In gesprek met Nietzsche

In gesprek met Nietzsche

“In welk thema van Nietzsche men zich ook verdiept, altijd gaat het om een grote rijkdom aan inzichten, die om zo zorgvuldige onderscheidingen vragen dat men zich daar gemakkelijk in verliest”, begint Gerard Visser zijn 10e hoofdstuk met als titel “Het kwaad als moreel verzinsel” in zijn bundel “In gesprek met Nietzsche”.

lezende-artsIs Visser daadwerkelijk in gesprek met de wandelaar uit Sils-Maria? Na herlezing t.b.v. dit blog kan ik alleen maar onderstrepen dat Visser zijn Nietzsche goed onder het vergrootglas heeft gelegd, al zijn de uitvergrotingen veelal gestoeld op rationele en fenomenologische visies en analyses. Mijn hoop toch nog iets literairs of poëtisch tussen de zinnen te vinden, was een ijdele.

Hier is een arts aan het werk, precies zoals ik me het boek herinnerde, een fileermes dat in 10 hoofdstukken en een elfde hoofdstuk met aforisme achtige uiteenzettingen, verschillende Nietzsche thema’s toelicht. De hoofdstukken zagen op verschillende wijzen al eerder het licht en zijn niet zozeer thematisch maar eerder chronologisch geordend. Als lezer loop je soms tegen wat uitspraken aan die in een andere context al eens eerder in het boek voorbij kwamen. Een fenomeen dat verder de interesse om het boek ter hand te nemen, zeker niet mag verminderen want op voorhand blijft de conclusie gerechtvaardigd dat Visser met zijn peillood her en der tot bijzondere en interessante diepte is gegaan.

Opvallend in de teksten en analyses vind ik de positie die de Zarathustra inneemt. Want laten we eerlijk zijn, de Zarathustra is geen gemakkelijk werk dat bovenal bol staat van symboliek en verwijzingen naar (kern)gedachten die Nietzsche in zijn andere werken toegankelijker beschreef door zich te bedienen van korte notities en aforismen. In de eerste twee hoofdstukken komt Zarathustra al direct veelvuldig voorbij. Ter ondersteuning van de tijdsbeleving spreekt de dwerg ‘al wat recht is, liegt. Alle waarheid is krom”. We zien de kleine man onder de poort waar heden en verleden bij elkaar komen en een warm pleidooi ontstaat om samen met de natuur boven de tijd verheven, in het heden te leven. De centrale plek van dit “Augenblick” komt uitgebreid later in het boek voorbij. De essentie van onze wil die zich stoot aan de onherroepelijkheid van het verleden, licht Visser uitgebreid toe, waarbij ik de actuele en individuele invloed vanuit Alzheimer zoals ik deze persoonlijk ontwaar bij een zeer naast familielid, filosofisch bijna als een verlossende aandoening ervaar. “En wie leerde hem verzoening met de tijd en dat wat hoger is dan alle verzoening? Hoger dan alle verzoening moet de wil willen die de wil tot macht is: maar hoe vergaat hem dit? Wie leerde hem ook nog het terug-willen?” Het ogenblik waar zoveel over te doen is en essays over vol geschreven, komt bij Visser in een zeer gedegen en gedetailleerde lezing over de dwerg terug.

oude-poortDe wegpoort waar scheppende ruimte ontstaat voor initiatief, precies in dat ogenblik waar de krachten die Nietzsche zoveel heeft beschreven, elkaar ontmoeten in het toeval, waar de scheppende impulsen op elkaar botsen. Waar volgens Kierkegaard de eeuwigheid de tijd aanraakt. Ik krijg daar onomstotelijk beelden bij; de dwerg staat te kijken en beaamt dat alle dingen zo in elkaar verstrengeld zijn, dat dit ogenblik (dus elk ogenblik in het voortdurende continuüm) alle komende dingen achter zich meetrekt. En dus ook…zichzelf! “Waarlijk scheppend is alleen het oneindig kleine ogenblik, dat onbelast is met de dwaling van de soort, onbelast ook met het beeld dat een mens van zichzelf – als individu – tracht door te zetten”, beaamt Visser soortgelijke woorden van Nietzsche. Zoals te verwachten bij Gerard Visser, komt Heidegger veelvuldig voorbij. Ook in de duiding van het kleinste ogenblik, de interpretatie van tijd, die van Heidegger over Nietzsche’s “eeuwige terugkeer van het gelijke”, laat Visser niet onvermeld hoe Heidegger deze gedachte als een eeuwige bestendiging van de wil tot macht interpreteert.

In het derde hoofdstuk handelend over de Übermensch, wil ik de 7e paragraaf graag even aanhalen waar de Griekse denker Alcmaeon even voorbij komt. Deze Griek beschreef als een van de eersten hoe zintuigen en hersenen (en het daarmee gepaard gaande verstand) met elkaar in verband moeten staan. Alcmaeon zegt bij monde van Aristoteles dat de mensen daarom moeten sterven omdat zij niet in staat zijn de aanvang met het einde te verbinden. Wat een geweldige visie op onze sterfelijkheid! Maar waar doelen de woorden exact op, wetende dat de Griek deze vaardigheid wel beheerst? Hetgeen wat was en nog komen moet aan elkaar verbinden? Zoals Goden dat kunnen? Visser: “Hier is elk eindpunt zowel een eerder als een later beginpunt en elk beginpunt zowel een eerder als een later eindpunt.” Ziedaar, waar de Griek in 2015 in het verdomhoekje staat wist hij 2500 jaar geleden, de ene na de andere wijze uitspraak op te tekenen. Nietzsche putte onnoemelijk veel uit die tijd en ook de visie die hem in Sils-Maria beving, is gestoeld op het betere vakwerk van de Grieken uit de Oudheid. Gedachten die na Nietzsche m.i. de psychologie steunden in een onbevangen kijk op het (zelf)bewustzijn. Hetzelfde bewustzijn dat de eigen sterfelijkheid contouren geeft in de vorm van angst, de sluier die over de dood hangt.

In paragraaf drie van het hoofdstuk “Het leven een kunstwerk”, tekende ik in de zijlijn een gedachte op die Nietzsche beschreef in “Richard Wagner in Bayreuth”, waarvan de essentie luidt: “Van het ogenblik gebruik maken en er, om er profijt van te trekken, zo snel mogelijk over oordelen.” Zoals zo vaak zijn de parallellen met het heden bijna angstig en verbazingwekkend sterk aanwezig. Ook nu zien we het snelle oordelen ter wille van het profijt sterk opgeld doen. Visser beaamt eveneens dat deze snelheid een schijnbare tegenwoordigheid van geest vertegenwoordigt en bovenal de afwezigheid van geest verhult. Ergens in het boek krijgt Swaab met zijn populaire “Wij zijn ons brein” in deze context ook nog een subtiele veeg uit de pan.
Iets later in paragraaf 4, citerend uit de derde “Unzeitgemäße Betrachtungen” getiteld “Schopenhauer als Erzieher” zoemt de mug voorbij die ons wakker houdt. Visser gebuikt slechts één zin uit deze tekst maar ik zou het toch iets breder willen aanhalen, en wel in de Duitse originele versie en vervolgens voor de lezer willen plaatsen in de huidige tijd: “Wir wissen es Alle in einzelnen Augenblicken, wie die weitläuftigsten Anstalten unseres Lebens nur gemacht werden, um vor unserer eigentlichen Aufgabe zu fliehen, wie wir gerne irgendwo unser Haupt verstecken möchten, als ob uns dort unser hunderttäugiges Gewissen nicht erhaschen könnte, wie wir unser Herz an den Staat, den Geldgewinn, die Geselligkeit oder die Wissenschaft hastig wegschenken, bloss um es nicht mehr zu besitzen, wie wir selbst der schweren Tagesarbeit hitziger und besinnungsloser fröhnen, als nöthig wäre um zu leben: weil es uns nöthiger scheint nicht zur Besinnung zu kommen. Allgemein ist die Hast weil jeder auf der Flucht vor sich selbst ist, allgemein auch das scheue Verbergen dieser hast, weil man zufrieden scheinen will und die scharfsichtigeren Zuschauer über sein Elend täuschen möchte, allgemein das Bedürfnis nach neuen klingenden Wort-Schellen, mit denen behängt das Leben etwas Lärmend-Festliches bekommen soll. Jeder kennt den sonderbaren Zustand, wenn sich plötzlich unangenehme Erinnerungen aufdrängen und wir dann durch heftige Gebärden und Laute bemüht sind, sie uns aus dem Sinne zu schlagen: aber die Gebärden und Laute des allgemeinen Lebens lassen errathen, dass wir uns Alle und immerdar in einem solchen Zustande befinden, in Furcht vor der Erinnerung und Verinnerlichung. mugWas ist es doch, was uns so häufig anficht, welche Mücke lässt uns nicht schlafen? Es geht geisterhaft um uns zu, jeder Augenblick des Lebens will uns etwas sagen, aber wir wollen dieser Geisterstimme nicht hören. Wir fürchten uns, wenn wir allein und stille sind, dass uns etwas in das Ohr geraunt werde, und so hassen wir die Stille und betäuben uns durch Geselligkeit.” En zo gaat hij nog even (herkenbaar vanuit het heden) door, in een rustige bezinning geschreven, pak ‘m beet zo’n 150 jaar geleden.

Gerard Visser, de geestelijk vader van “Nietzsche en Heidegger. Een confrontatie” uit 1989, is uiteraard in vorm wanneer Heidegger in zijn gesprek met Nietzsche ten tonele verschijnt. Zo ook in het hoofdstuk “Het vraagstuk van het nihilisme bij Nietzsche en Heidegger” waar in de tweede paragraaf een aftrap wordt gemaakt met een citaat van Aristoteles: “ Want de vraag die men van oudsher stelt, die men tegenwoordig stelt en altijd zal stellen, en die ons altijd zal blijven verontrusten, de vraag ti to on – wat is het zijn van een zijnde -, dit is de vraag: tis hē ousia, wat is het wezen van een zijnde. Ik laat hier het vraagteken aan het einde van de zin eveneens achterwege. Was Nietzsche met dit soort klassieke vragen bezig, waren dit zijn uitgangspunten wanneer hij als “poëtisch denker”, zoals ik hem nu maar even noem, de verschijningen, de werkelijkheid en waarheid of het kennende subject opvoert? Hier past wellicht mijn vraagteken wel? Op pagina 149 gaat het nog even verder: “Vanuit de zijnsvraag beschouwd is de eigenlijke vraag die de levensfilosofische kritiek ingeeft, de vraag of zijn wel staat of valt met de aloude onderscheiding van essentia en existentia, het wat-zijn en het dat-zijn van het zijnde, de vraag wat en of iets is.” Visser borduurt voort op Heidegger die op zijn beurt de wijze van omgang met het zijnde, het bestaan, alle ontische en ontologische vraagstukken en publiekelijke uitingen van Nietzsche, probeerde te vatten en te duiden.

in-gesprek-met-nietzsche

Wanneer de dimensie van het heden voorbij komt, daar waar het vanuit de conclusie van Visser -die voort denkt op Descartes en Nietzsche- in de vorm van tijd aan ons openbaart, komt een ander groot Duits denker aan het woord, Wilhelm Dilthey. Ik wil in het kader van dit blog niet uitweiden over zijn hermeneutische visie, maar slechts volstaan met een wellicht latere verwijzing specifiek over hem. Het is in het gesprek met Nietzsche dat hier voorligt onomstotelijk duidelijk dat Visser op het drielandenpunt van Heidegger-Nietzsche-Dilthey zijn kampement heeft opgeslagen. Voor het meer literair en poëtische van Nietzsche, zijn hamerslagen in de wetenschap, religie en moraal, lijkt er minder aandacht bij Visser dan de kruispunten met voornamelijk Heidegger. Ieder het Zijnde…

Het nihilisme zoals dat bij Nietzsche voorkomt en zo vaak verkeerd wordt uitgelegd, komt in het boek in een duidelijke uitleg voor het voetlicht. Refererend aan duidelijke uitspraken uit de Antichrist en citerend uit dit m.i. prachtig verhelderende werk: “De bron van de waarden die uiteindelijk in een niets verkeren, is een nihilistische wil. Een dergelijke wil is een wil die het niets wil! In God het niets vergoddelijkt, de wil tot het niets heilig verklaard.” En de toevoeging die Visser plaatst laat aan duidelijkheid niets te wensen over: “Hier heeft het niets niet meer betrekking op een verdwenen iets (nihil privativum) men heeft iets willen verheerlijken wat bij voorbaat al niet was (nihil negativum).” Nietzsches nihilisme wijkt af van die van Heidegger aangezien het niets bij Nietzsche het leven overstijgt als zijnde een illusie. Of om het in zijn eigen woorden te zeggen: ‘Wenn man das Schwergewicht des Lebens nicht ins Leben, sondern ins “Jenseits” verlegt – ins Nichts – , so hat man dem Leben überhaupt das Schwergewicht entnommen.’ En in hetzelfde aforisme (nr. 43) enkele zinnen verder: ‘So zu leben dass es keine Sinn mehr hat zu leben, das wird jetzt zum “Sinn” des Lebens….’ Het Christendom krijgt in “Der Antichrist” –hoe kan het ook anders- dreun op dreun om daarna uitgeput in de ring te hangen.

En de overeenkomsten tussen Nietzsche en Heidegger? Voldoende, bijvoorbeeld daar waar beide denkers in verschillende tijden en in verschillende woorden beseften dat het menselijk leven een beweging kent, de weg van een van zichzelf losgeraakt zijn en een naar zichzelf terug geroepen worden. Uit “Schopenhauer als Erzieher”: “Im Grunde weiss jeder Mensch recht wohl, dass er nur einmal, als ein Unicum, auf der Welt ist und dass kein noch so seltsamer Zufall zum zweiten Mal ein so wunderlich buntes Mancherlei zum Einerlei, wie er es ist, zusammenschütteln wird: er weiss es, aber verbirgt es wie ein böses Gewissen – weshalb? (…) Der Mensch, welcher nicht zur Masse gehören will, braucht nur aufzuhören, gegen sich bequem zu sein: er folge seinem Gewissen, welches ihm zuruft: ‘sei du selbst! Das bist du alles nicht, was du jetzt thust, meinst, begehrst’.”

du-sollst-der-werden-der-du-bist

Het bruggetje is gemaakt naar het hoofdstuk waarin Nietzsche wordt gelezen in het licht van (Heideggers) Sein und Zeit, met als wapperende vlag er boven: “Du sollst der werden der du bist.” Elk woord op een gouden weegschaal, hier wordt iets gesteld wat al ouder was, nog vele navolgingen zal krijgen (o.a. Rudolf Steiner) en vaak al te simplistisch wordt ingezet als ware het een uitspraak die appelleert aan een “zijn” dat in potentie al aanwezig was. Veel Heidegger, dus vele vormen van Zijn die voorbij komen en die door Gerard Visser, soms met wat onnodig moeilijke zinsconstructies, duidelijk uiteengezet worden. Het voert hier te ver en het is welhaast ondoenlijk om hier toe te lichten, men leze dus zelf het hoofdstuk om het factische zijn en das Augenblick te vatten, en om als mogelijk onbekende van Heideggers werk diens gedachte-gebouwen beter te begrijpen.

‘Een complexe ogenblikervaring’ , de tussenkop als lading voor de derde paragraaf. Mijn gedachten gaan even naar Joke Hermsen en haar boek “Stil de tijd”. Zoals ik in de inleiding al stelde vallen de stukken inhoudelijk soms over elkaar heen. Zo ook waar Visser nog eens aanhaalt dat we in onze drang naar oordelen, de ogenblikervaring geweld aan doen. Ik citeer uit deze paragraaf: “Een kernpunt van Nietzsches cultuurkritiek is dat de mens en zijn werken, onder druk van de maatstaf van productiviteit, niet meer de kans krijgen te rijpen. In het benutten van het ogenblik laat men zich africhten voor de doeleinden van de tijd. Maar wat hier speelt is dan niet alleen de benutting die zich voegt naar de eis van productiviteit, er gebeurt meer, de afsluiting namelijk voor datzelfde ogenblik.” Nietzsche bouwde voort op oude denkers en zijn eigen analyses. Hij deed dit al ver voor het huidige “gezweef en gezwets”, wanneer hij memoreert aan de slotconclusie uit de oudheid: “De oude denkers zochten uit alle macht naar het geluk en de waarheid – en nooit zal iemand vinden wat hij zoeken moet, zo luidt het boze principe van de natuur.” Worden wie je bent of worden wat je bent? Geluk dat je moet zoeken heb je al meegebracht met je geboorte (als het je al niet geboren heeft doen worden), dus afleren in je gelukzoektocht enig doel te hebben en voortaan gaan luisteren naar het bonzen van je eigen (kleine) hart.

Over het hoofdstuk dat Visser heeft gewijd aan de “Bildung”, refererend aan een lezing van Nietzsche, wil ik hier kort zijn. Was Nietzsche echt een “Lehrer”? Of meer een vlijmscherp fileermes dat ongehinderd door enige conventie, door de scholen en universiteiten van weleer wandelde? De kritische toeschouwer die we zo node missen nu we heden ten dage onze “Bildung” verkrachten door uitsluitend bezig te lijken met wat de toekomstige maatschappij van onze leerlingen en studenten verwacht. De samenleving die door gedrochten als Google, Microsoft en Apple wordt gedomineerd en waar feitenkennis ondergesneeuwd is, de beleving en verdieping het hebben moeten afleggen tegenover het rendementsdenken dat alleen nog de vraag stelt ‘wat heb ik er aan?’ Met onze zintuigen en verstand die niet ontwikkeld zijn voor enige kennis an sich, maar alleen voor ordening van de stroom, het continuüm en de werkelijkheid. Die als een sluiter in de camera het ware van het nu vastleggen, als een badgast die uit de rivier van het worden stapt. Nat en bedrogen? De zwemmer die de laatste paradoxale waarheid zoekt, die waarheid die de waarheid afschaft en die ons leert dat de waarheid zich niet laat scheiden van de onwaarheid?

Het voorlaatste hoofdstuk raakt een groot thema van Nietzsche aan en dat merkwaardigerwijs een wat minder prominente plaats krijgt in het gesprek dat Visser met Nietzsche heeft. “Het kwaad als moreel verzinsel” wil ik alleen samenvatten met de voor mij al jaren troostende gevolgtrekking die ook Gerard Visser maakt wanneer hij stelt dat in Nietzsche een diep ethisch besef schuil gaat, namelijk dat het bestaan zich alleen esthetisch laat rechtvaardigen. Wanneer het ‘kwaad als moreel verzinsel’ meer toelichting vraagt van de lezer dezes, kan ik alleen maar verwijzen naar de spraakmakende boeken die Friedrich Nietzsche achterliet.

gerard-visserHet elfde en laatste hoofdstuk “Over waarheid en filosofie bij Nietzsche: Kritische overwegingen” is soms in een soortgelijke toonsoort geschreven als de overwegingen van Nietzsche zelf. In ca. 70 langere en korte overwegingen maakt Gerard Visser duidelijk waar hij staat in het landschap van Nietzsche. Ik memoreer graag een paar aantekeningen die ik maakte bij het (her)lezen van het gesprek. “Er kan ook geen waarheid bestaan, geen overeenstemming tussen kennis en werkelijkheid bestaan, omdat de taal ertussen zit. Wat hebben woorden met dingen gemeen? Dat zijn twee onverenigbare grootheden, al helemaal vanwege de algemeenheid van de taal, een voor iedereen geldende betekenis die wij de dingen opleggen, die elk voor zich juist ondoorgrondelijk uniek zijn. De achting voor waarheid –als iets dat op zich zou bestaan – en het streven ernaar verklaart Nietzsche uit de omstandigheid dat men deze oorsprong is vergeten.” Als reactie op “Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben” schrijft Visser in ‘Objectiviteit en rechtvaardigheid’ op pagina 253: “Zo is de ware historicus er eveneens van doordrongen, mede op grond van zijn poëtische instinct, dat wij nu eenmaal behoefte aan de schijn van waarheid hebben; een illusoire waarheid bestaand uit bindende symbolen, die zowel orde stichten als chaos buitensluiten.” En met stip genoteerd, een visie die ik hartstochtelijk deel: “Desondanks wordt filosofie aan de universiteiten slechts in de marge gedoogd en de kunst mag slechts aanzitten op voorwaarde dat zij research pleegt. Maar ook de jonge Nietzsche heeft filosofie, kunst en religie als de pijlers van een waarachtige cultuur beschouwd. Hem komt de eer toe de meest rake diagnose van de moderniteit te hebben opgesteld: als wetenschap zich niet meer laat leiden door een zin die haar wordt aangereikt, door de hogere geestelijke machten van filosofie, kunst en religie, valt zij terug op de economie – een blinde imperialistische wel te verstaan.” Wanneer we bedenken dat het boek dat we hier bespreken in 2012 verscheen, kunnen we gerust stellen dat Gerard Visser datgene wat al jaren broeit en frustreert, hier kort en krachtig samenvat: het denken in economisch gewin overheerst de geestelijke verdieping, ook op onze “Bildungsanstalten” anno 2015. We focussen op hetgeen de samenleving van ons verwacht in plaats daarvan zelf de samenleving aan de hand te nemen met…eigen gedachten of idealen.

Ik sluit af met de overheersende conclusie dat Gerard Visser met de bundeling van teksten een uitermate plezierig, onderhoudend en erudiet gesprek met Nietzsche heeft gevoerd. Is er voldoende gelegenheid geweest voor de overledene om iets terug te zeggen? Ik denk in redelijke zin van wel. Daarvoor getuigt Visser zich meer dan voldoende als een rechtvaardige spreker. De fenomenoloog spreekt tussen zijn regels een duidelijke zijnsverhouding uit maar bij mij blijft het gevoel achter dat ik zo vaak bij Nietzsche kenners en bij mijzelf ervaar; je bent nooit klaar met Nietzsche, of om het anders te stellen in het kader van dit besproken gesprek, je raakt nooit uitgesproken over en mét Nietzsche.

Eén gedachte over “In gesprek met Nietzsche

  1. Het bestaan alleen esthetisch te rechtvaardigen? Maar er is zoveel meer! Soms wel wat pessimistisch of lees ik met een te gekleurde bril? Ik geniet overigens wel van je berichten. Hartelijke groet, Yvonne D.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *