Jan Keij als opvoeder

Jan Keij als opvoeder

Eerlijk is eerlijk; de titel van het boek dat uit handen van Jan Keij bij uitgeverij Klement in 2011 verscheen, intrigeert naar alle waarschijnlijkheid een breed publiek. Of om in Levinas’ termen te spreken zal de titel een appèl doen aan een potentiële lezer. Goed gevonden van uitgever en/of auteur.

Het boek geeft een zeer heldere uitleg van Nietzsche’s gedachtegoed. Jan Keij doet dit (gelukkig) als een ervaren lezer en interpretator van Nietzsche en weet dit duidelijk over te brengen aan een niet geoefende lezer c.q. niet ingevoerde lezer. Een bovengemiddeld geïnteresseerde bovenbouwleerling kan daardoor kennis maken met Nietzsche maar bovenal ook met het feit dat Nietzsche geen leer verkondigde en in die zin een bijzondere plek inneemt in het filosofische landschap. Aan de hand van vele citaten, opvallend veel ook uit de nagelaten fragmenten, wijst Jan Keij stelselmatig op het feit dat Nietzsche geen leermeester is, geen volgelingen wenst en zeker geen feiten kent doch slechts interpretaties (“Wie niet denkt zoals ik, volge mij”).

nietzsche-als-opvoeder-cover
Ik herlas het boek deze dagen deels en opnieuw overviel me het gevoel dat Keij vanuit een soort zoektocht of behoefte voorbij het nihilisme van Nietzsche een ethiek wenst, een vulling van de diepe afgrond waar hij na Nietzsche inkijkt. Een kloof die ik herken en die de persoon Nietzsche zijn bewuste leven in de diepste variant moet hebben gekend. Daarnaast, en de titel verraadt het eigenlijk al, is Keij een opvoeder, een duider en wellicht minder een poëet. Zou hij Timo Hoyer’s “Nietzsche und die Pädagogik” kennen c.q. gelezen hebben? Op pagina 324 vat hij zijn eigen hoofdstukken in “Nietzsche als opvoeder” min of meer samen in een soort 10 Geboden met steeds weer het afsluitende adagium “denk zelfstandig”. Iets dat ik overigens alleen maar kan onderschrijven naarmate ik het quote gedrag op bijvoorbeeld social media zie toenemen, laat staan al het slaafse consumentengedrag van alledag. “Nietzsche als opvoeder” met als ondertitel “of hoe een mens wordt wat hij is” (een motto dat ook in het antroposofisch onderwijs terugkomt), beslaat 15 hoofdstukken als betreft het een boek voor de scholier of student. Deze ordening geeft rust wanneer je als niet-Nietzsche kenner de chaos instapt die Nietzsche lezen kan -en naar alle waarschijnlijkheid zal- veroorzaken. Keij waarschuwt ook duidelijk voor dit effect, zeer goed denkbaar ook puttend uit een eigen ervaring. Ik kan het alleen maar bevestigen, die hamer mept er flink op los.

Na een korte introductie van Nietzsche’s leven en werk, stapt Keij over naar de voorlopers zoals Kant en Schopenhauer en vervolgens naar de wil tot macht, het bewustzijn, het relativisme, de moraal, de dood van God, de eeuwige wederkeer en de Übermensch. De laatste 5 hoofdstukken weidt de auteur al wat meer aan duiding en uitleg. Na hoofdstuk 14 kreeg ik wederom het gevoel blij te zijn met dit boek; duidelijk, Nietzscheaans in de zin van voldoende accent op alle tegenstrijdigheden en aanzettend tot eigen reflectie. In het laatste hoofdstuk zie ik een moralist aan het werk. Of beter gezegd, de zoeker naar een duiding. Keij zet Levinas naast Nietzsche en zet daarmee de schijnwerper op de wil tot macht van Nietzsche. De “Herrenmoral” voorkomend uit ressentiment tegenover het genieten en de “Ander” van Levinas.

vrouw-op-brugAan de hand van de hoofdpersoon uit “De Val” van Camus, Jean Baptiste, geeft Keij een inkijkje in een gemoed dat elk mens zijn of haar hele leven dagelijks ervaart. Baptiste wil liever niet in de buurt van de Amsterdamse grachten lopen omdat een confrontatie met iemand die in de gracht springt of valt hem doet herinneren aan een vervelend voorval dat nog steeds aan hem knaagt. Ooit liep hij door nadat hij een vrouw op een brug was gepasseerd om daarna te horen hoe ze gillend in het water lag en een noodkreet slaakte. Hiermee stelt Keij het geweten centraal, het appèl aan het individu, dat buiten elke rationaliteit of bewustzijn ligt, de halve seconde die ons dwingt te helpen wanneer een medemens in nood is of anderszins geholpen kan worden. Er moet hoop zijn, er moet haast een buitenmorele moraal zijn, lijkt Keij te willen zeggen. Hij geeft het fenomeen toch de naam ethiek mee.

Pagina’s vol zoekt hij naar een oplossing voor dit fenomeen en haalt daarbij andere boektitels en citaten aan waaronder het relaas van de SS-er Max Aue in “De welwillenden” van Jonathan Littell. Deze beschrijft hoe elke gruwelijkheid die door beulen en soldaten werd begaan, niet zonder het besef ging een mens te martelen of te doden, denkend aan een eigen echtgenote of kind thuis. We weten echter ook dat het tot een nummer reduceren van een individu niet voor niets gebeurde en dat menig folteraar of burocraat, in de avond keurig achter de vleugel kroop om de Mondscheinsonate te spelen voor dochter- en/of zoonlief, zonder aan de slachtoffers van die dag te denken of ook maar enigszins geplaagd te worden door gewetensnood. Wel degelijk omdat een ideologie het eigen denkvermogen had gereduceerd tot een vegetatief niveau. De Engelse denker George Steiner heeft dit ook veelvuldig op de agenda gezet en het laat mij ook niet los, deze alledaagsheid van het kwaad die overal en altijd aanwezig is waar wij mensensoort overleven.

jan-keijJan Keij stoeit met het Nietzscheaanse gedachtegoed; de wil tot macht, het ressentiment kan niet de morele basis zijn. Waarom helpen we de ander, herkennen we elke dag een altruïstische drijfveer? Zijn we er voor een ander? Om uiteindelijk onszelf te behagen of om later profijt te trekken uit vooraf gedane investeringen in onze medemensen? Ligt het antwoord niet veel dichterbij? Is die wil tot macht ook niet de basis voor ons als kuddemens? Wil niet alleen het individu maar ook niet de kudde voort, zich als verbond versterken en hebben we elkaar dus niet gewoon nodig in dat voortgangsproces? Die kracht tekent ons elke dag, in elke relatie tot elkaar en de wereld. Wat is genieten van een prachtige omgeving wanneer ik dit alleen doe? Hoe graag zouden we het genot van mooie muziek niet aan een ander willen overbrengen. Hoeveel willen we delen met onze mede-individuen door elke zucht op social media te plaatsen? Hoe sterk wens ik dat meer mensen de originele en poëtische denkkracht van Nietzsche leren kennen?

Een goed jaar geleden reed ik op de A1 toen een auto voor me ineens een brede berm inreed (naar later bleek door teveel op een telefoon te kijken), 180 graden draaide en met een smak in een brede diepe sloot terecht kwam. Ik dacht niet, ik stopte en hielp de mensen de auto uit voordat het water levensbedreigend de auto instroomde. Is dat altruïsme, egoïsme of heldendrang? Nee, doorrijden is geen optie want daar komt Baptiste om de hoek kijken uit Camus’ “De Val”. Die halve seconde voordat het bewustzijn of de ratio mij een afweging laat maken, moet ik mijn mede kuddedier helpen. Ik kende de personen niet maar doorrijden is geen optie. Wegkijken daarentegen wel wanneer we een ontsnapping kunnen verzinnen die we op drijfzand kunnen rationaliseren. Wanneer we nadenken over bootvluchtelingen die naar Europa willen waarbij honderden doden vallen. Wanneer er geen God, Levinas of Nietzsche is waar we onze mening aan kunnen toetsen. Naarmate het kudde lid dichtbij of dierbaar is, wordt de behoefte samen gehoor te geven aan die wil tot macht die ons tot kudde maakt, groter dan de grote ver weg en niet-mijn-verantwoordelijkheid show. Het geeft niet voor niets dat onbehaaglijke gevoel bij de wegkijkers wanneer de conducteur wordt gemolesteerd omdat we als “goede” EHBO-ers eerst ons eigen leven in veiligheid moeten stellen. En diezelfde wil tot macht die de kudde versterkt wanneer ons elftal tegen dat “tuig” van de tegenpartij speelt, bewijst al decennia in de media welke kracht in ons allen huist.

zon
Gelukkig sluit Jan Keij ook af met de eigenkennis dat hij het ook niet weet of die ethiek, die voorafgaat aan elke moraaluitleg, bestaat zoals hij het interpreteert. En zo ja, zou ik willen toevoegen, in welke gedaante dan? Sloterdijk die op pagina 240 met een citaat ook nog eens langskomt (“Onze gemiddelde gedachten en gevoelens zijn allemaal made in USA en niet made in Sils-Maria“) schreef in “Über die Verbesserung der guten Nachricht” dat het alleen de zon vergunt is om zich niet te bekommeren over de symmetrie tussen geven en nemen. Een treffende uitspraak. We zijn echter geen zon, onze warmte geeft ons toekomst zolang het ons vergunt is en we delen die warmte met alles en iedereen naarmate het nader tot ons is. De meest in het oog springende natuurlijke vorm is de bescherming van de ouder voor het kind dat immers een voortzetting van het eigen leven behelst.

Uiteindelijk en ik zou bijna willen zeggen “met instemming” sluiten de beschouwingen van Jan Keij dan ook af met een open einde door uit “Voorbij goed en kwaad” te citeren:

“Gesteld dat ook dit slechts interpretatie is – en jullie zullen je beijveren dit tegen te werpen? – welnu, des te beter.”

Eén gedachte over “Jan Keij als opvoeder

  1. Ik heb het boek van Jan Keij ook gelezen voor een project op school maar blijf Nietzsche moeilijk vinden. Op school is er ook niet echt een docent die het goed uitleggen kan. Ik kijk soms op uw site, ziet er wel overzichtelijk uit maar soms begrijp ik niet alles.
    Groetjes, Sara

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *