Antonio Machado, herinneringen van een onbekende leraar

Antonio Machado, herinneringen van een onbekende leraar

‘De waarheid is nu eenmaal de waarheid, onverschillig of die door koning Agamemnon of zijn varkenshoeder wordt gesproken. “Daar ben ik het niet helemaal mee eens”, zegt Agamemnon, waarop de varkenshoeder spreekt: ”Ik geloof er geen donder van”.’

Antonio Machado, de in 1875 in Sevilla geboren dichter en essayist, laat er zijn gesprekken en leerstellingen van Juan de Mairena mee beginnen om het in de Nederlandse vertaling op pagina 217 te laten eindigen met een variant op het hoofdwerk van Kant, ‘De kritiek van het zuivere geloof’, dat hij overigens liever overlaat aan ‘Duitse koppen’, denkers die in staat zijn om de onafzienbare geschiedenis van volkeren en religies met een virtuositeit te behandelen waaraan het ons ten enenmale aan ontbreekt’. Tussen de eerste en de laatste optekening komt Friedrich Nietzsche ook enkele keren voorbij, evenals dus Kant en ook Schopenhauer, maar ook klassiekers als Aristoteles en uiteraard zijn landgenoten zoals Lope de Vega.

Machado, een representant van de Generatie van ’98, vertegenwoordigt en verbindt vijf van mijn passies; Spanje, literatuur, filosofie, poëzie en dus ook de bekendheid met Nietzsche. Machado leerde in Parijs de literatuur en filosofie kennen en zal ongetwijfeld ergens rond de eeuwwisseling ook Nietzsche in zijn boekenkast hebben gezet. In 1907 werd Machado docent Frans in het Spaanse Soria, in de mooie Spaanse provincie Castilla Y Léon (en geboorteplaats van Alfons de 8e, ooit Koning van Castilla, maar dat even terzijde). Machado stond als zoveel intellectuelen aan de zijde van de Republikeinen ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog en verbleef zo lang mogelijk in Madrid. Uiteindelijk moest hij het land ontvluchtten en overleed in erbarmelijke omstandigheden samen met zijn oude moeder, enkele maanden voor de overwinning door Franco, in het Franse Collioure waar hij vlak bij zee werd begraven.

In zijn werk komt God en gebod veel voorbij. Hij vult aforismen, gedichten, korte uiteenzettingen met filosofische overpeinzingen die de gangbare kunstvormen hekelen maar ook diepere essentieel ontologische en existentiële thema’s bestrijken. Wanneer je zijn boekje ter hand neemt valt direct op hoe zijn stijl af en toe op die van Nietzsche lijkt; kort en duidelijk, geen opsmuk maar gelardeerd met humor en spitsvondigheden die nou net even de zaak andersom bekijken; ‘wanneer je Nietzsche leest (…) zou je haast zeggen dat Christus ons vergiftigd heeft. Maar het zou wel eens precies andersom kunnen zijn (…) ik bedoel dat wij in ons binnenste Christus hebben vergiftigd’, laat hij Mairena op diens beurt Abel Martin citeren. En, met de blik van vele jaren later, kunnen we dit trio van Machado, Mairena en Martin alleen maar gelijk geven, God was nog niet dood maar is vergiftigd door onszelf.

De filosoof Machado laat Mairena (leraar in retorica en poëtica) op een haast sofistische wijze diens meester ‘tegen het tegendeel’ declameren: ‘Mijn meester zei dat geen enkel ding het tegendeel kan zijn van een ander ding’. Niets van wat bestaat kan ook maar een tegendeel hebben. Er is een wezen van de roos waaraan alle rozen deelhebben (…). Nergens – niet als essentie en niet als existentie – vinden jullie het tegendeel van een roos (…). Ook al beweert men nog zo vaak het tegendeel, het zijn heeft gewoon geen tegendelen. Want zelfs de negatie van het zijn, het Niets, zou om zijn tegendeel te kunnen zijn toch in ieder geval in aanleg iets moeten zijn (…).

Of een andere “over het carnaval” dat als wel wat vaker in het boek je aan Menno ter Braak laat denken, waarin hij duidt waarom het carnaval nooit zal verdwijnen aangezien het wezenlijke van carnaval niet het feit is dat je een masker opzet, maar dat je je gezicht laat verdwijnen. ‘En niemand is zo tevreden met zijn gezicht, dat hij er niet naar verlangt om dat onder een ander te laten verdwijnen’ (let op de dubbele ontkenning).

Machado zet op een originele wijze de dichter tegenover de filosoof en beschrijft die twee waarheidszoekers aan deze en gene zijde van de demarcatielijn bij monde van zijn meester, Juan de Mairena. Bijvoorbeeld door de bewering dat grote dichters mislukte filosofen zijn en andersom de grote filosofen dichters zijn die in de realiteit van hun gedichten geloven. Dat dichters van de filosofen de kunst van de grote metaforen kunnen leren (de rivier van Heraclitus, de bol van Parmenides, de lier van Pythagoras, de grot van Plato etc.)

De verteller Mairena vertelt over zijn zwakke positie ten opzichte van de moraal, het labyrint van goed en kwaad dat hij niet zoals sommige lezers van Nietzsche geprobeerd heeft voorbij te gaan. Nee, net zoals bij zovele zaken vraagt de moraal bij hem om een afstand die bij elke beschouwing noodzakelijk is. Een argument dat hij ook ergens terug laat komen in de reden waarom hij minder hier en nu leeft, zijn beschouwingen gaan immers gemakkelijker over verleden en toekomst, zijn eenvoudiger over daarginds en in die tijd. Dat is een simpel antwoord overigens op Toller’s pleidooi voor het leven in het hier en nu, een voor de hand liggend uitgangspunt dat deze Machado in de jaren ’30 poneert. ‘je kunt de dingen alleen maar zien door buiten ze te treden. En dat is wat Nietzsche heeft geprobeerd met de moraal, en alleen daarom heeft hij een plaats in de geschiedenis gekregen’.

In hoofdstuk 40 typeert hij de Duitse denkers nog eens door ze (met enige vaderlandsliefde) langs een Spaanse meetlat te leggen en ze ‘grote denkers’ en ‘uitzonderlijke metafysici’ te noemen. Maar ook middelmatige psychologen die Christus nooit zo goed zullen begrijpen als onze grote Miguel de Unamuno’(bekend onder meer door ‘Het leven van Don Quichot en Sancho (1905), Mijn religie (1910), Het tragische levensgevoel (1913) en De agonie van het Christendom (1931). Daar maakt hij een punt. In de Spaanse ziel zetelt de godsbeleving meer in het spirituele dan in de dogmatische interpretatie die ons noorderlingen zo typeert, al weten de Spaanse kerkheren ook nu nog de Spaanse adolescenten fijntjes naar de biechtstoelen te dirigeren.

De vooruitziende blik van Antonio Machado wordt door hem in niet mis te verstane zinnen aan het einde van de uitgave verwoordt: ‘Na Nietzsches aanval op het christendom (…) kan men in het oude Europa (waar wij ook deel van zijn maar gelukkig slechts als achterhoede, of plastisch uitgedrukt: de staart) het ergste verwachten. Christus is beschaamd en bedroefd vertrokken omdat de stiermens uit het Oude testament vervaarlijk brult en briest (…). Hoor je niet hoe hij tekeergaat? Vreselijke oorlogen staan ons te wachten.’ We schijven hier de jaren van de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939), de voorbode en proeftuin van de grotere variant die na beëindiging van deze oorlog in noordelijke Europa begon met de bezetting van Polen.

Wat Machado allemaal van Nietzsche heeft gekend en gelezen is onbekend. Feit is wel dat hij Schopenhauer grotere kwaliteiten toedicht. In een vergelijking meldt hij dat Schopenhauer een grotere denkkracht en talent had dan Nietzsche en mist Nietzsche volgens hem ook de scherpte en de geestigheid van de grote pessimist (i.c. Schopenhauer). Hij beschouwt Nietzsches lectuur dan ook als niet zo leuk als die van Schopenhauer. Ik weet niet hoe de originele Spaanse tekst luidt die vertaler VanderZee voor uitgeverij IJzer heeft verricht. Maakt ook niet veel uit, die Machado heeft ze naast vele andere grotere denkers uit meerdere windstreken van het toenmalige Europa gekend en op hun waarde voor de toekomst weten te waarderen, getuige de scherpe observaties die hij er zelf uit putte. En, niet te vergeten, de jaren ’30 gaven in de academische milieus rondom Nietzsche nou niet bepaald de ruimte om de teksten van Nietzsche anders te interpreteren dan men in Weimar en omstreken pleegde te doen. Machado zag hoe Nietzsche het ressentiment heeft weten te fileren en daarmee een tijdloos fenomeen aan de kaak heeft gesteld die de welwillende boer op het platteland van het Castillië in de jaren ’30 van hetzelfde sentiment voorzag als de Europese (en dus ook Spaanse) burger van vandaag die met grote ontsteltenis van zijn hypotheekschuld opkijkt naar de vergaarde rijkdom van de grote (Spaanse) banken.

Het bijna Nietzscheaanse credo niet te overtuigen of te onderwijzen, maar om tot zelfstandig denken uit te dagen, is de rode draad in dit verrassend mooie werk. Daarom kan ik Juan de Mairena (zie webshop Uitgeverij IJzer) warm aanbevelen zoals Machado zijn kritische lezers Nietzsche van harte kon aanbevelen door zijn Juan de Mairena op een apocalyptische wijze te laten eindigen met de woorden ‘tussen Nietzsche en zijn navolgers zou goed een wereldoorlog kunnen liggen: een oorlog waarvan niemand zal weten wie de winnaar en wie de verliezer is.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *