‘Wij hebben het geluk uitgevonden’

‘Wij hebben het geluk uitgevonden’

In mei 2009 maakte ik een aantekening bij een artikel van de Amerikaanse dichter en literatuurcriticus Adam Kirsch. Deze redacteur van The New Republic, columnist van Nextbook.org en publicist in o.a. The New Yorker, The Times Literary Supplement en andere bladen, haalde Nietzsches Zarathoestra aan in de context van een vermeend eindigend geluk in Europa. Nu, 11 jaar later, en midden in een nieuwe crisis  is het wellicht tijd om even achterom te kijken en adem te halen.

Kirsch opende zijn korte beschouwing getiteld ‘De spirituele toestand van het Avondland’ met de opmerking dat de geschiedenis maar weinig momenten heeft gekend waarin de wereld zich zorgen moest maken over een overdaad aan geluk. Misschien wel een beetje in de jaren toen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog de geschiedenisboeken nog niet ingegaan waren en de slagvelden die Napoleon in Europa had achtergelaten langzaamaan uit het geheugen verdwenen. Democratie, grote ontdekkingen in o.a. de medische wereld en permanente vrede lagen in het verschiet. Er werd overweldigende kunst gemaakt en ook veel geschreven; in Frankrijk, Duitsland, Rusland, Italië en ja, ook in Nederland. De grote ideeën in wetenschap, literatuur en politiek kregen hun verdere uitwerking; anarchisme, communisme, liberalisme…

Refererend aan Zarathoestra’s Vorrede en de inspiratie die het Francis Fukuyama gaf, beschreef Kirsch in mijn ogen terecht hoe na de grote oorlogen, de mak en tam geworden burgers de democratische waarden in stand wisten te houden. Maar niet alleen die richtinggevende waarden, ook de nieuwe zekerheden die richting gaven en antwoorden aan die tevreden homo sapiens. De Laatste Mens zou zwelgen in een wereld van vrede en voorspoed. Of was het een dun laagje misleidend vernis?

Nou is deze zienswijze – net zoals vele andere – gevoelig voor een citaat van Nietzsche, dat fenomeen kennen we maar al te goed. Toch raakt het een snaar uit Nietzsches denken waarin hij de gezapige houding van de fysieke veiligheid en materiële overvloed hekelt. Precies om die reden, om dat strijdloze era, daalde Zarathoestra af naar het artikel van Kirsch en kreeg het ook een prominente plek in de gedachten van Fukuyama.

Twee dagen geleden verscheen Nietzsche met hetzelfde Zarathoestra citaat ook als ‘lijstduwer’ in het pamflet van Nynke van Verschuer (NRC van 29 mei). In haar recensie over ‘Pandemie” het laatste boek van de Sloveense socioloog, cultuurcriticus en filosoof Slavoj Žižek (spreek uit ‘Gigek’ met de g als in giraffe) begint zij met: ‘Men heeft zijn pretje voor de dag en zijn pretje voor de nacht: maar men vereert de gezondheid (…).’

Slavoj Žižek

Je vraagt je af waarom de Zarathoestra uit de kast wordt gehaald. Om een pleidooi van deze Sloveens psychoanalyticus kracht bij te zetten? ‘Ich sage euch: man muss noch Chaos in sich haben, um einen tanzenden Stern gebären zu können. Ich sage euch: ihr habt noch Chaos in euch’, klinkt het in ‘Also sprach Zarathoestra’. Hoe dan ook, het geeft voor mij een aanleiding om de profetische zinnen en woorden er eens bij te pakken en mezelf de vraag te stellen wat toch de niet aflatende drang behelst om profetische woorden in te zetten als een tijdloze troefkaart.

Nietzsche schrijft tussen 1883 en 1885 zijn Zarathoestra en geeft daarin in zijn ‘Vorrede’ een perspectief dat later voor miljoenen lezers een oneindige horizon over een Laatste Mens in zich bergt:

De aarde is dan klein geworden, en op haar hipt de laatste mens, die alles klein maakt. Zijn geslacht is onuitroeibaar, als de aardvlo; de laatste mens leeft het langst.
‘Wij hebben het geluk uitgevonden’ – zeggen de laatste mensen en knipperen met hun ogen.
Men werkt nog, want arbeid is ontspanning. Maar men past op dat de ontspanning niet vermoeit.
Men wordt niet meer arm en rijk: beide zijn te bezwaarlijk. Wie wil nog regeren? Wie nog gehoorzamen? Beide zijn te bezwaarlijk.

Ik hecht er aan om naar de totale paragraaf in zijn originele versie te kijken (en aansluitend naar een vertaling) om vervolgens de interpretatie aan de langzame lezer over te laten.

Also sprach Zarathoestra, Teil 1, Vorrede par. 5 (20 aug. 1883, precies 17 jaar voor zijn overlijden)

Als Zarathustra diese Worte gesprochen hatte, sahe er wieder das Volk an und schwieg. „Da stehen sie“, sprach er zu seinem Herzen, „da lachen sie: sie verstehen mich nicht, ich bin nicht der Mund für diese Ohren.

Muss man ihnen erst die Ohren zerschlagen, dass sie lernen, mit den Augen hören? Muss man rasseln gleich Pauken und Busspredigern? Oder glauben sie nur dem Stammelnden?

Sie haben Etwas, worauf sie stolz sind. Wie nennen sie es doch, was sie stolz macht? Bildung nennen sie’s, es zeichnet sie aus vor den Ziegenhirten.

Drum hören sie ungern von sich das Wort „Verachtung“. So will ich denn zu ihrem Stolze reden.

So will ich ihnen vom Verächtlichsten sprechen: das aber ist der letzte Mensch.“

Und also sprach Zarathustra zum Volke:

Es ist an der Zeit, dass der Mensch sich sein Ziel stecke. Es ist an der Zeit, dass der Mensch den Keim seiner höchsten Hoffnung pflanze.

Noch ist sein Boden dazu reich genug. Aber dieser Boden wird einst arm und zahm sein, und kein hoher Baum wird mehr aus ihm wachsen können.

Wehe! Es kommt die Zeit, wo der Mensch nicht mehr den Pfeil seiner Sehnsucht über den Menschen hinaus wirft, und die Sehne seines Bogens verlernt hat, zu schwirren!

Ich sage euch: man muss noch Chaos in sich haben, um einen tanzenden Stern gebären zu können. Ich sage euch: ihr habt noch Chaos in euch.

Wehe! Es kommt die Zeit, wo der Mensch keinen Stern mehr gebären wird. Wehe! Es kommt die Zeit des verächtlichsten Menschen, der sich selber nicht mehr verachten kann.

Seht! Ich zeige euch den letzten Menschen.

„Was ist Liebe? Was ist Schöpfung? Was ist Sehnsucht? Was ist Stern?“ — so fragt der letzte Mensch und blinzelt.

Die Erde ist dann klein geworden, und auf ihr hüpft der letzte Mensch, der Alles klein macht. Sein Geschlecht ist unaustilgbar, wie der Erdfloh; der letzte Mensch lebt am längsten.

„Wir haben das Glück erfunden“ — sagen die letzten Menschen und blinzeln.

Sie haben die Gegenden verlassen, wo es hart war zu leben: denn man braucht Wärme. Man liebt noch den Nachbar und reibt sich an ihm: denn man braucht Wärme.

Krankwerden und Misstrauen-haben gilt ihnen sündhaft: man geht achtsam einher. Ein Thor, der noch über Steine oder Menschen stolpert!

Ein wenig Gift ab und zu: das macht angenehme Träume. Und viel Gift zuletzt, zu einem angenehmen Sterben.

Man arbeitet noch, denn Arbeit ist eine Unterhaltung. Aber man sorgt, dass die Unterhaltung nicht angreife.

Man wird nicht mehr arm und reich: Beides ist zu beschwerlich. Wer will noch regieren? Wer noch gehorchen? Beides ist zu beschwerlich.

Kein Hirt und Eine Heerde! Jeder will das Gleiche, Jeder ist gleich: wer anders fühlt, geht freiwillig in’s Irrenhaus.

„Ehemals war alle Welt irre“ — sagen die Feinsten und blinzeln.

Man ist klug und weiss Alles, was geschehn ist: so hat man kein Ende zu spotten. Man zankt sich noch, aber man versöhnt sich bald — sonst verdirbt es den Magen.

Man hat sein Lüstchen für den Tag und sein Lüstchen für die Nacht: aber man ehrt die Gesundheit.

„Wir haben das Glück erfunden“ — sagen die letzten Menschen und blinzeln. —

Und hier endete die erste Rede Zarathustra’s, welche man auch „die Vorrede“ heisst: denn an dieser Stelle unterbrach ihn das Geschrei und die Lust der Menge. „Gieb uns diesen letzten Menschen, oh Zarathustra, — so riefen sie — mache uns zu diesen letzten Menschen! So schenken wir dir den Übermenschen!“ Und alles Volk jubelte und schnalzte mit der Zunge. Zarathustra aber wurde traurig und sagte zu seinem Herzen:

Sie verstehen mich nicht: ich bin nicht der Mund für diese Ohren.

Zu lange wohl lebte ich im Gebirge, zu viel horchte ich auf Bäche und Bäume: nun rede ich ihnen gleich den Ziegenhirten.

Unbewegt ist meine Seele und hell wie das Gebirge am Vormittag. Aber sie meinen, ich sei kalt und ein Spötter in furchtbaren Spässen.

Und nun blicken sie mich an und lachen: und indem sie lachen, hassen sie mich noch. Es ist Eis in ihrem Lachen.

Also sprach Zarathoestra
Also sprach Zarathoestra (Originalausgabe)

Vertaling:

Toen Zarathoestra deze woorden had gesproken, zag hij het volk weer aan en zweeg. ‘Zie ze daar staan’, sprak hij tot zijn hart , ‘zie ze lachen: ze verstaan mij niet, ik ben niet de mond voor deze oren.

Moet men eerst hun oren stukslaan, opdat zij leren horen met hun ogen? Moet men ratelen als pauken en boetpredikers? Of schenken zij alleen de stamelaar geloof?

Zij bezitten iets waarop ze trots zijn. Hoe noemen zij toch wat hen trots maakt? Beschaving noemen zij ‘t, het onderscheidt hen van de geitenhoeders.

Daarom horen zij niet graag het woord “verachting” tegen zich gebruiken. Zo wil ik dan tot hun trots spreken.

Zo wil ik hen dan van het verachtelijkste spreken: en dat is de laatste mens.’

En aldus sprak Zarathoestra tot het volk:

Het is tijd dat de mens zich zijn doel stelt. Het is tijd dat de mens de kiem plant van zijn hoogste hoop.

Nog is zijn grond daar rijk genoeg voor. Maar eens zal deze grond arm en slap zijn, en geen hoge boom zal nog uit de bodem kunnen opschieten.

Wee! De tijd komt dat de mens de pijl van zijn verlangen niet meer boven de mens uit schiet en dat de pees van zijn boog het snorren verleerd zal hebben!

Ik zeg jullie: men moet nog chaos in zich hebben om een dansende ster te kunnen baren. Ik zeg jullie: er schuilt nog chaos in jullie.

Wee! De tijd komt dat de mens geen ster meer baren zal. Wee! De tijd van de verachtelijkste mens komt, die zichzelf niet meer verachten kan.

Ziet! Ik toon jullie de laatste mens.

‘Wat is liefde? Wat is schepping? Wat is verlangen? Wat is ster? – zo vraagt de laatste mens en knippert met zijn ogen.

De aarde is dan klein geworden, en op haar hipt de laatste mens, die alles klein maakt. Zijn geslacht is onuitroeibaar, als de aardvlo; de laatste mens leeft het langst.

‘Wij hebben het geluk uitgevonden’ – zeggen de laatste mensen en knipperen met hun ogen.

Zij hebben de oorden verlaten waar het leven hard was: want men heeft behoefte aan warmte. Men heeft zijn naast nog lief en schurkt zich tegen hem aan: want men heeft behoefte aan warmte.

Ziek worden en argwaan koesteren merken zij aan als zondig: men loopt behoedzaam voort. Een dwaas die nog struikelt over stenen of mensen!

Enig gif zo nu en dan: dat geeft aangename dromen. En veel gif op het laatst, voor een aangenaam sterven.

Men werkt nog, want arbeid is ontspanning. Maar men past op dat de ontspanning niet vermoeit.

Men wordt niet meer arm en rijk: beide zijn te bezwaarlijk. Wie wil nog regeren? Wie nog gehoorzamen? Beide zijn te bezwaarlijk.

Geen herder en één kudde! Iedereen wil hetzelfde, iedereen is gelijk: wie anders voelt, gaat vrijwillig naar het gekkenhuis.

‘Vroeger was iedereen in de war’ – zeggen de fijnsten en knipperen met hun ogen.

Men is schrander en heeft weet van alles wat er gebeurd is: dus kan men eindeloos spotten. Men maakt nog ruzie, maar verzoent zich vlug – anders bederft het de maag.

Men heeft zijn pretje voor de dag en zijn pretje voor de nacht: maar men houdt de gezondheid in ere.

‘Wij hebben het geluk uitgevonden’ – zeggen de laatste mensen en knipperen met hun ogen. –

En hier eindigde de eerste rede van Zarathoestra, die men ook wel ‘de voorrede’ noemt: want op dit punt onderbrak hem het wellustig schreeuwen van de menigte. ‘Geef ons deze laatste mens, o Zarathoestra’ – riepen zij – ‘maak ons tot deze laatste mensen! Dan schenken wij jou de Bovenmens!’ En al het volk jubelde en klakte met de tong: Zarathoestra evenwel werd droevig en sprak tot zijn hart:

Ze verstaan mij niet: ik ben niet de mond voor deze oren. Te lang al heb ik in de bergen geleefd, te veel geluisterd naar beken en bomen: nu spreek ik tot hen zoals geitenhoeders.

Onbewogen is mijn ziel en helder als het gebergte in de ochtend. Maar zij menen dat ik koud ben en een vreselijke spotvogel.

En nu kijken ze mij aan en lachen: en terwijl zij lachen, haten ze mij nog. Er is ijs in hun lachen.

(vertaling Wilfred Oranje, uitg. Boom ‘Aldus sprak Zarathoestra’ uit 1996)

Of je nu wel of niet ‘verstehen’ als ‘verstaan’ of ‘begrijpen’ zou dienen te vertalen laat ik even buiten beschouwing. Mij is het er meer om te doen dat Nietzsche hier voor de groentekar ‘Geluk’ staat zoals hij wel vaker een denkbeeld dient te onderstrepen of af te keuren. ‘Wat zou Nietzsche hierover gezegd hebben?’ hoor ik met grote regelmaat om me heen. Nou, niet zoveel. Daar waar Jürgen Habermas, Giorgio Agamben en Žižek verwijzen naar het naakte (gezonde = niet zieke) leven dat toch altijd weer de veilige haven van het goede leven of zelfs het gelukkige leven zou zijn, zou ik ‘naakte’ eerder willen inruilen voor het ‘maakbare’ leven. Want als er iets zich duidelijk aftekent in de afgelopen tijd van dreiging is dat wel het onbehaaglijke gevoel wanneer het maakbare ons is ontvallen. Maar is dat ook hetgeen wat de langzame lezer in de prachtige Vorrede van Nietzsches Zarathoestra leest? Of is daar de boodschap als die er al in gestopt is, wellicht een andere?

Interpretaties, louter interpretaties… Lopen we hier niet weer tegen de tijdloze kracht van de grote stilist en denker aan die bijkans net zo vaak niet verstaan als niet begrepen is? De kudde graast en creëert haar eigen hoeders. Wehe dem der keine eigenen Gedanken hat…

Eén gedachte over “ ‘Wij hebben het geluk uitgevonden’

  1. “Moet men eerst hun oren stukslaan, opdat zij leren horen met hun ogen?”

    We kennen de problematiek in de wetenschapsfilosofie. Onze ogen zijn theorie geladen, met de ogen van de taal kijken we naar de wereld. Achter de ordeningsprincipes van de taal zien we de chaos en complexiteit van de wereld niet. Achter is al grammaticaal problematisch, omdat het verondersteld dat er zich iets achter de taal bevindt. Voor Friedrich Nietzsche is er echter maar één wereld.

    In Friedrich Nietzsches denken schuilt mijn inziens een paradox. Friedrich Nietzsche wil namelijk helemaal niet begrepen worden. Maar omdat de begrijpen moet je eerst het perspectief van Nietzsche leren begrijpen. Stel vast dat in het woord begrijpen het woord grijpen, vast grijpen, ligt. Maar Friedrich Nietzsche ontglipt je telkens weer, hij ligt niet voor het grijpen, de onmogelijkheid om in zijn perspectief te komen.

    We zijn niet gelijk, we zijn allemaal ongelijk. De filosoof van de oorlog is niet bestemd voor de oren van de lieve vrede, maar waar komt deze uitspraak vandaan? Ieder mens is uniek, maar waar komt deze uniciteit vandaan? Ik denk dat de taalgenie Nietzsche ons probeert te vertellen dat we uniek zijn in onze taal. Ieder mens ontwikkeld zich een taalkosmos, taaleilanden, waarin hij zich ten diepste bewust is van de onverstaanbaarheid van de taal.

    In voorbij genealogie van de moraal geeft Nietzsche een voorbeeld van de uitleggingskunst van een aforisme. We mogen Nietzsche dat kleine beetje intelligentie toekennen dat ook hij begrijpt dat ieder zijn eigen uitlegging op een aforisme zal ontwikkelen.

    In het ontstaan en vergaan zal Nietzsche zelf ook weer uiteindelijk de meerdere moeten erkennen in een ander. Ga het gevecht met hem aan, deze machtige vijand, probeer boven hem uit te stijgen. Wie bij Nietzsche stopt heeft bij voorbaat verloren en Nietzsche niet verstaan.

    Er schuilt een paradox in het denken, maar wie deze paradox doorziet, ziet dat er helemaal geen paradox is, maar dat dit de uitkomst is dat ieder mens uniek is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *