Karl Jaspers – Nietzsche en het christendom

Karl Jaspers – Nietzsche en het christendom

Uitgeverij Bijleveld durfde het begin dit jaar aan; een (uitermate goede) vertaling van “Nietzsche und das Christentum” dat de Duitse psychiater en filosoof Karl Jaspers een grote bekendheid gaf in de wereld van de Europese filosofie en die van Friedrich Nietzsche in het bijzonder. In 1946 verscheen het boekje in Hamelen maar had verder niets uit te staan met wonderlijke straattaferelen met een fluit en ratten. Dat ongedierte zat filosofisch en filologisch gesproken tot dusver vooral in de (wetenschappelijke) interpretaties van het grote denkwerk zoals dat tot de Tweede Wereldoorlog en vlak erna in de werken van Nietzsche werd uitgegeven. Niet voor niets dat in 1946 de geallieerden het boekje lieten verschijnen, als tegengif tegen het vermeende in rassen denken van ene heer Nietzsche. Jaspers was een van de weinigen die zich niet (noodgedwongen) heeft ingelaten met de Nazi’s en stelde schuldvragen anders dan zijn vakbroeder Heidegger. Jaspers kreeg voetstuk en podia over de gehele wereld en gold lang als het intellectuele geweten. Hij toonde aan dat het werk van Nietzsche in al zijn tegenstrijdigheden een enorme denkwaarde en explosieve kracht had. Vanuit het existentiële gedachtegoed dat Jaspers omarmde (anders dan het existentialisme van Sartre), zag hij in Nietzsche de nomade die wars van universitaire of burgerlijk fatsoen, de fundamenten in het Europese en christelijke denken aan het wankelen bracht. Jaspers bleef zijn leven lang zich rondom Kant begeven maar gaf ook duidelijk te kennen dat het nihilisme dat Nietzsche zo treffend heeft opgeroepen in zijn teksten alsmede de taak deze te overwinnen (Ja-sagen), als de meest magnifieke openbaringen te hebben ervaren.

In het werk zelf begint Jaspers met de vaststelling van Nietzsche’s passie zich tegen het christendom te keren: ‘zijn vijandschap tegen de realiteit van het christendom is niet te scheiden van zijn feitelijke binding met datgene wat het christendom pretendeert’. In die context citeert hij Nietzsche: ‘Ons hele doen en laten is alleen maar moraliteit die zich keert tegen de vorm waarin ze tot nu toe heeft gefunctioneerd.’

Jaspers interpreteerde als een van de eersten de ‘God is dood’ uitspraak zoals Nietzsche deze bedoeld heeft: de vaststelling van een feitelijke stand van zaken. Niet ‘er is geen God’ of ‘ik geloof niet in God’ of de aardse vaststelling dat wetenschap het geloof aan het verdringen was. Nee, het ging en gaat dieper waardoor er een grote bodemloze kloof begon te ontstaan, een spelonk waar we vandaag nog steeds mee van doen hebben. Jaspers maakte onderscheid tussen religie als (psychologisch) fenomeen, de christelijke kerk met haar dogma’s en het leven van Jezus. Jaspers: ‘Aldus was in de ogen van Nietzsche het christendom geen proces van afvalligheid van een oorspronkelijke waarheid die langzamerhand verloren ging. Nee, het kwam voort uit geheel andere bronnen, die zich onmiddellijk en bij het allereerste contact meester maakten van het hun wezensvreemde erfgoed van Jezus en dat vervalsten’. Vreemd en opzienbarend dat zowel Jezus als Nietzsche door menselijke interpretaties los kwamen te staan van hetgeen zij wilden uitdragen. Jaspers weet zich ook van onvervalste en duidelijke woorden uit de mond van Nietzsche te bedienen. Die laat er ook geen woord Chinees over bestaan in zijn Antichrist: ‘Dat de mensheid op de knieën ligt voor het tegendeel van wat de oorsprong, de betekenis en het recht van het evangelie was, dat ze in het begrip ‘kerk’ juist datgene heilig verklaard heeft dat de ‘brenger van de blijde boodschap’ onder zich, achter zich waande – men zoekt vergeefs naar groter bewijs van de ironie der geschiedenis.’ In de latere 19e en 20e eeuw trokken de idealen uit die christelijke wijze van ‘gelijkheidsdenken’ voort in de opkomst voor het zwakkere in zowel liberale als socialistische politiek. Ook daar weet Jaspers terwijl hij zonder afstand er midden in verwikkeld zat, de vinger op de juiste plek te leggen. Zonder oordeel maar wel scherp analyserend noemt hij ze de ‘pseudomorfosen’ van het christendom die nog niet overwonnen zijn maar een leiband vormen voor de Europese mensheid. Filosofie, moraal, mensenrechten en nivelleringsidealen kwamen in die periode voort uit de wortels van het christendom of om het in de woorden van Nietzsche te zeggen, bleven de leugens van het christendom ook in het seculiere gedachtegoed voortleven. Idealen die ver van de werkelijkheid staan, die steeds weer afbrokkelen en vermoeid raken tot aan het pure nihilisme aan toe. Hoe anders, in de gedachten van Nietzsche, komen de christelijke waarden in de oervervalsing, tot aan hun uiterste consequentie; het nihilisme.

In 1946 durfde Jaspers het aan om zijn uitleg openbaar te maken in een stoffig en conservatief academisch milieu dat Duitsland nog steeds kende. In een nog steeds zwaar confessioneel Europa onderstreepte hij de uitspraak van de filosoof die opriep tot het verwerpen van elke macht vanuit het geloof.

In het tweede hoofdstuk (‘Hoe Nietzsche feitelijk dacht’), gaat de psychiater Jaspers verder in het detail, de man, de mens achter de woorden van Nietzsche. Dat kan alleen maar interessant zijn! De eerste vaststellingen zijn natuurlijk de tegenstrijdigheden en de herroepingen en last but not least de waanideeën aan het einde van Nietzsche’s geestelijk nog aanwezige leven. Jaspers durft het aan om zijn studie naar Nietzsche, en specifiek zijn verhouding tot het christendom, onder de loupe te nemen terwijl een denker in het formaat van Nietzsche willen begrijpen in feite betekent ook zijn diepste motieven te moeten en willen begrijpen. Waarom fulmineert Nietzsche al zo betrekkelijk vroeg, niet tegen het spirituele (‘de Boeddhist handelt anders dan de niet-Boeddhist, maar de christen handelt als iedereen en heeft daarnaast een christendom van rituelen en stemmingen’) maar tegen de christelijke dogmatiek en kerk? Nietzsche en Jaspers komen tot dezelfde vaststelling die elke discussie, elk gesprek tussen de gelovige en de ongelovige zo lastig maakt. Want waarom is de ontmaskering door Nietzsche niet voor iedereen een ontmaskering? Een individuele instelling die tot een ongehoorde machteloosheid leidt of juist een buitengewone macht over de loop van de dingen geeft? Jaspers ziet het antwoord in de christelijke leer an sich; scherpe breukvlakken tussen schepping, zondeval, verschijning van God’s zoon, einde van de wereld en het jongste gericht. Een onlosmakelijk geheel zonder een kijk op de empirische geschiedenis die een proces van willekeur en verandering laat zien. De christen ziet in de geschiedenis geen diepere empirische zin of doel, er moet iets bovenzintuiglijks zijn, iets metafysisch terwijl Nietzsche onderaan blijft herhalen dat we de aarde trouw moeten blijven. Terecht gooit Jaspers de stelling in de kringgedachte dat een totaalvisie die zichzelf vastlegt, niet alleen steeds onwaar is, maar ook de ‘ontvankelijkheid van het ervaarbare’ verlamt door met een beeldvorming te bevredigen en de vragende mens te kunnen laten rusten. Jaspers: ‘Elke kennis van iets, en zo ook de kennis van de loop van onze geschiedenis, dient zich, als zij tot het domein van ‘waar’ en ‘onwaar’ wil behoren, zich bewust te blijven van een grondsituatie van al ons zijn. Wij bestaan en leven vanuit het omvattende dat zelf nooit tot object van kennis kan worden.’ En verderop: ‘(…) alles wat ‘juist’ lijkt, is met betrekking tot het geheel alleen maar een weg: pas wanneer deze weg begaan wordt, openbaart zich wat tevoren in het ‘juiste’ nog geenszins beoogd kon zijn’. De existentiële pragmaticus komt aan het woord wanneer hij erop wijst dat het niet om het universele gaat, de totaliteit van de wereldgeschiedenis die niemand in de hand heeft maar wel op de ‘historiciteit van het ogenblik’: ‘het komt aan op wat ik werkelijk word, wie ik ontmoet, wie ik liefheb, welke concrete taak ik als beroep vind, welk mensbeeld mij voor ogen staat omdat het concreet bestaat en omdat ik het zien kan (…).’

Op pagina 84 van het vertaalde werk gaat Jaspers over op een analyse die in mijn ogen redekundig ook omkeerbaar is wanneer hij de premisse stelt dat als uit bewondering voor de resultaten van de wetenschap God wordt geschrapt, de schepping zonder schepper achter blijft. Deze schepping blijft voor de wetenschap bestaan, stelt Jaspers, evenals de gedaante die ze aangenomen had ten tijde van het geloof in de schepper. Vervolgens komt hij tot drie stellingen, dus op voorhand op glad ijs:

  1. Als het kennen eerlijk blijft, dan blijft ook de bodemloosheid van de wereld bewust voor ogen staan (uit het kennen ontspruit ook de wetenschap dat kennis haar grenzen kent).
  2. De wereld in haar bodemloosheid wordt door het ontbreken van een zin onverdraaglijk. Met andere woorden, wanneer de goddeloosheid geheel en al werkelijk geworden is, houdt uiteindelijk de belangstelling voor de waarheid op en leidt teleurstelling tot nihilisme.
  3. In de onverdraaglijkheid van de bodemloosheid zoekt de mens houvast; meningen, denkbeelden, uitspraken vanuit religie en wetenschap. De wereld wordt ‘kenbaar’.

Nietzsche ging alle wegen, ja zelfs die van het wetenschappelijke bijgeloof. Ikzelf krijg vlekken in mijn nek van voortdurende pogingen om iets dat vanuit een geloof tot stand is gekomen, een wetenschappelijke basis te geven, tastbaar te laten zijn in welke bewierookte of commerciële gedaante dan ook.

Nietzsche kende het gevaar van de goddeloosheid. De vertwijfeling, het onoverwonnen nihilisme zou (en zal) tot een radicale onverschilligheid leiden, zelfs tegenover alles wat blijvende waarde heeft. Een nihilistische en misantropische ontkenning van elk menselijk gegeven heeft op de een of andere wijze een grote aantrekkingskracht op de ongelovige zoekende mens. Uiteindelijk zien we dit onvermogen tot overstijgen uitmonden in het ontbreken van elke rem, een vertwijfeld geloof dat zich keert tegen het niets (‘er moet toch iets meer zijn tussen hemel en aarde?’) of een fanatiek zich-ergens-aan-vastklampen.

In het derde en laatste hoofdstuk wijst Jaspers op zijn en onze beperking ten aanzien van Nietzsches wegen. Als ondertitel kent het dan ook: ‘Het tekortschieten van elke stellingname en de beweging van het denken’. In zijn eigen woorden: ‘Bij Nietzsche worden we steevast verdreven uit elke ingenomen positie en dus verjaagd uit elke eindigheid; wij worden keer op keer in de maalstroom geworpen.’

Hiermee sluit het interessante boekje af. Er is een grens aan ons inzicht in Nietzsche. Als zo’n inzicht en begrip al kan ontstaan, dan is dat alleen mogelijk door de totale Nietzsche te kennen. Ik zou zeggen; ga er maar aan staan. Pak een groot stuk vlakgum en elimineer de dubbelzinnigheden en de meerduidigheden om vervolgens erachter te komen dat ook die in het totale labyrint hun plek opeisen. Dat is namelijk het denken van Nietzsche geweest. Een denken dat misschien wel terecht áltemenselijk is geweest…!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *