De nederigheid van het willen volgens Hannah Arendt

De nederigheid van het willen volgens Hannah Arendt

“Willen” en “Oordelen” zouden samen het tweede deel moeten gaan vormen in “Het leven van de geest”, vooraf gegaan door “Denken” (zie korte bespreking december 2014). Een week voordat ze overleed, voltooide Arendt haar uitgebreide onderzoek naar het willen, de Wil, in al zijn verschijningen en filosofische reflecties vanaf de Grieken, het Christendom, de Middeleeuwen, de Scholastici en de moderne tijd van Nietzsche en Heidegger. Het boek behandelt meerdere groten der aarde maar waarbij enkelen specifiek te noemen zijn; Aristoteles, Plato, Augustinus, Paulus met de “Brief aan de Romeinen”, Thomas van Aquino, Scotus Duns, Kant, Nietzsche, Bergson en haar heimelijke liefhebber en geliefde Martin Heidegger.

willen-coverIs er een weg waar een wil is? geven de vertalers als motto voor hun inleiding mee. Vertalers (Dirk De Schutter en Remi Peeters) leveren een knap staaltje werk met het vertalen van de zinnen uit het werk van Arendt. “Willen” is een significant moeilijker boek dan “Denken” en dat komt niet alleen door een hogere abstractievorm. Als lezer wordt je als het ware meegenomen in de complexiteit waar de denkers zich door de eeuwen heen voor gesteld zagen. En het heeft er alle schijn van dat de thematiek dit aureool van ontoegankelijkheid zal blijven behouden. De terminologie en de daarmee gepaard gaande tekortkoming in onze taal (en daarmee bedoel ik niet het Nederlands of Duits of Engels, maar veeleer de taal als communicatievorm an sich), maken het niet altijd gemakkelijk om Wil, Drift, Begeerte, Instinct als separate grootheden naast elkaar te zien, laat staan de Christelijke interpretatie van de wil en aanwendingen als “Zo God het wil”.

Arendt geeft ruim baan aan de plaats van de contingentie wanneer we de vrijheid van het willen in de geschiedenis van de filosofie bestuderen. De vermeende vrije wil, die ook in onze huidige tijd weer op de agenda staat, komt regelmatig langs en voor diegene die zich daarin interesseert is deze studie uit de begin jaren ’70 een must. En zoals altijd zoek ik met mijn zaklantaarn en mijnwerkershelm in de krochten van dit boek naar de sporen van Nietzsche. En die zijn er volop!

We gooien de dobbelsteen en als eerste komt voor mij boven: “Als ik noodzakelijk moet willen, waarom zou ik dan hoe dan ook nog over een wil spreken?” Een uitspraak van Augustinus. Je zou er aan toe kunnen voegen “over een vrije wil moeten spreken”. De toetssteen van een vrije daad is het gegeven dat we het ook niet hadden kunnen doen. Waar te beginnen om de vrijheid en de verschijning van de wil te tonen? Arendt begint maar eens te graven bij Aristoteles. Alles wat kan zijn maar ook niet zou kunnen zijn, wat gebeurd is, maar ook niet had kunnen gebeuren, is volgens Aristoteles het toeval oftewel accidenteel dan wel contingent. Er bestaat geen noodzaak. Vooruitlopend op wat ze later in haar studie verder onderzoekt, stelt Arendt al wel redelijk voor in haar boek dat een niet-vrije wil een contradictie is, tenzij men het wilsvermogen begrijpt als een puur ondergeschikt orgaan dat uitvoert wat de begeerte of het verstand zich voorgenomen heeft. Dat Aristoteles redelijk snel tot deze premisse overgaat getuigt al enigszins van een beperkte kijk op een wezenlijke ontologische studie. In de Middeleeuwen maar zeer zeker met Hegel in het vizier komt de vrijheid van de wil dan ook in een helder, transparanter perspectief te staan. Nietzsche komt al gauw langs wanneer we deze materie nader beschouwen. In de domeinen van het zijn en het worden zoals de oude Grieken deze interpreteerden, is het logisch dat zij de wil weinig autonomie toebedeelden. Ik las dit ook terug in de beschouwingen van Joke Hermsen en het komt weliswaar verhuld maar wel zeer actueel in de media voorbij wanneer het over het lidmaatschap van de Grieken in de Europese monetaire unie gaat. De toekomst ligt achter ons, het determinisme stuurt ons een weg op die we alleen maar hebben te gaan.

augustinusDe wil krijgt een geheel andere context wanneer de tijd uit haar cyclische gedaante wordt omgetoverd in een lineaire beleving; het verleden achter het heden en de toekomst voor het heden. En om ergens te beginnen bedacht Augustinus de historische woorden: “Opdat er een begin zij, is de mens geschapen.” (het doet me ook denken aan Feuerbach’s uitspraak in “Het wezen van het Christendom” dat de mensen God hebben geschapen in plaats van andersom, maar dat terzijde.) In de lineaire tijdsbeleving komt de (vrije) wil op een andere plek te staan. De Christelijke leer vertelt over het eenmalige sterven van Jezus en ook ons eenmalige leven. Hoe de Christen na zijn dood zal voortleven is afhankelijk van zijn aardse leven, zijn keuzes die hij maakte met zijn vrije wil als instrument. Het “ik wil” wordt een “ik kan” en dat impliceert keuzevrijheid die beloond of misschien bestraft kan worden. Voila, het “gij zult” is geboren.

Op pagina 39 breekt Arendt haar eerste lans voor de denker Nietzsche. Ze illustreert zijn weerstand tegen de vrije wil aan de hand van de eeuwige wederkeer uit de Zarathustra. Maar ze schrijft in deze begin jaren ’70 ook expliciet hoe Nietzsche door bijna elke intellectueel, decennialang verkeerd gelezen werd en pas in de studies en boeken van Jaspers en Heidegger enigszins in het juiste perspectief kwam te staan. En ook nu, in 2015, is dat perspectief bijzonder interpretabel want het blijft onomstotelijk een feit dat Nietzsche zoals Arendt ook al opmerkte, geen Nietzscheanen kent, zoals er wel Kantianen of Hegelianen zijn. In strikte zin heeft Nietzsche geen invloed gehad op de filosofie, maar in niet-strikte zin, ontegenzeggelijk veel! Hij dacht, filosofeerde, maar bouwde geen denksystemen. Logisch dus dat hij ook in een reflexie over de (vrije) wil veelvuldig voorbij komt en mij het gevoel maar blijft bekruipen dat de voortgang in de tijd geen voortgang of verdieping over deze materie heeft gebracht.

Terug naar het boek. Arendt haalt Nietzsche adept en kenner Jaspers aan: “Ik moet willen omdat ik niet weet. Het Zijn dat voor kennis ontoegankelijk is, kan alleen aan mijn wil geopenbaard worden. Het niet-weten is de oorsprong van het moeten-willen.” Voor Jaspers wordt de menselijke vrijheid gewaarborgd doordat we de waarheid niet kunnen bezitten. Zouden we haar wel bezitten dan zou ze alleen maar dwingend aanwezig zijn en is alle vrijheid weg. Wie herkent het niet, zou ik willen zeggen. Bestaat er een waarheid zonder het denken? Bestaat er een waarheid zonder het willen?

Hobbes en Spinoza komen langs. Van Hobbes citeert ze de gedachte dat de wil “…een houten tol is die door jongens wordt aangezwiept, dan weer eens snel zal draaien en dan weer eens tegen een menselijk scheenbeen zal aanbotsen.” En van Spinoza de gedachte dat een steen die door een of andere uitwendige kracht in beweging wordt gebracht zichzelf volkomen vrij zou “voelen” en denken dat hij alleen in beweging blijft omdat hij dat “wenst”, in de veronderstelling dat hij zich bewust is van zijn eigen streven (en in staat om te denken!). Met andere woorden, die vrije wil is lariekoek, de mens is subjectief vrij en objectief genoodzaakt. Als we deze “noodzakelijke” wil moeten geloven valt elke slechte daad te rechtvaardigen, een discussie die tot aan de dag van vandaag voort gaat.

In het verlengde van deze eerste haarscheurtjes over de vrije wil haal ik hier twee uitspraken aan van latere denkers. Van Henri Bergson: “Krachtens haar pure feitelijkheid, werpt de werkelijkheid haar schaduw tot in een oneindig ver verwijderd verleden; het lijkt alsof ze voorafgaand aan haar verwerkelijking bestaan heeft in de modus van de potentialiteit.” Een prachtig vergezicht. En van de Schotse Franciscaan Johannes Duns Scotus komt de uitspraak die Arendt later in het boek terug laat komen wanneer het over de contingentie gaat: “Zij die de contingentie ontkennen zouden moeten worden gefolterd, tot ze toegeven dat ze het mogelijk achten niet gefolterd te worden.” 

ciceroIn de ring waar de voorbestemming wordt beslecht, laat Arendt twee denkers uit de geschiedenis het met elkaar opnemen; Cicero en Hegel. De eerste verdedigt een klassieke “bewijsvoering” die een fatalistische kijk geeft op de wil: “wanneer je ziek wordt, is al voorbestemd of je wel of niet zult genezen, ongeacht of je een dokter roept of niet, maar of je wel of niet een dokter roept, is uiteraard ook al voorbestemd.” Of ik het een bewijsvoering zou willen noemen durf ik te betwijfelen maar het tekent de gedachte van het determinisme pur sang. Daar staat tegenover dat Hegel al het gebeurde, in “die Ruhe der Vergangenheit”, een rustgevend perspectief plaatst. Een rust die gewaarborgd wordt door het feit dat wat tot het verleden behoort, niet meer ongedaan kan worden gemaakt en dat de wil “niet achteruit kan willen” (uitspraak van Nietzsche). Het “Nu” is voor Hegel een leegte, het voltooit zichzelf in de toekomst, de toekomst is zijn werkelijkheid. Volgens de logica van Hegel is het Nu evenzeer een Zijn dat verdwijnt (overgaat) in het niet-Zijn wanneer de toekomst het Nu is. In een andere context zou je kunnen stellen dat het Nu dus nooit bestaat omdat verleden en toekomst in een voortdurend continuüm aan elkaar vastgeplakt zitten. Ik zie de tijdbalkjes nog voor me die mijn onderwijzer op het bord tekende; pleistoceen, Middeleeuwen, industrialisatie…

Andersom gezegd, aan het eind van je leven waar het verleden begint omdat de toekomst verdwijnt, kan het denkende ego zich heerlijk verliezen in reflecties en in de rust van het verleden zich verlost zien en voelen van elke angst om te moeten willen, om te moeten kiezen. Geen passie meer, geen ambitie te vervullen, een Oblomov-ervaring. “Die Gewesenheit entspringt in gewisser Weise der Zukunft” schreef Heidegger later. In aanvulling op “Stop de tijd” van Joke Hermsen citeer ik een klein stukje van Arendt: “Zonder de mens zou er misschien wel beweging en vooruitgang zijn, maar geen tijd. En er zou evenmin tijd zijn indien de menselijke geest enkel voor het denken toegerust zou zijn, voor reflectie over het gegevene, over wat is en niet anders zou kunnen zijn; in dat geval zou de mens mentaal in een altijddurend heden leven. Hij zou zich niet kunnen realiseren dat hij er ooit niet was, en dat hij er op een dag niet meer zal zijn, dit wil zeggen hij zou niet in staat zijn te begrijpen wat het voor hem betekent om te bestaan.” Ik zou er aan willen toevoegen dat de mens dit instrument van denken wel moet hanteren omdat hij er anders nooit uitkomt waarom er überhaupt niet Niets is maar altijd wel het “Iets”.

In hoofdstuk 2 vervolgt Arendt de wil zoals deze plaats kreeg bij de Middeleeuwse denkers. Ze refereert veelvuldig aan Meister Eckhart die een onderscheid maakte tussen de neiging en de wil. Als religieus denker werd dit al gauw “de neiging tot de zonde en de wil tot zonde”. “Indien ik nooit kwaad deed, maar het kwaad alleen wilde….dan is dit een even grote zonde als wanneer ik alle mensen zou hebben vermoord, ook al had ik niets gedaan.” Vreemde gedachten die hun oorsprong duidelijk verraden.

aristotelesWe volgen Arendt in haar boek en lopen weer tegen Aristoteles aan. Hij ziet de keuzevrijheid als een station tussen rede en begeerte. Ik heb keuzes, als ik al moet vechten dan kan ik het moedig en laf doen (Plotinus), als ik een pistool op mijn hoofd gericht zie kan ik het geld wel of niet afgeven. De keuze bemiddelt tussen wil en verstand. In grotere lijnen: niemand kiest er voor om gelukkig te zijn, wel om de omstandigheden daarvoor te kiezen, bijvoorbeeld door wat geld te verdienen of risico’s te lopen met als uiteindelijk doel gelukkig (denken) te worden. Wanneer de keuze, deze bemiddelaar, in twijfel blijft steken voelen we ons als de ezel van Buridan die links en rechts een identieke hooibaal ziet en maar niet kan kiezen en daardoor sterft van de honger. Ik heb het zelf minder bij hooibalen maar wel bij een bezoekje aan een winkel waar de keuzestress mij wel eens met een lege tas doet verzuchten en ik later achter een glas wijn mijn weifelende houding probeer te begrijpen door er over na te denken. Dat denken, stelde Arendt al in het gelijknamige werk dat eerder van haar verscheen, is als een “geluidloze dialoog” tussen mij een mezelf, een fenomeen dat evenzogoed bewustzijn genoemd kan worden. “Deze denkende dialoog tussen mij en mezelf heeft enkele in eenzaamheid plaats, wanneer we ons teruggetrokken hebben uit de wereld van de verschijnselen – waar we in de regel samen zijn met anderen en verschijnen als één, zowel voor onszelf als voor de anderen.”

Apostel Paulus krijgt ruime aandacht in het boek. Ik herinner me maar al te sterk hoe Nietzsche deze apostel als een verfoeilijk historisch figuur in meerdere teksten heeft neergezet. In “Morgenröte” krijgt hij er stevig van langs: “Alle Welt glaubt noch immer an die Schriftstellerei des “Heiligen Geistes” oder steht unter der Nachwirkung dieses Glaubens: Wenn man die Bibel aufmacht, (…) liest man sich hinein und sich heraus. Dass in ihr auch die Geschichte einer der ehrgeizigsten und aufdringlichsten Seelen und eines ebenso abergläubischen als verschlagenen Kopfes beschrieben steht, die Geschichte des Apostel Paulus, -wer weiß das, einige Gelehrte abgerechnet? (…) Dass das Schiff des Christentums einen guten Teil des jüdischen Ballasts über Bord warf, dass es unter die Heiden ging und gehen konnte, – das hängt an der Geschichte dieses einen Menschen, eines sehr gequälten, sehr bemitleidenswerten, sehr unangenehmen und sich selber unangenehmen Menschen (…) Dies ist der erste Christ, der Erfinder der Christlichkeit! Bis dahin gab es nur einige jüdische Sektierer. Maar goed, diezelfde Paulus krijgt dus een grote bühne in “Willen”. In zijn “Brief aan de Romeinen” stelt Paulus “dat juist wanneer ik het goede wil doen, dwingt het kwade zich aan mij op, want indien de wet niet gezegd had “gij zult niet begeren”, dan zou ik van de begeerte geen weet hebben”. Het is dus het gebod, de wet, dat alle soorten van begeerte opwekt. Zonder de wet is de zonde dood. Hoe vaak herhaalt het fenomeen zich niet in de streng gelovige gemeenschappen, ook heden ten dage? De brief handelt dus over het feit dat de wet niet kan worden vervuld omdat de wil om de wet te gehoorzamen een andere wil activeert, die van de zonde welteverstaan. Die ene wil is nooit zonder die andere. De gehoorzaamheid an sich valt moeilijk af te leiden uit de prediking van Jezus zelf. Er zal dus altijd een “Gij zult’ aan toegevoegd moeten worden. Als er helemaal geen “zonde” in iemand zit, is er ook geen wil of bewustzijn over die wil nodig, sterker nog niet eens een “Gij zult niet”. Bepaal dus eerst de zonde, de begeerte, de zwakte en presenteer dan de macht die deze krachten in toom houden; het geloof in een autoriteit. De woorden van Paulus maar ook in “Job” zijn op voorhand onfilosofisch want “wie ben jij dat je God wilt tegenspreken?” en “ik heb zonder inzicht gesproken, over dingen, te wonderbaar voor mijn begrip.” Een houding die de Talmoed ook niet vreemd is want “De man die over de vier volgende zaken nadenkt, ware beter nooit geboren: wat is boven? Wat is onder? Wat was voordien? Wat zal er nadien zijn?”

kluwen-dradenWanneer Paulus verdwijnt komt er ruimte voor Thomas van Aquino (“de wil dient het verstand”, versus “het verstand dient de wil” van Duns Scotus). Deze Thomas sla ik hier over want ik wil wat eerder naar de plek van Nietzsche in de gedachtes en woorden van Arendt. In Nietzsches wil tot macht wordt de waarheid zelf begrepen als een functie van het levensproces; wat wij waarheid noemen, zijn die beweringen die we absoluut nodig hebben om verder te kunnen leven. Niet de rede, maar onze wil om te leven maakt de waarheid dwingend. Daar wordt het interessanter, zeer zeker wanneer je ook beseft dat Arendt een van de eerste intellectuelen was die “Die Wille zur Macht” ontzenuwde als een uitgave van Nietzsches zus, de “Lama” (naar Nietzsche) uit Naumburg en later Weimar. In de aanloop naar nog meer Nietzsche haalt Arendt de “contingentie-specialist Scotus nog maar eens aan. Met “contingent” bedoelde deze niet iets wat niet noodzakelijk is (let op de dubbele ontkenning) of niet altijd heeft bestaan, maar iets waarvan op het moment dat het daadwerkelijk plaatsvindt, ook het tegenovergestelde zou kunnen plaats vinden. Of met andere woorden, zodra het toevallige heeft plaatsgevonden, kunnen we de draden die het tot een gebeurtenis hebben verknoopt, niet meer ontrafelen – alsof het nog evengoed kon zijn als niet-zijn. In de zoektocht naar de noodzakelijkheid van het gebeurde zou er een conflict kunnen ontstaan met de vrijheid van de wil. Echter de wil kan niet achteruit willen (naar Nietzsche), vandaar dat het altijd het verstand is dat zich met de waarom vraag rond het gebeurde bezighoudt. In deze context verliest de wil dan ook zeker ook zijn discutabele vrijheid wanneer de wil overgaat in de daad.
Nietzsche en Heidegger zijn in “Willen” de grootste voorbeelden van de post-Kantiaanse en moderne Duitse denkers. Arendt citeert een aforisme uit Der Wille zur Macht waarin Nietzsche een vorm van heimwee beschrijft die de Duitse filosofie naar zijn oordeel heeft, naar de voor-Socratici. “Langs de kerkvaders terug naar de Grieken…” De negatie van de vrije wil legt Arendt transparant uit aan de hand van de twee-in-een gedachte die elk willend wezen kent; het willende en het gehoorzamende. Door het willende boven het gehoorzamende te plaatsen, krijgt het ego een superioriteitsgevoel, een gevoel van…macht. Het weerstand biedende “ik” en het triomferende “ik” als de bron van de macht van de wil. We komen hier op een lastig en vaak verkeerd uitgelegd principe waarin de wil tot macht, het Ja-zeggen tegen het leven boven elk nihilisme en de eeuwige wederkeer van het gelijke, enigszins bij elkaar komen. Nietzsche hoopte alleen dat er voor deze “zwaarste” gedachte een mens zou kunnen komen voor wie deze gedachte licht en zalig zou kunnen zijn, inderdaad een voorbij-mens, een over-mens, een Übermensch. De dichter Nietzsche doet zijn intrede en neemt de lezer mee in zijn poëtische wijze van kijken in de wereld van de verschijnselen. Arendt citeert, en ik op mijn beurt

golven“Hoe gulzig komt deze golf eraan, alsof er iets te bereiken viel! Hoe kruipt zij met angstaanjagende haast de diepste hoeken en gaten van de rotskloof binnen! …het lijkt wel of daar iets verborgen ligt wat waarde, grote waarde heeft. En nu komt zij terug, iets langzamer, nog steeds helemaal wit van opwinding, – is zij teleurgesteld? Heeft zij gevonden wat zij zocht? Doet zij maar alsof zij teleurgesteld is? – Maar reeds nadert een andere golf, gulziger en woester nog dan de eerste, en ook haar ziel schijnt vervuld van geheimen en van begeerte naar schatgraverij. Zo leven de golven – zo leven wij met onze wil….Doe maar zoals u wilt, overmoedigen, brul maar van lust en boosaardigheid – of duik weer onder – ….en werp jullie oneindig wit gespat van schuim en bruisen weg. – Ik vind alles goed, want het staat u allemaal zo goed en ik heb het beste met u voor….Want….ik ken u en uw geheim, ik ken uw geslacht! U en ik, wij zijn immers van één geslacht! U en ik, wij hebben immers één geheim! De wil geniet van het willen, zoals de zee geniet van de golven die zij zelf voortbrengt. De mens wil nog liever het Niets willen dan niet te willen; “ Lieber will noch der Mensch das Nichts wollen, als nicht wollen….(de laatste zin uit de Genealogie der Moral).

Dat je maar beter met het leven op goede voet kan staan komt zeer duidelijk tot uiting in het gedachte experiment (en geen theorie of hypothese zoals bijvoorbeeld weer eens werd geopperd door André Klukhuhn in het TV programma “Boeken” (8 maart) als bewijs dat er bij Nietzsche toch een steekje los zat), van de demon die je achtervolgt met de vraag of je dit leven nog eens ontelbaar vaak zult moeten gaan leven. Ik citeer uit “Die Fröhliche Wissenschaft” maar hou het toegankelijk voor de niet-Duitse lezer met een vertaling door Pé Hawinkels:”Als jou nou eens, op een dag of een nacht, een demon achterna sloop tot in je eenzaamste eenzaamheid en tegen je zei: “Dit leven, zoals je het thans leeft en geleefd hebt, zul je nog eens en nog ontelbare malen moeten leven; en er zal niets nieuws aan zijn, maar iedere pijn en iedere lust en iedere gedachte en verzuchting en al het onzegbaar kleine en grote van je leven moet terugkomen, en wel allemaal in dezelfde rang- en volgorde – ook deze spin, ook dit maanlicht tussen de bomen, ook dit ogenblik en ik zelf. De eeuwige zandloper van het bestaan wordt telkens weer omgedraaid – en jij ook, stofje van het stof!” – zou je je niet plat ter aarde werpen en tandenknarsend de demon vervloeken, die zo praatte? Of heb je ooit zo’n onbeschrijflijk ogenblik meegemaakt, waarop je hem zou antwoorden: “Je bent een God, en nooit hoorde ik iets goddelijkers!” Wanneer die gedachte je in haar macht zou krijgen, ze zou je, zoals je bent, veranderen en misschien vermorzelen; de vraag bij alles en iedereen: “wil je dit nog eens en nog ontelbare malen?” zou als de grootste nadruk op je handelingen liggen! Of op hoe goede voet zou je moeten staan met je zelf en het leven, om naar niets meer te verlangen dan naar deze uiteindelijke eeuwige bevestiging en bezegeling?” De wil komt in een oneindig perspectief te staan. Een perspectief van een cyclische gedachte waarin je helemaal niets meer te willen hebt en elk handelen als uit een causaal verband ontstaat waarin alles zich herhaalt. De golf en de demon brengen ons samen de gedachte dat het willen alleen vooruit kan, de regressie van het water niet meegerekend want dat is de kracht waar de energie van de beukende golf uit verdwenen is, en dat dit spel zich oneindig herhaalt in allerlei vormen. Of om het in een eigentijdse uitdrukking te gieten: “Go with the flow…”

Haar voormalduineser-elegienige docent Heidegger en Henri Bergson krijgen een plaats in een afsluitende conclusie. Ze belicht o.a. het Anaximander essay dat Heidegger in zijn stille periode na de tweede Wereldoorlog publiceerde: “In het willen ontmoeten we onszelf als wie we eigenlijk zijn.”Afsluitend, omdat ik anders doordraaf, wil ik graag de grote dichter Rilke aanhalen die de vertalers helaas met een foute interpunctie hebben opgenomen in de vertaling van “Willing”. Hier met de juiste interpunctie, Umlaut- en hoofdletter gebruik, de laatste strofe uit de negende Elegie uit de “Duineser Elegien” (antiquarische uitgave van 1939):

Erde, ist es nicht dies, was du willst: unsichtbar

in uns erstehn? – Ist es dein Traum nicht,

einmal unsichtbar zu sein? – Erde! unsichtbar!

Was, wenn Verwandlung nicht, ist dein drängender Auftrag?

Erde, du liebe, ich will. Oh glaub, es bedürfte

nicht deine Frühlinge mehr, mich dir zu gewinnen, einer,

ach, ein einziger ist schon dem Blute zu viel.

Namenlos bin ich zu dir entschlossen, von weit her.

Immer warst du im Recht, und dien heiliger Einfall

ist der vertrauliche Tod.

Siehe, ich lebe. Woraus? Weder Kindheit noch Zukunft

weder weniger…..Überzähliges Dasein

entspringt mir im Herzen.

De nederigheid van de wil ten opzichte van de wereld – geen theorie die de poëzie evenaart…. Gewoon lezen dit boek “Willen”, of je het nou wil of niet! Of zoals Joke Hermsen stelt: “We willen Hannah Arendtscholen in plaats van Ipadscholen! Dus denken, dromen, leren, verbeelden, verdiepen en docenten die mooie verhalen vertellen.”

Eén gedachte over “De nederigheid van het willen volgens Hannah Arendt

  1. Inderdaad, geen Ipad-, Google- of internetkennis. Dat begrenst jaar op jaar je eigen creativiteit. Hadden we nu maar een Hannah Arendt!

    Jasper L.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *