Het Europese nihilisme

Het Europese nihilisme

In de serie “Kristalpaleis” (de reeks voor eigentijdse filosofie, refererend aan het boek van Sloterdijk?) verschenen er bij uitgeverij Vantilt al ettelijke mooie uitgaves die getuigen van kennis en moed. “No risk no fun”, zag ik, weliswaar zeer waarschijnlijk doelend op een andere context, eerdaags als tekst op een sticker achter op een auto.

Ik zou het leesplezier van de verschillende boeken niet direct als “fun” willen betitelen maar veeleer komen er associaties binnen als verdieping, verstilling en uiteraard reflectie. Hoe beschrijf je “het Europese nihilisme” van Paul van Tongeren? Een prachtige binding van inzichten dat ik in 2012 (en vanmiddag nog eens “diagonaal”) las. De ondertitel “Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren”, is meer dan uitnodigend en wanneer ik terugblader in de aanlooproutes die van Tongeren in verschillende hoofdstukken maakt, kan ik alleen maar concluderen dat ik het boek aanraad voor een ieder die in het nihilisme geïnteresseerd is en specifieker hoe dit tot uiting kwam (en komt!) in godsdienst, Europese politieke en culturele geschiedenis en -in het kader van dit webblog- in de teksten van Nietzsche. En hoe dichtbij kan het soms komen om dit soort werken te lezen en naar de actualiteit van de huidige Europese worstelingen van integratie en fanatisme te kijken. Al lezende maakte ik een goede twee jaar geleden verschillende notities die ik in dit blog graag aanhaal om mijn enthousiasme voor deze uitgave te delen.

Het pessimisme is het gevolg van de kennis van het absoluut onlogische van de wereldorde (Nietzsche). Van Tongeren haalt nog maar weer eens wat klassieks uit de doos: Aforisme 84 uit Menschliches Allzumenschliches (uit “der Wanderer und sein Schatten”)die van Tongeren ook met enige regelmaat in zijn presentaties over Nietzsche terug laat komen die ik niet zou willen bekorten en daarom integraal hier in de Nederlandse vertaling aanhaal:

nietzsche-2“De gevangenen” – Op een morgen betraden de gevangenen de werkplaats: de bewaarder was er niet. Sommigen gingen, zoals in hun aard lag, meteen aan het werk, anderen stonden niets te doen en wierpen uitdagende blikken in het rond. Toen kwam er iemand naar voren en sprak luid: “Werk zoveel jullie wilt of doe niets: het maakt niet uit. Jullie geheime misdrijven zijn aan het licht gekomen, de gevangenbewaarder heeft jullie onlangs afgeluisterd en wil een dezer dagen een vreselijk oordeel over jullie laten vellen. Jullie kennen hem, hij is hard en haatdragend van aard. Maar let nu op: jullie hebben mij tot dusverre miskend: ik ben niet wat ik lijk, maar veel méér: ik ben de zoon van de gevangenbewaarder en ben alles voor hem. Ik kan jullie redden, ik wil jullie redden; maar let wel, alleen diegenen van jullie die van mij geloven dat ik de zoon van de gevangenbewaarder ben; de anderen mogen de vruchten van hun ongeloof oogsten’ – “Wel”, zei een oudere gevangene na enig stilzwijgen, “wat kan het je interesseren of we dat van je geloven of niet? Ben je werkelijk zijn zoon, ben je tot dat wat je zegt in staat, doe dan een goed woordje voor ons allemaal: dat zou werkelijk heel vriendelijk van je zijn. Maar laat dat gepraat over geloof en ongeloof achterwege!” “En, riep een jongere man ertussendoor, “ik geloof hem ook niet: hij heeft zich maar wat in zijn hoofd gehaald. Ik wed, over een week zitten we hier nog precies zo als vandaag en de gevangenbewaarder weet van niets.” “En als hij er iets van wist, weet hij het nu niet meer,” zei de laatste gevangene, die nu pas naar de werkplaats afdaalde; “de gevangenbewaarder is zojuist plotseling gestorven.” –Aha, schreeuwden verschillenden door elkaar heen, aha!. Meneer de zoon, meneer de zoon, hoe staat het met de erfenis? Zijn we nu misschien jouw gevangenen? –“Ik heb het jullie gezegd,” antwoordde de aangesprokene zachtmoedig, “ik zal iedereen vrijlaten die aan mij gelooft, zo zeker als mijn vader nog leeft.” – De gevangenen lachten niet, maar haalden de schouders op en lieten hem staan. (vertaling Thomas Graftdijk inclusief de vaak onmogelijke leestekens in het Duits van Nietzsche…)

Refererend aan Nihilisme en cultuur van J. Goudsblom en in diens gestelde besef dat de onontbeerlijke waarheid ontbreekt: “(…)om te weten hoe te handelen moet men de waarheid kennen; maar de waarheid is onkenbaar.” En als reactie op de uitspraak “Omdat niets waar is, is dus alles geoorloofd”, schrijft van Tongeren scherp analyserend: “… waarmee ook nog deze these aan dat waarheidsgebod gebonden blijft. Het nihilisme blijft schatplichtig aan het waarheidsgebod dat het ontkent.”

En verderop in het boek: “Wij bevinden ons in een werkelijkheid waarin niets vaststaat, maar alles voortdurend verandert, en uiteindelijk alles wat ontstaat, weer vergaat. Het is begrijpelijk dat een mens in zo’n werkelijkheid naar houvast zoekt, zeker omdat zijn lijden verband lijkt te houden met die veranderlijkheid en vergankelijkheid. (…) Waarheid wordt geïdentificeerd met dat wat niet veranderlijk en vergankelijk is, maar blijvend; waarheid hoort dus bij een wereld waaruit het lijden aan die vergankelijkheid verbannen is. In summa: de wereld zoals ze zou moeten zijn, bestaat; deze wereld waarin we leven is een dwaling – deze wereld van ons zou niet moeten bestaan.”

Vervolgend: “In de eerste paragraaf legt Nietzsche “de Christelijke moraal-hypothese” uit in 3 thesen: (1) de mens heeft een absolute waarde en is niet toevallig en vergankelijk; (2) het kwaad heeft een zin en is geen argument tegen God; en (3) adequate kennis van de werkelijkheid is mogelijk. Daarmee zijn achtereenvolgens de moraal, de religie en filosofie en wetenschap aangeduid. Voor alle drie geldt dat ze gebaseerd zijn op illusies die gemotiveerd zijn door ons verlangen naar houvast. We hebben die absolute waarde van de mens, die goddelijke orde en de intelligibiliteit van de werkelijkheid, zelf geconstrueerd als middel tot het doel van zelfbehoud.”

Pag 103: .“…want wat steeds verandert, “is” niet, en kan dus ook niet gekend worden als wat het is. Ware kennis is alleen maar mogelijk van de ware wereld. Maar nu ontdekt precies dat verlangen naar waarheid dat die ware wereld een constructie is waarmee we ons zelf tegen zinloosheid, chaos en vergankelijkheid probeerden te beschermen. “ (ik teken hier graag bij aan wat de hoofdpersoon van Julia Zeh zegt in haar roman Spieltrieb, een boek dat ook later in deze uitgave wordt besproken).

“De ontmaskering is geen bevrijding, omdat het verlangen dat het motief vormde voor al die illusoire constructies, niet verdwijnt doordat we nu zien dat het om illusies gaat.” Van Tongeren wijst er terecht op dat het verlangen naar de waarheid blijft, ook na de ontmaskering zoals het kind dat het ware verhaal achter Sinterklaas heeft ontdekt. De essentie van Nietzsche’s nihilisme is in de ogen van van Tongeren dan ook de wil tot waarheid zélf die constructies van de wil tot waarheid tegen het licht houdt. Het Drosteblik effect of misschien nog eerder de hond die in zijn eigen staart bijt?

het-europese-nihilismeWanneer we de helft van het boek overgestoken hebben komen we bij de vergelijking tussen onze huidige analytische kennisdrang en de mythologische kunst uit de oude Griekse tijd. Ontegenzeggelijk spreekt hier ook de tegenstelling tussen het Appolinische en het Dionysische. De wetenschap als moderne variant van de troost gevende kracht voor de dolende mens.

Ik kan nog een hele tijd doorgaan met aantekeningen hier te omschrijven maar het beste idee is om dit boek zelf ter hand te nemen en aandachtig te lezen. Ik vind dat van Tongeren een duidelijke lijn uiteen zet over het nihilisme an sich als ook de rode draad in de Europese geschiedenis tot en met het nu, uiterst helder belicht. Dat van Tongeren zijn fundament o.a. op het denken van Nietzsche heeft gebouwd is overal zeer duidelijk aanwezig. De naar waarheid en zingeving behoeftige mens is niet werkelijk in staat in zijn eigen behoeften te voorzien al denkt hij keer op keer zich aan een objectieve werkelijkheid te hebben overgegeven. “De wereld die vanuit deze behoefte wordt gecreëerd, wordt dus heimelijk gecreëerd, dat wil zeggen op een manier die zichzelf niet als creatie erkent.” Wie kan het mooier uitdrukken dan Nietzsche zelf: “Een nihilist is iemand die van oordeel is dat de wereld, zoals ze is, er niet zou moeten zijn en dat de wereld, zoals ze zou moeten zijn, niet bestaat.”

Tegen het licht van de godsdienst beleving in de 21e eeuw zou je nihilistisch kunnen opperen dat “de dwaze mens”, althans de strekking er van –God is dood-, nog steeds niet doorgedrongen is in vele kringen. Niet alleen van de gelovigen maar ook van de ongelovigen. Want wat betekent die conclusie? Daar tippen we het ware beklemmende van het nihilisme aan; richtingloos, doelloos, haar eigen creaties allang doorziend, maar volledig richtingloos inclusief haar eigen verklaring van het nihilisme. Alsof we terug keren naar de mythologie waarin we troost vinden voor het lijden tijdens onze fundamentele zoektocht. “Elke kunst, elke filosofie kan beschouwd worden als genees- en hulpmiddel in dienst van het groeiende, strijdende leven….” Of met andere woorden moet de mens van tijd tot tijd geloven dat hij weet waarom hij bestaat.

van-tongerenVan Tongeren wijst er in mijn ogen terecht op dat het nihilisme nog steeds niet doorgebroken is nu de filosofie (gedoceerd en al!) kritischer, de moraal pluralistischer en het geloof minder dogmatisch wordt. Ik zou zelfs willen zeggen dat zelf het atheïsme minder hardleers wordt en wetenschappelijke verklaringen, zoektochten en duidingen van Bijbelse rituelen alsmede spreekgestoelte van agnostici op de beeldbuis, mij onomstotelijk het bewijs leveren dat het echte nihilisme niet is verschenen en wellicht nooit zal verschijnen. Zo lang zalvende Arie Boomsma’s meer dan 1 kijker trekken, ligt het nihilisme nog te slapen. Van Tongeren is alleen erg nieuwsgierig wat er zou kunnen gaan gebeuren indien het nihilisme zoals Nietzsche dat heeft beschreven, zijn echte intrede doet. We begrijpen het oude maar zijn nog lang niet sterk genoeg voor iets nieuws. Maar zijn we überhaupt gebouwd om de logische nihilistische conclusie te kunnen hanteren behalve dan het antwoord dat in onze eigen dood besloten ligt (Camus)?

De tegenstellingen tussen arm-rijk, zwart-blank, gelovige-atheïst of liberaal-communist lijken langzaam te verdampen, maar de Darwinistische toekomstkansen lijken zich in termen van kansrijk versus niet-kansrijk, zich steeds meer te concentreren rond het onderscheid tussen hen die de absurditeit van het leven wel en hen die deze absurditeit niet aankunnen. Of om het in andere termen te zeggen, tussen hen die de triomf van de technische vooruitgang onderschrijven versus hen die de snelheid en omwentelingen niet kunnen bijbenen.

Hölderlin komt op pagina 161 voorbij: “Nah ist/und schwer zu fassen der Gott/Wo aber Gefahr ist, wächst/Das Rettende auch.” Zitten we nu in een overgangstijd van geloven in een andere “technische” God, de robot God door onszelf geconstrueerd, en zijn we getuigen van een gelatenheid die zijn weerga niet kent? Of is deze vraag nu juist alleen een uiting van vooruitgangpessimisme?

In de natuur die in de mens zijn eigen bestaan ontwaart en die geen zingevende bedoelingen kent, zou het boekje van Paul van Tongeren nooit zijn verschenen. De mens verschijnt en verdwijnt zonder bestemming, evenals “Het Europese nihilisme”, Paul van Tongeren, uitgeverij Vantilt en schrijver dezes. Er blijft dus hoop….”het kwaadste der kwaden omdat zij de marteling verlengt.” Gelukkig volg ik Nietzsche door hem zo moeilijk als het gaat, niet te volgen.

Bron: Het Europese nihilisme, Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren (uitgeverij Vantilt).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *