Een religieuze Wolf…?

Een religieuze Wolf…?

Wat is 80 jaar op de eeuwigheid? In 1934 liepen er honderden banden “Nietzsche als religieuze persoonlijkheid” van Dr. Herman Wolf, van de bandzetmachine bij Drukkerij Sijthoff in de Leidse Doezastraat. Na lezing een kleine doorn in het scherpe oog van Menno ter Braak en nu bij het lezen, acht decennia na het verschijnen, vallen de woorden van Wolf mij ook redelijk strak en kordaat op het bord. Maar niettemin getuigend van een Nietzsche-kennende en Nietzsche-zoekende veertiger in de woelige intellectuele jaren van zijn leven. Eruditie die ver reikte en een rijk ontwikkelde kennis van de Duitse literatuur liet zien.

Wolf analyseert de persoon Nietzsche in diens diepste wezen en komt langzaam tot een conclusie die menig Nietzscheaan destijds (en wellicht ook nu) verbaasd zal hebben doen staan; de prediker van “Gott ist Tot”, als een religieuze persoonlijkheid neerzetten, dat getuigt van moed. En toch sluit het aan bij mijn eigen visie: de boswachter die eerst stroper was, of in dit geval eerder andersom. Via een heldere analyse zet Wolf uiteen hoe bij Nietzsche polaire elementen zijn leven vullen: zijn eigen goedheid en zachtheid versus de verkondigde hardheid en strijdbaarheid, het pleidooi voor de ware vriendschap terwijl Nietzsche zelf veel eenzaam doolde tussen Duitsland, Zwitserland en Italië (Weh dem, der keine heimat hat!), zijn hang naar sterke individualisten terwijl zijn eigen leven vol conventies zat, de prediker van de Antichrist die zelf een enorme gevoelsdrang naar mysterie had en tenslotte de samenvattende tegenstelling tussen het Prometische en het Dionysische. Voor menig lezer zal een woord van een schrijver pas waarde krijgen indien hij/zij er zelf naar leeft. Daar mag geen discrepantie zijn, maar waarom niet? Ik ken veel schoenmakers die hun vak uitermate goed verstaan en zelf met gaten in de zolen lopen. Ook een voormalig huisarts die helaas te vroeg overleed, gaf mij menig gezond advies tussen de fles en de sigaret door. Hoe saai zijn consequente mensen in hun voorspelbaarheid?

herman-wolf

We gaan terug naar Wolf. In zijn essay beschrijft hij hoe Nietzsche geen blasfemie wilde bedrijven en zonder spot of hoon de dood van God aankondigde. Uit “der Tolle Mensch” spreekt inderdaad een bloedserieuze Nietzsche die de trouw aan de aarde predikt tijdens de zoektocht naar zin en doel met een open einde. Hij is niet blij of gelukkig met de vermoorde God. Hij wijst zelfs de schuldigen aan: u en ik!

Wolf neigt in zijn essay naar een totaalbeeld over Nietzsche en roert bijvoorbeeld ook de “komedie” van waarheidsvinding aan. Maar ook de slavenmoraal gebaseerd op wrok aan de hand van Balzac’s uitspraak: “Het ligt in de natuur van den mensch dat te verwoesten, wat men niet kan bezitten, dat te loochenen wat men niet begrijpt en dat te beleedigen wat men benijdt.”

In 1934 toen het essay verscheen, was Hitler aan het stijgen op de ladder van internationaal aanzien. Inderdaad was hij als een van de grootste staatsmannen aller tijden ingegaan indien hij in 1938 bij een aanslag om het leven was gekomen. Helaas nam de geschiedenis een andere wending. In dit “Umfeld” was Wolf een scherpe analyticus die los van zijn Joodse afkomst, een luis in de politieke pels was van het opkomende nationaal socialisme en de Nederlandse NSB. Hij neemt in zijn essay een duidelijk standpunt in en weet dat Elizabeth (ik moet ineens denken aan Nietzsches bijnaam voor haar: Lama) de boel zeer politiek verdraaide en ook het overdrachtelijke taalgebruik zeer letterlijk op een presenteerblaadje aan de nazi’s overhandigde.

bergbeklimmer

Wolf weet dat Nietzsche een moedige bergbeklimmer is maar noemt hem zelfs een overmoedige bergbestijger. Wanneer vermomt moed zich als overmoed of andersom? Ik moet denken aan het prachtig geconstrueerde “Spieltrieb” van Juli Zeh, waarin ze ergens terloops opmerkt: “Alle Wege führen zur Erkenntnis der Nichtigkeit aller Dinge, aber keiner führt zurück.”. Geen brandweer die je met de ladder uit een boom haalt waarin je wel omhoog durfde te kruipen maar de weg naar beneden niet meer aandurft. Die duizeligheid had ik als kind regelmatig terwijl de top van de boom vervaarlijker heen en weer zwierde in een opkomende herfstwind…

Het dualisme dat zich in het Prometische versus het Dionysische manifesteert, kon zich niet anders uiten dan in de absolute waanzin waar Nietzsche in 1889 in verdween, aldus Wolf. Ik heb het al honderden keren gelezen in verschillende beschrijvingen; het hondje dat Nietzsche in Turijn nog eens aaide, het paard dat hij om de hals vloog en zijn laatste brieven die hij met “Der Gekreuzigte” ondertekende. Dat laatste moge inderdaad op een religieuze persoonlijkheid duiden in een wereld die nog niet klaar is voor een alle conventies overstijgende persoonlijkheid in de lege vlakte waarin Nietzsche zijn Übermensch positioneert. Een mens die verder in de ontwikkelingsfase is en alle Christelijke leer en dogmatiek van zich af heeft geschud. De mens als het meest onverklaarbare dier dat in de metafysica, de kennende fysica en de religie geen troost meer kan vinden, zocht zijn weg in de soms mythische kunst. Hoe willen we dat na hem nog begrijpen? Wij, de kennende analyticus en consequente homo logicus? Zacht neurie ik: “Singe mir ein neues Lied: die Welt ist verklärt und alle Himmel freuen sich.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *