Hannah Arendt – denken

Hannah Arendt – denken

“The life of the mind” gaf Arendt haar boek als titel in 1971 mee. Een veel besproken boek van deze politieke denker die vanuit Duits/Joodse achtergrond een bijzondere relatie onderhield met Martin Heidegger waar ook al weer veel over geschreven, gepraat én gespeculeerd is. In het kader van dit blog ben ik nieuwsgierig naar de verwijzingen in haar boek “Denken” naar de denker Nietzsche.

Ze stelt dat de “God is dood” gedachte niet als eerste bij Nietzsche post vatte maar dat deze al bij Hegel ten uiting kwam en Kant in zijn “Kritik der reinen Vernunft” al de basis legde voor de rationalisatie van het religieuze gevoel. “God is dood” van Nietzsche behelst meer dan bij de andere twee denkers de afkeer van al het transcendente en een pleidooi voor het aardse. Arendt licht een passage uit de “Afgodenschemering” (Götterdämmerung) toe: “Het zintuiglijke, zoals ook de positivisten het nog begrijpen, kan de dood van het bovenzintuiglijke niet overleven. Niemand wist dit beter dan Nietzsche die met zijn poëtische en metaforische beschrijving van de moord op God, zoveel verwarring in deze aangelegenheden heeft veroorzaakt. In een veelzeggende passage in Afgodenschemering verduidelijkt hij wat het woord “God” in het oudere verhaal betekende. Het was alleen maar een symbool voor het bovenzintuigelijke domein zoals de metafysici dat begrepen; in de plaats van “God” gebruikt hij nu de uitdrukking “de ware wereld” en stelt hij: “wij hebben de ware wereld afgeschaft. Wat is er gebleven? De verschijnende wereld misschien? O nee! Samen met de ware wereld hebben wij ook de verschijnende wereld afgeschaft.” Een van de poten waarop Nietzsche’s felle kritiek op het Christendom stoelt. Leef het leven niet nu want o wee er staat u nog wat te wachten. De voortdurende en generatie overstijgende angst fabriek waar niet alleen de huidige evangelist maar ook de verzekeringsagent zich dankbaar door laat bedienen.

hannah-aredntArendt analyseert in haar “Denken” interessant verlichtingsdenken. Cogito ergo sum ziet ze als een misvatting die Nietzsche al eerder onderuit haalde (overigens evenals Kant: “Ik ben niet…kan niet bestaan: want als ik niet besta, kan ik me niet bewust worden van het feit dat ik niet besta). Wanneer ik lees hoe Arendt de werken van Hegel naast die van Nietzsche legt krijg ik het besef waarom Nietzsche zoveel meer spreekt, of liever gezegd tot de verbeelding spreekt. Het ego weet immers niet of de mens en de wereld werkelijk zijn dan wel een luchtspiegel maar de Grieks geschoolde Nietzsche weet wel dat alles “in leven” is, in een bijna voortdurende dronkenschap uit diens dualistische grootheden Dionysos en Apollo.

In het hoofdstuk “Mentale activiteiten in een wereld van verschijnselen” haalt Arendt in de context van de onzegbare, de niet mededeelzame denkwereld, de brief van Nietzsche aan Franz Overbeck aan: “mijn filosofie laat zich niet langer meedelen, in elk geval niet in druk.” Om deze gedachte kracht bij te zetten memoreert ze ook de uitspraak van haar leermeester en latere geliefde Heidegger waarin deze stelt dat “de interne grens van elk denken (…) is dat de denker nooit kan zeggen wat hem het meest eigen is (…) omdat het zegbare woord zijn bestemming ontvangt vanuit het onzegbare”. De in mijn ogen meest sprekende denker op het vlak van het onzegbare en de tekortkoming van de taal is Wittgenstein die het zo mooi verwoordde: “het resultaat van de filosofie is de ontdekking (…) van de builen die het verstand heeft opgelopen door zijn hoofd te stoten tegen de grenzen van de taal.”

Terug naar Nietzsche in “Denken”. Hannah Arendt ziet het gedachtegoed van Hegel om het denken met de werkelijkheid te verzoenen, als basis voor de “eeuwige terugkeer” of de “Amor fati” gedachte van Nietzsche. In mijn ogen een iets te gemakkelijk en ongefundeerd uitgangspunt. Had Nietzsche niet meer geleerd van de oude Grieken waarin hij het voor-Christelijke denken, o.a. in de vorm van de tragedie en het drama, leerde kennen?

“Ich will immer mehr lernen, das Notwendige an den Dingen als das Schöne sehen: – so werde ich Einer von Denen sein, welche die Dinge schön machen. Amor fati: das sei von nun an meine Liebe! Ich will keinen Krieg gegen das Hässliche führen. Ich will nicht anklagen, ich will nicht einmal die Ankläger anklagen. Wegsehen sei meine einzige Verneinung! Und, Alles in Allem und Grossen; ich will irgendwann einmal Nur noch ein Ja-Sagender sein.” (Fröhliche Wissenschaft)

(“Afgezien van de feiten” heet de bij Boom verschenen essaybundel van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman. Zij ontving op 24 november de “Spinozalens 2014”. Zij sloot de lezing over volwassenheid als volgt af: “Doen wat je kunt om jouw deel van de wereld meer te laten lijken op hoe het zou moeten zijn, zonder ooit uit het oog te verliezen hoe het in werkelijkheid is, is wat volwassen worden betekent.” Idealen versus realiteitszin, maar blijf de aarde trouw door ja te zeggen, altijd ja te zeggen, waar hebben we dat eerder gelezen?

Arendt was wellicht ook ergens geïnspireerd door de Heimat gedachte van Nietzsche. Ze gebruikt zeer treffend twee metaforen die me aanspreken; de wind voor het denken en het huis voor de veiligheid en geborgenheid. Wanneer het denken ophoudt kan het een bedwelmende nawerking hebben omdat je je onzeker voelt over wat je boven elke twijfel verheven leek toen je nog onnadenkend opgeslorpt werd in wat je aan het doen was. De wind gaat zogezegd liggen en de windstilte geeft iets “Unheimisch”.

denkenWat zet ons aan het denken? Al zag Arendt zichzelf meer als een politiek denker, ik zie in haar wel degelijk een filosofe pur sang wanneer ze bijvoorbeeld Shakespeare ten tonele voert met de vrije vertaling “ieder mens die goed wil leven spant zich in (…) om zonder geweten te leven”. Natuurlijk kunnen we haar gehele aanklacht en analyse van Adolf Eichman in deze context lezen en daarmee als een politiek standpunt, maar ik lees hier toch vooral ook een reflectie over Der Mann ohne Eigenschaften, die niet denkt, die toen opgroeide, door Musil ten tonele werd gevoerd en ook nu weer in grote getale de beeldbuis consumeert. “het enige wat hij moet doen is nooit beginnen met de geluidloze dialoog die we “denken” noemen, nooit naar huis gaan en nooit dingen onderzoeken. Dit is geen kwestie van verdorvenheid of goedheid, en al evenmin van slimheid of domheid. Iemand die geen weet heeft van deze stille omgang (waarin we onderzoeken wat we zeggen en wat we doen), zal er geen been in zien zichzelf tegen te spreken, en dit betekent dat hij nooit in staat noch bereid zal zijn om zich te verantwoorden voor wat hij zegt of doet (…). Van alle tijden, van alle plaatsen. Hoe houden we onze niet-gedachten veilig thuis en ontstaan er geen horden die een gemeenschappelijke noemer en deler vinden in elkaars herkenbare ressentiment?

In 1971 was “Der Wille zur Macht” nog niet van zijn valsheid ontdaan. Ook Hannah Arendt beroept zich daardoor op een werk dat nooit uit de handen van Nietzsche ontsproot al was de gedachte van deze “machtswil” wel uit zijn inzichten voortgekomen. Een andere wil en een andere macht welteverstaan dan Elisabeth Förster-Nietzsche de wereld wilde doen geloven.

“Denken” nodigt uit tot “willen”, het werk dat uitgeverij Klement in een goede vertaling door Dirk de Schutter en Remi Peeters ook gezamenlijk aanbiedt. Bij Bol wordt het boek als “moeilijk” betitelt. Arendt blijft echter populair en wanneer je haar leest dan wens je een eigentijdse Arendt die vanaf een grote hoogte met een scherpe blik over de Europese gronden van de 21e eeuw vliegt. Gewoon geduldig lezen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *