergrondsch’ ontwikkelende probleem der moraal, die zich in den aphoristischen stijl manifesteert; het behoort tot de tactiek van zijn ‘perspectivisme’, dat hij dit zijn levensprobleem gaandeweg klemmender stelt door het telkens onder andere belichting en dikwijls ook zonder het bij name te noemen uit de veelheid der stof naar voren te brengen; men ziet juist daardoor dit probleem der moraal steeds duidelijker, naarmate Nietzsche aphorisme na aphorisme afschuift als een verbruikte huid. Multatuli daarentegen, man van actie à rebours en dientengevolge meer en meer aangewezen op de ‘zelfstandige beoefening’ van wat aanvankelijk slechts een plaats had in de schaduw van Lebak, blijft steeds improvisator, pamflettist, vonkenspattend genie; niet de denktucht der academie, maar het negatief van een nooit voldane behoefte aan handelen bepaalt de veelheid van zijn aphoristischen stijl. Zijn z.g. vulgariteit, die ook in dien stijl tot uiting komt, en die zich inderdaad bijzonder sterk onderscheidt van Nietzsche’s aristocratische cultuur, komt voort uit die behoefte aan actie; vandaar ook, dat hij het nu eens hier, dan daar ‘zoekt’, om er later teleurgesteld weer van af te zien. Hij sympathiseert b.v. zeer actief met de vrijdenkers, maar laat hen, nadat hij hun afgod is geworden, in den steek; ‘de vrydenkers… vatten hun roeping op alsof discipline onteerend ware; in dit opzicht laat hun “denken” veel te wenschen over aan “vryheid”’ (brief aan Muller van 8 Jan. ’84). Hij verwacht telkens het heil van den een of ander, hij past zich dan zelfs gedeeltelijk aan bij dien ander; hij ontmoet daarom niet het volstrekte zwijgen, dat om Nietzsche heerschte, tot Georg Brandes de stilte verbrak, maar hy ontmoet vele tijdelijke vrienden, schilderachtige kennissen, idealistische en (meer dan dat) ronduit paskwillige dames; hij krijgt zelfs vurige discipelen, er wordt geld voor hem bijeen gebracht, hij is een tijdlang populair als ‘de spreker’, dat eigenaardige en typisch hollandsche aequivalent van den variété-artiest, maar ‘in het geestelijke’…

Nietzsche zoowel als Multatuli waren ‘homines illiterati’, in dien zin, dat zij nooit hun genie hebben trachten te documenteeren door citaten, door beroep op een gelezen instantie; en beiden waren zij, ieder op zijn manier, zeer belezen, intuïtief gespitst op het ontdekken van de officieuze reputaties achter de officieele. Maar nooit heeft Douwes Dekker het tekort aan methode – van de methode, die Nietzsche zich onder zijn leermeester Ritschl verwierf – volkomen kunnen vergoeden door zijn zeldzame beweeglijkheid van denken, zijn even zeldzame ongevoeligheid voor de krachtige hollandsche moralineinjecties, en zelfs niet door zijn uitgesproken aanleg voor de wetenschap. Zeker is dat gebrek aan methode, die ‘afkeer van principes’, een van zijn belangrijkste qualiteiten als ‘buitenspeler’ in het Nederlandsch cultuur-ensemble, omdat het hem veroorloofde radicaal te breken met de spelregels der ‘regenten’; zeker was het juist het onmethodische en improviseerende in zijn optreden als hervormer en als schrijver van Max Havelaar, dat hem het gedeeltelijke succes verschafte, waarvan hij zelf overigens de gedeeltelijkheid steeds het duidelijkst heeft beseft; maar even zeker is het door gebrek aan methode, aan geestelijke discipline, dat Multatuli als moralist (als ‘wetgevend’ denker) de mindere blijft bij een vergelijking met Nietzsche. Hij heeft, als moralist, dan ook zijn Duizend-en-Eenige Hoofdstukken over Specialiteiten niet overtroffen (of overwonnen, al naar men het accent legt op de verdienste of op de betrekkelijkheid van het ‘de roeping van den mens is: mens te zyn’); hij heeft het probleem van de menschelijke waardigheid in haar verhouding tot de verbijzondering en verkalking in specialismen, het kernprobleem van onze cultuur, schitterend gesteld, maar het is hem tevens door de vingers gegleden.

2 gedachten over “Want alle verlies is winst

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *