Sterven als een polemist

Sterven als een polemist

‘Je verbeeldt je vrijer en onafhankelijker te zijn dan vroeger en het is zoo ver met je gekomen, dat je je z.g.n. eigen meeningen alleen met citaten uit den eeuwig citeerbaren Nietzsche kunt verduidelijken. Langzamerhand heb je je ontwikkeld tot een afgodendienaar zonder weerga en het interesseert mij nog maar te weten, of je zelf niet scherpzinnig en critisch genoeg bent dit in te zien (…)’ De dichter Dirk Binnendijk (1902-1984), de opponent van Menno ter Braak, schrijft in de veelvuldige wisseling van teksten met Menno ter Braak (de bekende ‘vorm of vent’ discussie) een kritische noot ten opzichte van ter Braak’s bemoeienissen met Nietzsche en ook zijn verhouding tot Eddy Du Perron.

In ‘Sterven als een polemist’, het tweede deel van de zeer uitgebreide biografie over Menno ter Braak (2001), heeft Léon Hanssen – de werkelijkheid getrouw- ook weer her en der plek ingeruimd voor de positie die Nietzsche in het intellectuele leven van ter Braak innam. De uiteindelijke en niet te voorkomen conclusie die ter Braak ten aanzien van zijn zelfbedachte ‘carnavalsmoraal’ al op relatief jonge leeftijd had getrokken verwoordde hij in zijn essay ‘Ondergang’: ‘Ik ben voorgoed alleen. Iedere gemeenschap die ik zal dienen, zal mij uitstooten. Ieder wezen, dat ik zal liefhebben, zal van mij vervreemden. Iedere gedachte, die ik zal uitspreken, zal verkeerd verstaan worden. Iedere daad, die ik zal volbrengen, zal onevenredig zijn aan de volheid der bedoeling. De diepte is de eenzaamheid…’ Toch was dat een beeld dat hem niet voldoening kon geven althans hij moet die eenzaamheid naast een werelds samenzijn hebben gewenst gezien zijn pogingen om zijn alleen zijn een tegengeluid te geven. Kende hij toen al de woorden die Nietzsche optekende in zijn Genealogie der Moral: ‘Welche große Philosoph war bisher verheiratet? Heraklit, Plato, Descartes, Spinoza, Leibniz, Kant, Schopenhauer – sie waren es nicht; mehr noch man kann sie sich nicht einmal denken als verheiratet. Ein verheirateter Philosoph gehört in der Komödie’? Wanneer geboorte en dood de gegeven twee banaliteiten van het leven zijn zou het huwelijk een goede derde zijn, volgens Nietzsches woorden. Maar was het ook niet Nietzsche zelf die het gevecht tussen het aardse karakter van het huwelijk en het ideale grotere van de allesdoorklievende eenzaamheid nooit heeft kunnen beslechten? We denken alleen al aan zijn geliefde Lou Salomé. Ter Braak op zijn beurt wordt geconfronteerd met een geliefde in Berlijn (Gerda Geissel) die een lichte dosis veronal heeft genomen hetgeen hem onmiddellijk de trein doet nemen waarin hij onafgebroken ‘Jenseits von Gute und Böse’ leest. De rode draad van die treinreis was wellicht de zoektocht naar gepast cynisme en humor om de tragiek tegemoet te treden maar dat bleek later toch anders uit te pakken, ondanks de ‘Jenseits”.

Er ontstaan verbanden tussen de grotere werken waaraan ter Braak zich laaft; Mann, Huxley, Gide en natuurlijk de verbinding in de persoon van Nietzsche. Het besef groeit dat het leven een spel, een wedstrijd is die met woorden wordt beslecht en al is de opzet niet de vernietiging, het spel uiteindelijk wel tot moord of suïcide kan leiden. Een voorspellend besef? ‘De personages van Huxley manifesteeren zonneklaar, dat de waarde van een menschelijk standpunt alleen bestaat in de kracht of de scherpte, waarmee het zich tegen andere standpunten weet te begrenzen, weet te verdedigen. In laatste instantie doen wij niets anders dan ons rechtvaardigen, omdat wij leven zoals wij leven; en daarom moeten wij anderen bestrijden, omdat zij zich ook rechtvaardigen. Zich rechtvaardigen is een vorm van strijden.’ Nietzsche vloeide hier zonder beperkingen in het leven en de gedachten van de nog jonge ter Braak. Ook een latere auteur als de Hongaar György Konrad trad in de voetsporen van Nietzsche waar hij deze rechtvaardiging verpakt in het antwoord op de individuele vraag naar de zin van het leven; de loop van de eigen geschiedenis van de vragensteller. Al ben je nog zo objectief met de waarheid bezig per slot van rekening brengt het de mens niet meer dan zijn eigen biografie, waren vrij vertaald de woorden van Nietzsche uit diens ‘Menschliches Allzumenschliches’. In het verlengde van deze gedachte interpreteerde hij ook de functie van literatuur. Als een woordkunst waarin de rechtvaardiging bij ter Braak zich voor het eerst als polemiek manifesteert hetgeen hij zelf duidelijk heeft verwoord in een brief aan Roland Holst (1931): ‘Voor mij is de polemiek (het zich-afgrenzen tegenover anderen, zoo concreet mogelijk, met name genoemd a.h.w.) niets anders dan een consequentie van het leven al “Wille zur Macht”, om Nietzsche’s term maar eens te gebruiken. Men moet leven, zus en niet zoo leven, en wie dat niet door vrijzinnigheid wil verdonkeremanen, leeft vanzelf polemisch.’ De vraag rijst of ter Braak hier ook gezien heeft hoe de polemiek an sich ook weer als een noodzakelijk masker kan fungeren nu de wereld om hem heen niet de warmte kan bieden waar hij met een grote waarschijnlijkheid een grote behoefte aan heeft gehad.

Albert Vigoleis Thelen, exil-auteur van het prachtige ‘Insel des zweiten Gesichts’ (dat in 2004 in een mooie Nederlandse vertaling verscheen, het origineel dat in 1953 bij van Oorschot verscheen staat in al zijn prachtige Duitse zinnen ook in mijn boekenkast), is een voorbeeld van een bevriende auteur die de tragiek van ter Braak zag en memoreerde. Hij zag hoe ter Braak de personificatie was van de mysticus die zegt ‘Entro los pucheros anda Dios’ (vertaald; ‘tussen de soepketels loopt God’) een wat niet alledaagse wijze om duidelijk te maken dat het Goddelijke in het alledaagse schuilt. Ter Braak liep in zijn dagelijkse leven ook tussen de soepketels en ontwaarde weliswaar geen God maar wel ‘goddelijke’ inzichten. Thelen vermeldt de figuur, de intellectueel ter Braak, dan ook niet voor niets meerdere keren in zijn ‘Insel’.

Wanneer ter Braak op 26 januari 1932 de levensgrens van dertig jaar bereikt haalt Hanssen het grote voorbeeld Nietzsche ook nog even aan. Het was immers Nietzsche die iets te melden had over de mens bij diens 30e jaar. In het kader van de mens die zichzelf dient te overwinnen, is de trede van het 30e jaar nog maar een beginstadium op het levenspad van de mensheid naar een hogere cultuur. (Hanssen laat dit op meerdere plekken in zijn vuistdikke biografie terugkomen). Ter Braak had er wel degelijk een gevoel, een associatie bij, zo’n getalsmatige grens die overgestoken wordt. Een leeftijd waarop hij (de woorden van Binnendijk indachtig) de grote filosoof die overigens nog niet ten prooi was gevallen aan de Nazi’s, naar binnen zoog en een prominente plek gaf op vele levensvragen waarmee hij rondliep. Bijvoorbeeld de liefde die hij als iets alledaags en plebejisch interpreteerde omdat elke voorkeur net zo goed ook een andere zou kunnen zijn. Overigens, al had de Christelijke kerk stevig te verduren gehad vanuit de pen van Nietzsche, de bevrijding van de seksuele moraal van het goddelijke instituut stuitte hem als ‘interessant-doenerij’ stevig tegen de borst. De soberheid paste hem en hij zag de seksualiteit graag in combinatie met heiligheidsidealen zoals zijn oom Menno Huizinga jr. dat al eens had gepropageerd.

De spanning tussen enerzijds de eenzame mens en de partij -het carnaval- anderzijds, blijft een rode draad in het leven van ter Braak. Ter legitimatie van de Nieuwe Zakelijkheid dat zich in de beginjaren dertig in kringen van intelligentia liet zien, wordt de filosoof met de hamer die de aarde trouwzijn predikte door ter Braak naar voren geschoven; Nietzsche, wars van religie, transcendentie, metafysica en kunstenaarsestheticisme kwam met veel kracht ten tonele. Na een willekeurig bezoek van een schilderijententoonstelling kreeg ter Braak veelvuldig een associatie met de kerk waarbij hij vrijelijk Nietzsche kon aanhalen; ‘alles wat verward en onzuiver is, jankt om diepte.’

Het jodendom, het antisemitisme, de Übermensch komen in de biografie ook aan bod. Ter Braak als antisemiet is een volkomen foute gevolgtrekking hetgeen Hanssen ook niet doet. Maar ook hij kan er niet omheen dat ter Braak op zijn eigen scherpe wijze ‘de Joodse’ wijze hekelt, bijvoorbeeld wanneer ter Braak in zijn “Friedrich Nietzsche 1844-1934. Misverstand omtrent zijn persoonlijkheid’ schrijft: ‘hij (Nietzsche) ziet echter tevens helder de grenzen en gevaren van dat bemiddelaarschap en is nooit de dupe geworden van het Joodsche aanpassingsvermogen, dat vaak den schijn aanneemt van originaliteit, terwijl het eigenlijk op cultureele ‘mimicry’ berust.’ Zowel ter Braak als Nietzsche blijven denkers die vanuit het perspectief van na ’45 op gespannen voet met het Jodendom schreven. Een ander perspectief dan in het interbellum. Maar, de titel van zijn artikel laat er geen onduidelijkheid over bestaan; ter Braak zag zeer scherp in die jaren 30 hoe de nazi’s zich ten ontrechte beriepen op de werken van Nietzsche omdat deze filosoof het tegenovergestelde had bedoeld. Ter Braak schrijft in zijn artikel: ‘Als er bij Nietzsche (…) van ras sprake is, dan veronderstelt dit ras de versmelting der rassen in een vereenigd Europa: alleen uit den Europeeschen massamensch kan de Uebermensch geboren worden.’ Ter Braak vond de rassentheorie in wezen volslagen idioot. In vele geschriften en presentaties maakte hij dat ook zeer duidelijk kenbaar. Hanssen besteedt veel aandacht aan het bezoek (en de aanloop er naartoe) in Sils Maria. Het is 1931 wanneer ter Braak samen met zijn aanstaande vrouw de reis maakt die –epigoon of niet- hem veel doet (een gewaarwording die ik kan onderschrijven). Hanssen maakt in deze biografie een paginalange uitstap om de wens van ter Braak toe te lichten. Het boek heeft twee katernen met gesatineerd papier waarop enkele van de toen gemaakte foto’s in de pracht van zwart-wit getuigen van dit ontspannen bezoek.

Nietzsche staat ook centraal in vriendschappen die hem omringen; Du Perron, Malraux, Greshof, Binnendijk en nog vele anderen. Nietzsche schoot wortel bij ter Braak in deze beginjaren dertig totdat de komst van Hitler en de Nazipartij in ’33 hem dwong zijn perspectief te verduidelijken. Zijn vrienden kenden zijn ongelimiteerde vereenzelviging met Nietzsche. Inmiddels echtgenote Antje Faber kreeg uit de mond van ter Braak te horen dat hij zijn leven wenste te beëindigen indien de Nazi’s in Nederland de dienst zouden gaan uitmaken. Een perspectief en latere werkelijkheid die Hanssen qua noodlot laat samenvallen met Nietzsche’s krankzinnigheid van grofweg een halve eeuw eerder. Alleen, ter Braak had geen ‘talent’ om gek te worden. De foto van de krankzinnige Nietzsche kon hem een brok in de keel geven. Een bij mij herkenbare emotie die ergens voortkomt uit de onuitwisbare, onrechtvaardig aandoende maar vooral onomkeerbare wereldse verschijning van de tragiek. ‘De tragedie van ter Braak was dat hij het symbool van de eenzame Nietzsche tussen de krantenpersen nodig had om zijn baan als ‘veramerikaniseerde’ journalist vol te houden en tegelijkertijd enige geestelijke vrijheid en zelfachting te bewaren’, schrijft Hanssen op pagina 205. Het compromis van de intellectueel die zich met de rug tegen de muur in het burgerlijke bestaan overeind houdt. Du Perron spreekt ter Braak op diens doorgeslagen burgermansbestaan aan en houdt hem zelfs voor dat Nietzsche het spel van ter Braak niet gespeeld zou hebben. De contouren tussen beiden tekenen zich op dit vlak wat sterker af maar ter Braak laat zich het vermeende conformisme over de rug van zijn grote voorbeeld niet welgevallen en gaat zelfs zo ver dat hij Nietzsche fictief posteert als redacteur van ‘Het Vaderland’. Hanssen neemt ons mee naar hetgeen tussen Du Perron en ter Braak afspeelt wanneer de identificatie met Nietzsche hoogtij viert: ’Voor ons (zonder pensioen van de universiteit Bazel) is het zaak, de eenzaamheid van Nietzsche tusschen de krantenphrasen te vinden. Zij moet daar evengoed te vinden zijn als in Sils Maria.’ De vereenzelviging wordt door Hanssen (een originele gedachte) omgedraaid door de levensloop van een nog jonge professor Nietzsche te spiegelen op het docentschap en levensloop van ter Braak (adres: Eibergen; Sils Maria Engadin-Zwitserland; Parijs). Ter Braak zelf vatte de stevige dialoog met zijn intellectuele evenknie samen met een bijna profetisch aandoende stelling: ‘Er is voor mij maar één werkelijk heroïsche consequentie van het onmaatschappelijke standpunt: de zelfmoord. Die beslist, of iemand zoozeer haat, dat hij eenvoudig de aanraking niet velen kan. Al het andere is hangen tegen de maatschappij aan, kleine gunsten voor haar verrichten en in de kleinheid van die gunsten en diensten een soort bevrediging zoeken.’ (Wat een tijdloze stellingname. De zelfmoord oplossing van Albert Camus die deze zelf alleen filosofisch heeft kunnen bereiken omdat een auto-ongeval hem voor was.) ‘Er is geen gedachte, die niet bestemd is om verloochend te worden’, zal ter Braak later alles relativerend schrijven.

Naarmate ter Braak zijn zoektocht naar zijn waarheid, kunst en intelligentie volgt krijgt zijn dualistische kijk op vorm en vent gestalte in Nietzsche contra Freud. Freud als de psycholoog die het gepresteerd heeft om heel Europa een ziekte aan te praten en Nietzsche die zich tot een kleiner publiek richtte met een ‘onbedrieglijke sensatie van vriendschap’. Zelf schrijft hij daarover: ‘Zelden stond een mens zoo uitgesproken volledig achter zijn philosophie, was een philosoof zoo volkomen menschelijk aanwezig in zijn stijl.’ Maar ook de hogere plek van de intellectueel met elitaire vooronderstellingen begon hem tegen te staan. Nietzsche maar ook het werk van Multatuli accentueerden bij hem de behoefte om vooral ook ‘gewoon’ te zijn. Een diepere geest als een toevallige lichamelijke conditie zonder allerlei allures met morele pretenties. In de ‘Politicus zonder Partij’ staat –als voorbeeld- ineens een ander soort zin dan voorheen die impliceert dat men ‘het geniale in den bekrompensten dorpsnotaris kan aantreffen’.

In juni 1934 komt Nietzsche ook nog een keer voorbij in een gesprek tussen ter Braak en Klaus Mann. De zoon van de ‘tovenaar’ Thomas Mann was met ter Braak o.a. in gesprek over een speciaal ‘Hollandnummer’ van zijn exiltijdschrift ‘Die Sammlung’. Dit tijdschrift dat onder auspiciën van Fritz Landshoff bij Querido verscheen, wilde geen platform voor enige vorm van politiek zijn, een reden waarom er toen ook geen Duitse uitgave met de titel ‘Politiker ohne Partei’ is gekomen. Tijdens een bezoek van Klaus met diens zus Erika (o.a. bekend van het politiek geëngageerde theatergezelschap ‘Die Pfeffermühle’) bij Menno en zijn vrouw Antje kwam Nietzsche tussen de ossenhaas en bloemkool op tafel. Klaus roemde Nietzsche bovenal om zijn literaire en taalkundige kwaliteiten maar vond de gedachten meeslepend maar ook gevaarlijk. Niets is pijnlijker dan een naïef Nietzsche-enthousiasme, dat ‘letterlijk neemt’ schrijft Menno ter Braak in een van zijn brieven aan Klaus Mann. Nadat de Duitse schrijver ‘Nietzsche contra Freud’ met ingehouden adem (Hanssen) had gelezen kon hij zich niet voorstellen hoe serieus ter Braak de geschriften van Nietzsche nam. Zou het misschien een rol hebben gespeeld in de scherpe pen die ter Braak gebruikte bij zijn bespreking van ‘Flucht in den Norden” dat in 1934 bij Querido verscheen? (Een boek dat overigens in 1986 fraai verfilmd is). Een boek waarin met name de erotische beschrijvingen ter Braak tegenstonden.

Wat zou een gemiddelde haptonoom van vandaag hebben gezegd over Menno ter Braak en diens hang naar het gedachtegoed van Nietzsche. Was het niet vooral het hoofd van ter Braak dat in de wolken van grote gedachten hing en andersom hij een sterke behoefte had aan een gevoelsmatige, poëtische, muzikale ja Dionysische invulling van leven en inzichten? De bevriende dichter Marsman heeft dit wellicht samen met anderen opgemerkt maar als een van de weinigen opgetekend zoals ik zelf tegen de dualistische en hoofse vriendschap tussen ter Braak en Nietzsche aankijk. Terecht merkt Hanssen ook op dat ter Braak weliswaar veel van zijn leermeester had opgestoken maar Marsman citerend ‘hij heeft het poëtische kunstwerk, in lijnrecht contrast met Nietzsche, nooit met hart en ziel ondergaan; hij mist er de zinnen en zenuwen voor’, wijst hij op de rationele benadering van ter Braak. Toch is enige nuance op z’n plaats; ter Braak was inderdaad niet de man van de roes (met ouders die principieel tegen alcohol waren) maar de roes die Nietzsche voor ogen had was in zijn ogen een roes die voortkomt uit een proces van zowel verhulling als onthulling. Geen anti-Dionysos dus maar een nuchtere Dionysos. Hanssen trekt hier terecht de conclusie dat we dan dus meer met Apollo van doen hebben, de God die de rationele nuchterheid en wijsheid als ook maat en orde vertegenwoordigt. Overigens was het wel dezelfde Marsman die na het verschijnen van ter Braak’s essaybundel ‘Het tweede gezicht’ (juli 1935) hem alle lof toewees door de ‘Politicus zonder Partij’ het enige Nederlandse werk te noemen dat in de schaduw van Nietzsche kon staan.

Hoofdstuk 18 van de biografie begint met de titel ‘De ezelsoren van een polemist’. Hanssen herhaalt nog eens hoe ter Braak vervuld was van de aforistische schrijfstijl van Nietzsche. Alleen deze grote Duitse denker en de Fransman Stendhal hadden hem niet teleurgesteld in hun aforismen. Bovendien waren het ook de aforismen die een groot contrast gaven met de lange preken die kerks Nederland destijds tekenden. Bovendien is de preek een uitdrukkingswijze waarbij een vooraf gestelde waarheid nog eens van alle kanten wordt belicht. Een wijze van communicatie waarbij een spreker een luisterend gevolg wil overtuigen van diens gelijk en diens waarheid en dus in scherp contrast staat met de aforistische wijze van denken en schrijven. Bovendien daagt Nietzsche uit door soms in grote paradoxen tot denken aan te zetten. De schijnbare tegenstelling als eenheid van onopgeloste tegendelen die meer wijsheid oplevert dan de perfecte sluitrede (zie hiervoor ook ‘Friedrich Nietzsche 1844-1934. Misverstand omtrent zijn persoonlijkheid’). De paradox was voor ter Braak evenwel niet de soms schokkende opmerking die Nietzsche kon plaatsen om een gesprek of tekst wat op te luisteren maar meer als uiterste consequentie van het woord als zodanig: ‘Wie al redeneerend de woorden tot het uiterste drijft, komt op een gegeven oogenblik tot de ontdekking, dat ieder begrip omslaat in zijn tegendeel: ‘zijn’ en ‘niet-zijn’, ‘waarheid’ en ‘onwaarheid’, al deze woorden houden op tegenstellingen te zijn.’ Schrijft hij op 17 maart 1935 in ‘Het Vaderland’. De paradox diende voor hem ook ingezet te worden om de lezer uit de ‘woordenslaap’ te halen en met een meer kritisch oog en oor al het ‘lallen van de intellectuelen’ te volgen. Ja ook hier (en nu, aan het begin van 2018) geldt weer sterk dat de geschiedenis zich blijft herhalen. Het was hem er om te doen dat er vanuit meer en betere keuzemogelijkheden (ethisch gezien) het leven niet zozeer een van boven- en buitenaf dwingend systeem is maar ook een ernstig spel dat met eigen keuzes gespeeld kan worden. Ter Braak verdedigde Nietzsche tegen hen die meenden hem te moeten veroordelen omwille van zijn paradoxen. Deel vier van de biografische studie sluit dan ook bijna af met de opmerking van Hanssen dat wie Nietzsche probeert te reduceren tot schema’s en ondubbelzinnige waarheden een denker overhoudt zonder nuancering en stijl. Een opmerking die ik ook al decennia als een ‘ondubbelzinnige waarheid als een koe’ hanteer. Want krijgt het denken niet een ontegenzeggelijke diepte en kracht wanneer het de tegenstelling opzoekt?

In hoofdstuk 23 maakt Hanssen gewag van de ontmoeting tussen Thomas Mann en Menno ter Braak in de zomer van 1939. Mann kwam ter Braak als een dolende Don Quichotte voor. Al moest het echte dolen voor Mann nog beginnen, het was vooral de benige verschijning die hem aan de Spaanse ridder deed denken. Op 19 juli ontmoeten de beide heren elkaar in aanwezigheid van Katja Mann, de vrouw van de Nobelprijswinnaar, op de trappen van het Mauritshuis in Den Haag. Ze waren het snel over een aantal Nietzscheaanse zaken eens waaronder de vaststelling dat de Zarathustra al tekenen vertoont van een ziekelijke hoogmoed. Het bezoek wordt twee dagen later voortgezet met thee op het terras bij het hotel in Noordwijk. De door Menno ter Braak uitgenodigde tekenaar Paul Citroen bijt zich helemaal vast in de trekken van het gezicht van Thomas Mann. ‘Wir wollen immer in Kontakt bleiben’ schrijft Mann aan ter Braak op 24 juli van dat jaar.

Nietzsche komt in de prachtige en gedetailleerde biografie nog een laatste keer voorbij op pagina 538 waar Hanssen er nog een keer op wijst hoe ter Braak op poëtische wijze probeert de tragiek van de enkeling in een gerationaliseerde wereld te aanvaarden. Door deze denkwijze en handelwijze plaatste hij zichzelf in het teken van de amor fati die Nietzsche zo vaak heeft genoemd in diens werken. Een creatieve destructie die ter Braak als enige uitweg van een nihilistisch wereldbeeld zag. Toch zou zijn eigen destructie niet het gevolg zijn van welk verheven, al of niet Nietzscheaans wereldbeeld maar van de dreiging van de stampende laarzen die zich, hoe groots en tragisch kan een contrast zijn, beriepen op dezelfde filosoof die al veertig jaar onder de grond rustte.

(N.b.: Een interessant werk dat beide denkers behandelt is de studie van Roger Henrard uit 1963: “Menno ter Braak in het licht van Friedrich Nietzsche”. Henrard behandelt in dit boek de invloed van Nietzsche’s denken op Menno ter Braak en specifiek hun beider strijd met o.a. het christendom. Alle bekende en grote begrippen uit de werken van Ter Braak en Nietzsche passeren in deze uitgebreide studie de revue. Ik heb het antiquarische en geplastificeerde exemplaar uit mijn kast weer eens ter hand genomen en na herlezing kan ik niet anders concluderen dat het een diepgravend en voor de beginjaren zestig vooruitstrevende studie is. De tekst is via de digitale bibliotheek van de Nederlandse letteren in te zien: http://www.dbnl.org/tekst/henr002menn01_01/henr002menn01_01_0002.php)

Voor meer info over Menno ter Braak zelf verwijs ik graag naar: www.mennoterbraak.nl

3 gedachten over “Sterven als een polemist

  1. Terwijl ik oliebollen aan het bakken was, heb jij dit stuk geschreven! Wauw! En misschien eet jij vandaag oliebollen terwijl ik deze ‘boekbespreking’ lees. Het aardse en het hogere verenigen. De discrepantie tussen kennen en kunnen. In diepte en breedte kunnen leven met zelfverwezenlijking én gemeenschapszin. Het verenigen van de paradox.
    Dankjewel voor de inspiratie!

  2. Geachte Heer Peters,
    Langs de omweg van het lezen van Roger Henrard’s studie over Menno Ter Braak, ben ik op Uw Site beland.
    Prachtige vormgeving voor boeiende inhoud.
    Ik bereid nu een reis voor naar Sils, dat ik al een paar keer bezocht, als top van een tetraëder met als basis Praag, Wenen en Berlijn, die samen een mooi inzicht bieden in de totstandkoming van wat de Moderniteit kan heten.
    Het treffende is de constante bevruchting, met de tijd, van denken in alle wetenschappelijke en culturele disciplines, en dat zulks in Sils, meer dan in de drie andere steden, voelbaar wordt.
    Uw bijdragen tonen de onuitputtelijke rijkdom aan steeds opduikende nieuwe werkvelden.
    Dank hiervoor.
    Ik blijf graag geïnformeerd telkens U uw site verrijkt.
    Hartelijke groet,
    Michel Flamée

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *