De app van Heidegger

De app van Heidegger

Onze vaak grote maar wel meetbare wereld blijkt al wekenlang en dag na dag, ineens iets onmeetbaars in het kleine te verbergen; ons eigen leven, onze achtertuin of ons balkon werpt ons terug op basale territoria nu benzine en kerosine uitgespaard worden. Niet alleen de meetbaarheid lijkt ineens van haar stevige sokkel te zijn gevallen maar ook het ogenschijnlijk maakbare leven dat ons al sinds de dood van God in haar greep van onbegrensd positivisme en controle houdt lijkt omgevallen. En wat komt tevoorschijn? We gaan uiteindelijk onverdroten door, ‘wat anders rest ons’, zou immers een vreemde en op z’n minst ongemakkelijke vraag zijn. Dus combineren we in zowel oude als nieuwe werkelijkheden verlangens en technisch kunnen in moderne oplossingen als applicaties die ons de weg wijzen. Applicaties die met de afkorting ‘app’ steeds meer oplossingen bieden voor spontaan opgegooide problemen. Techniek die ontstaat omdat het kan, oplossingen waar nog een paar problemen bij gezocht kunnen worden, efficiency waar we behoefte bij creëren, gemak voor uitdagingen en antwoorden op ongestelde vragen. Vanaf de eerste discussie over de Corona-app dwalen mijn gedachten steeds naar Heidegger, de filosoof die op deze website nog maar zeer sporadisch genoemd is maar ontegenzeggelijk veel met Nietzsche in ‘contact’ is geweest. Maar waarom naar hem? Dat zit ‘m vooral in die visie van Heidegger op de techniek als fenomeen zoals hij dat in zijn ‘Die Frage nach der Technik’ (1954) en ‘Die Technik und die Kehre’ (1962) heeft geformuleerd. Het zijn voordrachten en essays die nog geen millimeter aan actualiteitswaarde hebben ingeleverd. Zou daar geen app voor moeten komen?

‘Martin Heidegger is niet alleen een van de invloedrijkste filosofen van de twintigste eeuw, maar ook de meest omstreden. De originaliteit en de kracht van zijn denken hebben binnen, maar vooral ook buiten het vakgebied grote weerklank gevonden. Hannah Arendt oordeelde dat er door de filosofie van Heidegger een storm trekt die even sterk is als de storm die ons na duizenden jaren nog uit het werk van Plato tegemoet waait.’ Het valt te lezen op de achterflap van ‘Heidegger en zijn tijd’ een voortreffelijke biografie uit de pen van Rüdiger Safranski met de oorspronkelijke titel ‘Ein Meister aus Deutschland. Heidegger und seine Zeit’ en in 2007 op de Nederlandse markt in vertaling uitgekomen. In dit boek dat bol staat van Heideggeriaanse terminologie als ‘ditheid’, het ‘Terhandene’ of ‘Voorhandene’ neemt Safranski je mee in de krochten van Heidegger’s ontologische Zijnsconstructies. Het compliment is naast de voortreffelijke vertaling (W. Hansen) natuurlijk primair bedoeld voor Safranski die er als een van de weinigen in geslaagd is om Heidegger en dan met name zijn Nazi-verleden, in een genuanceerder perspectief te plaatsen. Want feit blijft dat het ongelooflijke oeuvre van Heidegger, dat tot op de dag van vandaag nog steeds niet in z’n totaliteit is uitgegeven, een plek in de filosofie inneemt die op z’n minst enorm en vernieuwend genoemd mag worden. De secundaire studies en literatuur over Heidegger beslaan alleen al een kleine 8.000 titels, hetgeen onderstreept wat Arendt over de ‘storm Heidegger’ heeft gemeld. Dat brengt me ook bij de ‘luie’ gedachte om hier niet alles over Heidegger opnieuw te gaan vertellen maar dankbaar gebruik te maken van enkele biografische stukken zoals die op Wikipedia te lezen zijn en prima weergeven waar het in het leven en werk van Heidegger om draait. Niet sec een biografie, dat past sowieso al niet in een aanpak die bij Heidegger past, maar wel de grote lijnen die de denker een kader geven.

Een vernieuwende professor

Martin Heidegger werd in 1889, het ‘noodlot jaar’ van Nietzsche, geboren in Meßkirch (Oberschwaben) in een rooms-katholiek gezin, als oudste kind van Friedrich en Johanna Heidegger. In 1909 werd hij in Freiburg student, oorspronkelijk theologie – omdat hij priester wilde worden – maar vanaf 1911 filosofie. In 1913 promoveerde hij en werd vervolgens assistent van Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie. In 1917 trouwde hij met Elfride Petri, die een grote invloed zou hebben op zijn verdere praktische leven. Zo ontwierp zij bijvoorbeeld de Hütte, een houten vakantiehuisje tegen een heuvel bij Todtnauberg, nu skioord, waar Heidegger telkens weer rust zocht en waar zijn belangrijkste werken tot stand zijn gekomen. Het echtpaar kreeg twee zonen, echter Martin Heidegger was niet de biologische vader van hun jongste zoon Hermann, die later mederedacteur van Heideggers verzamelde werk was.  Hoewel Heidegger een tijdlang een zekere waardering had voor Husserl, ontwikkelde hij zich in een andere richting, namelijk die van de ontologie, de leer van het wezen van het zijn, en vooral de waarheid van het zijn. Hij gaf deze metafysica dan ook vernieuwende perspectieven.

In 1923 volgde een buitengewoon hoogleraarschap in Marburg. Daar schreef hij in brieven over de matte en naargeestige sfeer, en hij was blij dat hij in de vakanties naar zijn ‘Hütte’ kon. Een intieme relatie met zijn studente Hannah Arendt bracht wat verlichting (zie ook http://www.friedrichnietzsche.nl/live/geinspireerde-schrijvers/vita-activa-oder-vom-tatigen-leben/ ) Zijn colleges trokken een steeds groeiende groep enthousiaste studenten , die gebiologeerd raakten door het filosoferen dat zich voor hun ogen leek te voltrekken. Zijn vernieuwende ideeën die hij op zijn studeerkamer ontwikkelde, probeerde hij in de colleges op de studenten uit. Zo steeg zijn roem in Duitsland, hoewel hij niet of nauwelijks publiceerde. Toen het terugtreden van Husserl aangekondigd werd, stortte hij zich in grote haast op het schrijven van een uitvoerige ontologische studie die, onder de titel ‘Sein und Zeit’ bij het verschijnen in 1927 groot opzien baarde. Dit hoofdwerk gaf hem de positie van hoogleraar en tevens de statuur van een zeer origineel en baanbrekend denker.

De opkomst van de nationaalsocialistische beweging (NSDAP) in Duitsland liet ook Heidegger niet onberoerd. Zijn vrouw was vurig aanhangster van de NSDAP. Vanaf 1932 sympathiseerde Heidegger openlijk met Hitlers ideaal van ‘nationale Erhebung’. Na de filosofie vernieuwd te hebben, wilde hij de maatschappij vernieuwen. Op 21 april 1933 kozen zijn collega’s hem vrijwel unaniem als nieuwe rector van de Freiburger universiteit. Hij volgde hiermee professor Von Möllendorf op die (waarschijnlijk) onder druk van de naziregering de dag ervoor was afgetreden. Op 3 mei 1933 trad hij met een groot aantal andere hoogleraren en docenten demonstratief toe tot de NSDAP. Heideggers praktisch-politieke handelen vond zijn ‘hoogtepunt’ in zijn Rektoratsrede op 27 mei 1933, waarmee hij zijn nieuwe functie aanvaardde. Ook een aantal voordrachten, colleges en redevoeringen uit dat jaar getuigen van geloof in het nieuwe Duitsland. Heidegger heeft nooit publiekelijk spijt betuigd voor zijn bewondering van Hitler en de grote verwachtingen die hij voor het nationaal socialisme koesterde. Na een jaar (april 1934) diende hij al zijn ontslag in, teleurgesteld omdat hij voor hetgeen hij wilde bereiken onvoldoende steun (door interne sabotage en onduidelijkheid) kreeg vanuit de NSDAP. Hij bleef wel gewoon hoogleraar aan de universiteit van Freiburg en lid van de NSDAP tot aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Na het eind van de Tweede Wereldoorlog kreeg hij door de Franse bezettingsmacht tot zijn emeritaat in 1951 een leerverbod opgelegd. Zijn hoogleraarschap werd hem niet ontnomen, zijn salaris werd doorbetaald, maar hij mocht geen colleges meer geven. Heidegger verkeerde daardoor geruime tijd in een ernstige psychische crisis.

Vanaf begin jaren vijftig bezon hij zich nogmaals op het wezen van de kunst, de taal, de techniek, van bouwen en wonen. Een kernthema bleef de kritiek op de menselijke wil tot macht, tot wereldoverheersing en de maatloze overmacht van de techniek. Nietzsche had al veel eerder in zijn leven een prominente plek ingenomen – o.a. de niet voorgedragen (1941/42) respectievelijk afgebroken (1944-45) lezingen over de metafysica van Nietzsche – maar deze denker kreeg later nog eens een centrale plek in zijn totale oeuvre. In 1961 verschenen namelijk zijn twee delen ‘Nietzsche’. Twee boeken samen een massief tijdsmonument. Een duo dat in 2010 tot de studie/publicatie en uiteindelijk boek leidde met de titel ‘Heidegger’s Nietzsche: Being and Becoming’ uit de handen van Paul Catanu, Doctor of Philosophy in Montréal. Tegenover de overdosis techniek stelde Heidegger de mens/dichter/filosoof als de hoeder van het Zijn. Zo werd hij een gevierd spreker bij seminars, genoot hoog aanzien en veel werk werd in allerlei talen vertaald. Met name in Frankrijk beleefde men onder andere via Levinas een ware ‘Heidegger -renaissance’. Begin jaren zeventig trok Heidegger zich steeds meer terug uit het openbare leven. Op 26 mei 1976 overleed hij in Freiburg. Op uitdrukkelijk eigen verzoek werd hij 28 mei in zijn geboorteplaats Meßkirch op katholieke wijze begraven.

Werk

Zoals bovenstaand al even aangeduid is zijn filosofisch werk te omvangrijk om kort weer te geven. De uitgeverij Vittorio Klostermann Verlag werkt al decennia lang aan een uitgave van de volledige werken van Heidegger (‘Gesamtausgabe’) die naar verwachting uiteindelijk uit meer dan 100 delen zal bestaan. Maar ondanks de veelheid van zijn onderwerpen en de ontwikkelingen in zijn denken, blijft in zijn werk de vraag naar de zin van het Zijn centraal staan. Dit is de zoektocht naar, zoals Heidegger dit noemt, “het Zijn van het Zijnde”. Vanuit dit ‘zijn’ wordt van alles dat ‘is’, bepaald dat het is en hoe het is. Het is fascinerend om je in die verschillende vormen van het Zijn te verdiepen en bijzonder om te ontdekken hoe hij die verschillende lagen heeft aangeduid met woorden die intrigeren. Zo krijgt Tevoorschijn komen een andere en diepere betekenis die me soms aan Spaanstalige mystici en bijvoorbeeld de dichter Borges doet denken. (voetnoot; ik had vroeger een alleraardigste en erudiete collega die zijn bedrijf vanuit zijn fascinatie voor Heidegger de naam Tevoorschijn had gegeven.)

In 1927 verschijnt Heideggers belangrijkste werk, ‘Sein und Zeit’ (SUZ), in de Nederlandse vertaling van Mark Wildschut in 1998 verschenen als ‘Zijn en Tijd’. Geen gemakkelijk maar wel interessant werk. En nog altijd verteerbaarder dan bijvoorbeeld Hegel. In dit boek staat de vraag naar het zijn, oftewel ‘wereld’, centraal. Heidegger gaat op zoek naar een antwoord op deze vraag met behulp van een fenomenologische ontologie, die zich allereerst dient te richten tot de existentie van het Dasein, oftewel de alledaagsheid van de mens. Met andere woorden: wat impliciet is in het ontische (het voorontologische, alledaagse doorsneebestaan, zoals het zich als fenomeen voordoet aan de mens) zal expliciet worden gemaakt, en daarmee wordt het ontologisch. ‘Zijn’ of ‘wereld’ betreft datgene waarnaar ‘zijnden’ (dingen waarmee we in de alledaagsheid vertrouwd zijn) kunnen overstijgen. Als voorbeeld neemt Heidegger de wereld van het hameren: gebruikt de mens een hamer, dan beschouwt hij dit ding allereerst niet als louter een stuk ijzer en een stuk hout, maar associeert hij dit met de wereld van het hameren. Op die manier laat de mens het zijnde (hamer) zijn betekenis hebben; het geeft het vrij op zijn wereld (het hameren). Door te handelen, door het zijnde vrij te geven op het zijn, is er in de alledaagsheid altijd al sprake van transcendentie, naar wereld. Het is meer dan een taalspel maar het vraagt wel veel van de taal als instrument.

De mens en zijn mogelijkheden

Sein und Zeit is tegelijkertijd een onderzoek naar de vrijheid: de vrije mens zou een open, toegankelijk wezen moeten zijn. Maar Heidegger constateert dat in realiteit, in de alledaagsheid, de mens juist niet vrij is; dat het zich niet realiseert dat het zich eigenlijk altijd al verhoudt tot mogelijkheid überhaupt. Deze onvrijheid heeft te maken met de anderen waarmee de mens doorgaans wordt geconfronteerd. In de alledaagsheid gaat de mens op in het leven zoals men het leeft. Heidegger noemt dit ‘het Men’ (das Man). Veel van zijn terminologie gaat gepaard met hoofdletter gebruik. Het Men dus, dat ontlast de mens, maar ontneemt tegelijkertijd haar individuele verantwoordelijkheid. In de openbaarheid wordt de mens afstandelijk en krijgt het leven een doorsneekarakter. “Zoals het hoort” wordt verheven boven wat gewaagd kan worden, en daardoor wordt het bekende verheven boven het onbekende. Sterker uitgedrukt is er sprake van nihilisme: de morele vraag “hoe moeten we leven?” komt in de alledaagsheid meestal niet ter sprake. De mogelijkheid van het niet-toepassen van techniek als een app is daarom overschaduwd door de niet-mogelijkheid gegeven vanuit de niet-vrijheid.

Tot zover het in-de-wereld-zijn van het Dasein, de vertrouwdheid van de mens met zijn alledaagse leven. Het in de wereld geworpen zijn. Een fenomeen waarin het eigenlijke bestaan, waarin de openheid voor het onbekende, voor mogelijkheid überhaupt, toch naar voren komt, is de angst. Het is niet de vrees voor een bedreiging, maar het wegvallen van de alledaagse, vertrouwde wereld. De mens kan op zo’n moment, waarop het gehele leven plotseling betekenisloos lijkt, terugkrabbelen naar zijn veilige, ingevulde leven. Het alternatief waar het Heidegger om gaat is echter de moedige stap om dit ‘niets’ niet uit de weg te gaan. De mens gooit het in dat geval ergens op, maar het weet niet precies wat het terug kan verwachten. Op dat moment is het Dasein aan zichzelf en de anderen vooruit: het richt zich op (in mogelijkheid gelegen) vrijheid in zijn eigen persoonlijke existentie. Maar deze mogelijkheid heeft nog geen realiteit, en is dus niet uit te houden. Bovendien is het volgens Heidegger zaak om, wanneer je een bijzondere mogelijkheid of een inzicht hebt verkregen, dit niet voor jezelf te bewaren, maar om dit terug te brengen in de samenleving.

De mens kan dus vrij zijn door mogelijkheid voorop te laten gaan, maar moet vervolgens iets van de zaak waar het om gaat (de open manier van leven die wordt nagestreefd, de vrijheid of mogelijkheid) terugbrengen in de wereld waar hij zich in eerste instantie tegen afkeert. Deze boodschap vertaalt Heidegger vervolgens in een tijdstheorie, waarin de open toekomst voorop gaat (door vooruit te lopen, de mogelijkheid überhaupt in), die toekomst vervolgens wordt teruggebracht in het verleden (het leven waarin de mens altijd al geworpen was, waar de geconcentreerde mens nu juist een levende traditie tot stand kan laten komen), en uiteindelijk in het heden de concrete realisatie van deze zaak gebeurt en de mens toevalt.

Het voorlaatste is het beeld dat ik voor me zie wanneer ik in de intro van de Mr. Bean filmpjes Rowan Atkinson op de grond zie vallen; in de wereld geworpen zijn, de mogelijkheden (nog) niet overziend maar als het even kan voorbij het nihilisme. En grappig om te weten dat “Vom Wesen des Grundes” een tekst uit 1928 is waarin Heidegger al vroeg aangeeft dat veel vragen zogeheten ‘funderingsvragen’ zijn; waardoor, waarom, doel, zin, vooronderstellingen en mogelijkheidsvoorwaarden. Heerlijke vragen die me vaak assisteren bij werkzaamheden waarin nieuwe mogelijkheden via een narratief ontstaan maar wel een beroep doen op iemands abstractieniveau van conceptueel denken.

De techniek

Heidegger beschreef zijn visie op techniek dus in ‘Die Frage nach der Technik’ , en acht jaar later in ‘Die Technik und die Kehre’. De strekking in het kort, en dit vraagt enig voorstellingsvermogen bij het lezen: wetenschap en techniek domineren in de westerse cultuur. Moderne techniek is geen neutrale kracht, maar een vorm van tevoorschijn vorderend ‘ontbergen’. Deze techniek stelt de natuur de eis, is dwingend, daagt haar uit en wil haar beheersen. Wij worden regisseur over de natuur zodat deze gehoorzaamt en ons levert wat wij nodig hebben. De wind uit vroegere tijden tot aan olie en fosfaten in deze tijd. Heidegger hanteert ook de term ‘bestellen’, waarmee hij aangeeft dat er niet alleen sprake is van een ‘ontbergen’ door ontsluiten en aan het daglicht brengen, maar dat er ook iets anders bevorderd wordt zoals het economisch voordeel. Het ‘ontbergen’ resulteert dus in een ‘bestellen’ van de natuur, de dingen én de mensen. Het resultaat is het bestand. Dit bestelde dient ook altijd en overal ter beschikking te staan voor een verdergaand bestellen. Volgens Heidegger dreigt het menselijke bestaan aan de heerschappij van de moderne techniek ten onder te gaan. De mens heeft behoefte aan een andere denkwijze, waarin de verworvenheden van wetenschap en techniek behouden kunnen blijven, zonder dat de mogelijkheid van een echt menselijk bestaan bij voorbaat opgeheven wordt. “Wie met de tram gaat hoeft niet te weten hoe die functioneert. Hij kan er op vertrouwen dat alles goed is berekend. Maar als je omringd bent door een leefwereld die zich in zo oneindig veel opzichten laat berekenen en je eraan gewend raakt dat je weliswaar niet alles precies begrijpt, maar weet dat anderen het begrijpen, zul je die zekerheid en garantie ook eisen waar je die eigenlijk niet kunt eisen: op het gebied van de waardeoordelen en de op grond daarvan te nemen beslissingen.” Ziedaar de ultieme en eigentijdse horizon van het zelfstandige denken; het algoritme gevoed van Ipadschool tot consumptief kuddegedrag. Werkelijkheden die geconstrueerd worden tegen zogeheten ‘open source’ en ‘cloud’ decors waar het algoritme de richting aangeeft en er geen menselijke verantwoordelijkheid aan te spreken is. Tegenover het technische denken waarin activiteit en controle centraal staan, stelt Heidegger het bezinnende denken dat vooral gericht is op authenticiteit en beleving. Een aspect waarmee hij zijn leerlinge Hannah Arendt sterk heeft beïnvloed.

In al ons technisch kunnen laten we keer op keer ook duidelijk de hiaten zien. We ervaren het als omissies in ons eigen denkvermogen wanneer een computer sneller denkt en zinspelen op een technisch vernuft dat onze soort uiteindelijk overbodig maakt, niet wetende dat we dat a priori zijn. De veelbetekenende uitspraak van Kojève ‘zonder de mens was het zijnde stom; het zou er zijn maar was niet het ware’ zit steevast in mijn geheugen gegrift.

Doen omdat het kan

Boven de deur van ons technisch laboratorium staat groot geschreven ‘doen omdat het kan’, maar nergens staat er iets geschreven over de verantwoordelijkheden die ermee gepaard gaan. Wie kennen de toegang tot het laboratorium? De farmaceut die ons de financiële maat neemt? De wapenhandelaar in vredestijd? De priester tijdens onze luchtledige wandelingen in het landschap van het afschrikwekkende nihilisme? Het drijfzand van de Google wijsheid? De techniek heeft ons zoveel moois gebracht maar het grootste geschenk is wellicht de illusie van maakbaarheid. Het kleine organisme dat ons momenteel op een schaal van Bijbelse proporties de maat neemt doorbreekt voor even die illusie. Voor heel even. En terwijl de app van Heidegger lichtjaren ver van ons verwijderd is denk ik onder de kastanjeboom in de tuin aan Schelling die zo mooi verwoordde dat de natuur in de mens haar ogen openslaat en maakt dat zij er is…

Afsluitend onderstaand een link naar een interessant artikel uit de hand van Ger Groot. Uit de Groene van november 1997 waarin Ger Groot o.a. reflecteert op uitspraken van Arnold Heumakers over Heidegger. Ik geeft enkele tekstuitsnedes als voorproefje;

‘Die andere kant is de duistere onmacht van het menselijk denken en doen dat het ‘liberale denken’ laat verdwijnen achter de illusie dat alle problemen in principe oplosbaar zijn en dat het denken dus uiteindelijk een vaste greep op de wereld heeft. ‘Het Verlichtingsidee’, zegt Heumakers, ‘gaat ervan uit dat de mens in principe heer en meester van de natuur is en nu voor de opdracht staat dat ook daadwerkelijk te worden. Daarbij vergeet het gemakkelijk dat er onoplosbare problemen zijn en dat menselijke ellende waarschijnlijk nooit geheel valt te elimineren.’

‘En op rekenmodellen en calculaties komt het toch steeds weer aan, wanneer de politieke en maatschappelijke lijnen worden uitgestippeld. In de calculatie is geen plaats voor het niet-berekenbare. En hoe volmaakt onze modellen ook zijn, steeds blijkt er weer iets aan te ontsnappen waardoor het doel uiteindelijk wordt gemist. Dat is in de hele utopische traditie zo gebleken, en zo is het nog steeds.’

‘Maar in een denken als dat van Heidegger gaat het om iets anders: om het inzicht dat alle pogingen tot beheersing uiteindelijk gedragen worden door iets dat niet van de aard van beheersing is, en ook niet tot de mens zelf behoort. Je kunt er geen “rekening” mee houden (in de zin dat je het zou kunnen berekenen), maar in je eigen denken zou je je er niet voor moeten afsluiten. Dat kan leiden tot een zeker voorbehoud ten opzichte van de wereld van de maakbaarheid, in het besef dat er altijd iets kan gebeuren dat volstrekt buiten iedere berekening valt.’

 ‘We leven in een technische wereld en ik ben daar een betrekkelijk goed functionerend wezen in. Het heeft geen zin je daartegen te verzetten, dat doet ook Heidegger niet. Zijn denken opent eerder een geestelijke ruimte, waarin je zou kunnen zien dat die wereld waarin je zo volmaakt functioneert ook nog iets anders is dan zij voorgeeft te zijn.’

https://www.groene.nl/artikel/het-fatale-denken-heidegger-in-holland

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *