Goethe – Kunstwerk des Lebens

Goethe – Kunstwerk des Lebens

“Ich erinnerte mich dabei eines schmeichelnden Vorwurfs, den mir einst ein Jugendfreund machte, indem er sagte: Das was Du lebst ist besser als das was Du schreibst; und es sollte mir lieb sein, wenn es noch so wäre.”

Met dit citaat van Goethe van 22 januari 1811 eindigt Rüdiger Safranski zijn veelgeprezen werk over het leven en werk van Johann Wolfgang Goethe. Het zijn er maar weinigen gegeven om na zovele studies, publicaties en boeken over Goethe, opnieuw in de pen te klimmen en een overzicht te geven van deze grote Duitse dichter, schrijver en wetenschapper. Safranski is zo’n man en daarvan getuigt zijn 750 pagina’s tellende biografie die een lust om te lezen is. Voor dit blog ben ik met name geïnteresseerd naar de zienswijze van Goethe op geloof en religie en dat uiteraard weer samenhangend als mogelijke voorloper van Nietzsche. Op pagina 563 heb je als lezer al menig pakkende uitspraken en biografische wetenswaardigheden achter je gelaten. Enkele wil ik hier graag even optekenen voordat we naar de “natuurlijke God” van Goethe gaan:

Als antwoord op de vraag of Goethe nou voor de profeet of de poëzie gaat citeert Safranski de meester zelf: die wahre Poesie kündet sich dadurch an, daß sie, als ein weltliches Evangelium, durch innere Heiterkeit, durch äußeres Behagen, uns von den irdischen Lasten zu befreien weiß, die auf uns drücken. Wie ein Luftballon hebt sie uns mit dem Ballast der uns anhängt, in höhere Regionen, und läßt die verwirren Irrgänge der Erde in Vogelperspektive vor uns entwickelt daliegen.”

Of op pagina 193 in een zogeheten “tussenbeschouwing”: “Er wollte nicht nur den anderen, sondern auch sich selbst etwas vorspielen. Wer sich etwas vorspielt, braucht sich nichts vorzumachen: Der spielende Mensch steht jenseits von Wahrheit und Lüge (wellicht met een kleine knipoog naar Schiller).

goethe-2Goethe (1749-1832) heeft de sterke mensvervreemding vanuit industrialisatie en de mondialisering door nieuwe transport- en communicatie middelen, sterk voorvoeld. Tijdens zijn Italienreise tekent hij op: (…) zugleich aber auch wahrnehmen, daß alle in ihrer Art nicht arbeiten um bloß zu leben, sondern um zu genießen, und daß sie sogar bei der Arbeit des Lebens froh werden wollen.” Safranski vult daar vanuit een eigentijdse visie op aan: “Und doch ist es nicht besser wenn man einen Scherz aus dem Geschäft macht statt sich von ihm plagen zu lassen, nur um am Ende einen fragwürdigen Gewinn oder Vorteil daraus zu ziehen? Om vervolgens met een visie die van alle tijden is af te sluiten: “Die Lebenslust duldet keinen Aufschub, denn wer sie erst am Ziel erwartet, wird sie unterwegs versäumen.”

Een volgende in mijn ogen interessante pointe (zoals Safranski het betitelt) is het uitgangspunt van Spinoza wanneer het over kunst gaat: “Das ganze ist Gott (…). Die natur oder die Welt als ganzes kann deshalb nicht auf einen jenseitigen Zweck bezogen werden, sie hat keinen Nutzen für irgend etwas, das außerhalb ihrer läge. Alle Sinn ist in ihr enthalten, nich außer ihr.” Hier lezen we toch ook zeer duidelijk een latere Nietzscheaanse uitwerking van kunst, al betrok Nietzsche in zijn aforismen en overdenkingen met name het Griekse drama. Overigens een Godsopvatting dat door Christelijke traditie en perspectief vaak als negatief en nihilistisch wordt weggezet.

Een strak geformuleerde ter afwisseling: “Der Geist ist bewußtlose natur, und die natur is bewußtloser Geist, als kerngedachte van Goethe’s tijdgenoot Schelling. Uit diens werk stamt ook de mooie uitspraak: “die Natur schlägt im Menschen die Augen auf und bemerkt daß sie ist (und erkennt was sie ist). Een zienswijze die Safranski waarschijnlijk onderschrijft of als poëtisch ingrediënt graag inzet aangezien ik deze uitspraak van Schelling ook al tegenkwam in Safranski’s biografie over Heidegger. Goethe had een bijzonder relatie met de natuur om zich heen en onderschreef, ja ondervond wellicht zelfs, dat de natuur maakt en breekt zoals Heraclitus de werking van de natuur vergelijkt met het spel van een kind dat vernietigt wat het heeft opgebouwd.

Als laatste zin noteer ik die van pagina 554 waar het boek de Westöstlicher Divan behandelt en de dualiteit binnen één persoon, de dichter welteverstaan, tot uitdrukking komt wanneer de boom zichzelf afvraagt “fühlst du nicht an meinen Lidern / daß ich eins und doppelt bin? Een thema dat ook later Menno ter Braak bezighoudt en dat ik hier maar even kort samenvat als de strijd tussen burger en denker/poëet. (“das, was in mir dichtet, ist etwas anders als das, was in den aüßeren Realitätsbezügen lebt”).

In het gehele boek ontwaar je een geest die duidelijk gevormd is door het lezen van Nietzsche. Centrale thema’s uit diens leven en werk zie je subtiel terugkomen in het stellen van soms retorische vragen of in een uitspraak als “Poesie ist nachahmung dieses in sich kreisenden Lebens, doch eine gesteigerte, weil sie in Schönheit übergeht. Die Schönheit der Poesie hat etwas triumphierendes, auch wenn sie aus der Verzweiflung und Trauer kommen mag.”


En dan nu naar de kern van Goethe’s religie opvattingen. Religie heeft eigenlijk geen volgers nodig die geloven in hetgeen de religie naar voren brengt. Immers, hetgeen alle geloofsovertuigingen gemeen hebben is de zienswijze dat er iets groters, machtigers, wijzers is dat zich achter de wereld van de verschijningen heeft verstopt. Een gemene deler van een “hier” en een “daar”. Vanuit deze premisse is het voor Goethe duidelijk dat zogeheten openbaringen zoals deze zijn opgetekend in bijvoorbeeld de Bijbel, niets met de religie an sich te maken hebben maar alles zegt over de gelovige die door de kracht van parabelen van alle twijfel wordt ontdaan en een gemene deler binnenlaat die het mogelijk en wenselijk maakt dit geloven met anderen te delen en alle twijfel samen nog verder de kop in kan drukken. Ziedaar, het fundament van elke kerk. De Bijbel of de Koran waren voor Goethe poëtische geschiedenisboeken, gelardeerd met wijsheden en achterhaalde stompzinnigheden. Goethe voelt sterk de ambivalentie tussen het morele regime van kerk en geloof enerzijds en de vrije vleugelslag van de poëet. De Koran als voorbeeld is in de ogen van Goethe prachtige poëzie maar wil dat in de overlevering niet zijn en neemt de plaats in van een morele ankerplaats voor gelovigen waardoor de poëet een profeet wordt. “Poesie läßt gelden, Religion will aber gelten”.

De Koran “widert Goethe immer wider an”. De vrijgeest Goethe kan niet leven met alle bedreigingen, hemelse beloften en strafvoorspellingen die heilige schriften in zich bergen. Maar ondanks deze fundamentele verschillen in benadering van heilige schriften onderstreept Goethe wel degelijk het belang van de verbindende factor die een profeet als Mohammed in beginsel is. “Es ist ein großes Verdienst Mohammeds einem verstreuten Wüstenvolk, eine politische Einheit, eine expansive Dynamik und ein einheitliches moralische Gepräge gegeben zu haben.”

Echter, in deze context en ook in de huidige tijd heel goed in te passen is het volgende citaat: “Wie man denn niemals mehr von Freiheit reden hört, als wenn eine Partei die andere unterjochen will und es auf weiter nichts angesehen ist, als daß Gewalt, Einfluß und Vermögen aus einer Hand in die andere gehen soll”.

Geen determinisme of defaitisme in de ideeën van Goethe. Hij benadert de geest als een “immer kreis- und spiralartig wiederkehrenden Erde- Teibens, Liebe, Neigung zwischen zwei Welten schwebend”. Daarbij ziet hij het Stirb und Werde principe als een basis ritme maar ook als een waarschuwing voor een overschatting van alle vooruitgang. Hier tippen zowel de schrijver uit de Sturm und Drang als ook diens biograaf aan een interessant thema. De vooruitgang, zelfs in haar meest verfijnde verschijning van vandaag in alle media en robot technieken, is op haar beurt weer een voortbrengsel van dezelfde geest die in de 18e of 19e eeuw rondwaarde of wanneer en waar dan ook. Daar is zelfs een klein kruisverband met de Wil tot macht van Nietzsche te zien die deze geest als motor de machtsdrang meegaf en die Goethe als een verstopte geest van liefde in zijn “West-östlichen Divan” duidde.

Het geloof in deze geest van vooruitgang, macht of liefde heeft niets van doen met een geloof in dogma’s maar het heeft alles te maken met ervaring van diezelfde geest in zichzelf. Dat onderscheidt de natuuronderzoeker met de gelovige althans in de ogen van Goethe. Waar de enkeling de geest niet in zichzelf ervaart maar God als een grote kracht buiten zichzelf ziet waar openbaring en vertrouwen op een woord de basis vormen, geeft Goethe als kritische dichter niet thuis. Dit verklaart ook zijn tegenzin bij alle verbeelding van heiligen in bijvoorbeeld de Christelijke kerkgemeenschappen. In katholieke huizen en kerken over de gehele wereld kijken pracht en praal ons al eeuwen in klatergoud aan. Het kan me persoonlijk alleen geschiedkundig, antropologisch en fotografisch interesseren dan wel boeien.

goetheDe ideeën van de Platoonse school zijn ook niet bepaald een veilige haven voor zijn denkbeelden. De in 1805 gepubliceerde formulering luidt dan ook: “Man kann den Idealisten alter und neuer Zeit nicht verargen, wenn sie so lebhaft auf Beherzigung des Einen dringen woher alles entspringt und worauf alles wieder zurückzuführen wäre. Denn freilich ist das belebende ordnende Prinzip in der Erscheinung dergestalt bedrängt, daß es sich kaum zu retten weiß. Allein wir verkürzen uns an der anderen Seite wieder, wenn wir das Formende und die höhere Form selbst in eine von unserm äußern und innern Sinn verschwindende Einheit zurückdrängen”. Een nieuwe en na Hegel en Fichte toch weer originele kijk op religie als fenomeen. Goethe was geschoold door o.a. Spinoza, Hegel, Fichte en Kant maar benadert als dichter de verschijnende wereld toch weer op zijn eigen wijze. De geest die alles vormt wordt in de empirisch waar te nemen wereld verkleint. De geest wordt niet meer in de natuur of in de mensen gevonden maar verwordt tot een niet te waarnemen metafysica. Ook hier weer sterke paralellen naar Nietzsche die “bleibt der Erde treu” predikte. Het is een bijna verticaal te noemen voorstelling: bovenaan staat de alles scheppende geest en onderaan als lager op de rangorde de werkelijkheid zoals we deze waarnemen. Maar: “(…)das Gezeugte ist nicht geringer als das Zeugende, ja es ist der Vorteil lebendiger Zeugung, daß das Gezeugte vortrefflicher sein kann als das Zeugende.” De geest vermindert zichzelf dus niet in de natuur maar komt daar tevoorschijn. Hier lezen we bijna woorden die uit de mond van de latere Heidegger stammen. “Das Tranzendente ist das wirkende, und deshalb ist es auch nur an seinen Wirkungen zu fassen”.

Tot aan zijn dood in 1832 heeft Goethe zijn idee over religie, geloof en de geest vastgehouden. Het kon hem niet altijd innerlijke rust bieden en ook in zijn stervensuur zal hij zich niet door enig geloven getroost geweten hebben. Hij drukte zijn angst voor al het vergankelijke als volgt in een gedicht uit:

“Mich ängstigt das Verfängliche

Im widrigen Geschwätz

Wo nichts verharret, alles flieht

Wo schon verschwunden was man sieht

Und mich umfängt das bängliche

Das graugestrickte Netz.

Naarmate hij ouder wordt ziet hij de maatschappij meer en meer als dat grijze net waar hij “Entfremdet” steeds vaker een masker moet dragen.

Safranski heeft met “Goethe – Kunstwerk des Lebens” echt een meesterwerk geschreven. Vanuit de scherpe blik van een Nietzsche of een Heidegger maar ook vanuit zijn eruditie alom en kennis van zaken over de romantiek en in deze context ook Friedrich von Schiller, kon het niet anders dat hij met zijn duidelijke pen een bijzondere biografie heeft geschreven over een even bijzondere schrijver en dichter, een van de grootste die de Duitse literatuur heeft voortgebracht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *