Das Buch gegen den Tod

Das Buch gegen den Tod

Du sollst nicht sterben’, schreef de in Bulgarije geboren denker, schrijver én atheïst Elias Canetti in 1942, een gedachte als een fictief eerste gebod waarmee God de mensheid als het ware uitdaagt. Het zou een mooie titel geweest kunnen zijn voor zijn “Buch gegen den Tod”.

Canetti streed met het doodgaan als zijn ultieme vijand. Na zijn dood, een gegeven dat hij nu na zijn overlijden onomstotelijk zou bevestigen als hij daartoe in staat zou zijn, liet de doodsstrijder een flink aantal aantekeningen achter dat voor meerdere familieleden en redacteuren een monnikenwerk opleverde; de reeds gepubliceerde aforismen over de dood er uit filteren en alle overige samen tot een boek samenstellen. De dood als onderwerp geeft meer dan 2000 pagina’s dus een selectie is geboden.

das-buch-gegen-den-todDas Buch gegen den Tod’ (in een pocketuitgave van Fischer altijd nog goed voor ruim 330 pagina’s) neemt de lezer mee door de jaren 1942 tot 1994, het jaar waarin Canetti als 89-jarige in Zürich sterft. De dood als obsessie maakt het moeilijk om er met een filosofische afstand naar te kijken maar desalniettemin weet Canetti af en toe rake zinnen aan het papier toe te vertrouwen. Dat deed hij overigens altijd met meer dan een dozijn goed aangeslepen potloden op maagdelijk papier. Het doet me aan Robert Walser denken, de Zwitser die een onvoorstelbare hoeveelheid potlood aantekeningen op verschillende papiertjes achterliet. Voor Canetti waren deze potloden bijna onderdeel van zijn soms messcherpe overdenkingen, gereedschap dat zichzelf als een wezenlijk onderdeel in die gedachte had getransformeerd. Potloden met macht, een gedachte die hij in 1966 als volgt noteert; ‘Ich bin nicht mehr da, ich bin tausend Stifte, ich mag nicht wissen, was sie schreiben, ich will mich auflösen in ihre Bewegungen, die ich nicht mehr verstehe.’

Wat komt er in al die jaren aan aantekeningen voorbij en waar doorkruist Nietzsche de lijnen van zijn potloden? Grofweg zie je een aantal categorieën in de aantekeningen; de moordende mens, het verder leven van de doden in de herinneringen van de overlevenden, de dood in de mythes, de dood in exemplarische wereldgebeurtenissen, de dood als onderdeel van een anti-religie, de dood en dieren (tegenover de dieren zijn we allemaal Nazi’s, herinner ik me ergens van hem te hebben gelezen), de dood en de denkers, dood en taal en tot slot zijn reflecties over de dood in zijn privé leven. De dood in de context van religie en oorlog heeft mijn bovengemiddelde interesse, en ja, dan kom je in zijn strijd tegen de dood voldoende prachtige overdenkingen tegen. Zoals de nihilistische vaststelling dat oorlogen omwille van hun eigen bestaan worden gevoerd. Niet om een eiland, hoeveelheid grond, geld en macht, maar louter omwille van de strijd zelf. De moord die niet uit passie of om een zak vol geld gaat, maar de daad als een zichzelf rechtvaardigend fenomeen. Dat hebben we maar te accepteren.

“Es sind die Stunden, die man allein ist, die den Unterschied zwischen Tod und Leben ausmachen”, schrijft hij in 1947. Wat heeft hij er mee willen zeggen? Een naoorlogse vaststelling of een opwerping vanuit een persoonlijke ervaring? Een jaar later komen zijn potloden Nietzsche tegen (overigens zie voor de verhouding Nietzsche-Canetti ook mijn bijdrage van 5 mei 2015). Ik laat Canetti even aan het woord: ‘Nietzsche kann mir nie gefährlich werden: denn jenseits von aller Moral ist in mir ein ungeheuer starkes, ein allmächtiges Gefühl von der Heiligkeit jedes, aber auch wirklich jedes Lebens. Daran prallt der roheste wie der raffinierteste Angriff ab (…) Ich anerkenne keinen Tod (…). Alles Sterben bis jetzt war ein vieltausendfacher Justizmord, den ich nicht legalisieren kann. Was kümmert mich massenhafte Präzedenzfälle, was kümmert mich, daß nicht ein einziger von immer her lebt! Nietzsches Attacken sind wie ein giftige Luft, aber eine, die mir nicht anhaben kann. Ich atme sie Stolz und verächtlich wieder aus und bedaure ihn für die Unsterblichkeit, die seiner wartet.’ Hij heeft Nietzsche duidelijk voor zich als de moraal overstijgende nihilist. Het is 1948…

canetti-2Canetti heeft voldoende van Nietzsche gelezen en begrepen om zelfs zijn stijl in de inkt van Nietzsche te dopen, al waren het dan ook potloden… De aantekeningen over de dood betreffen maar al te vaak de belofte van het hiernamaals waar religies in grossieren. In talrijke aforismen komt het thema weer terug. In 1953; ‘Es ist eine entsetzliche Friedlichkeit, die über einen kommt, wenn mehr und mehr um einen fallen. Man wird ganz passiv, man schlägt nicht mehr zurück, man wird ein Pazifist im Krieg gegen den Tod und hält ihm die andere Backe und den nächsten Menschen hin. Daraus, aus dieser Ermattung und Schwäche schlagen die Religionen ihr Kapital.’ Drie jaar later spreekt hij zijn ongenoegen uit over de priesters van welke religie dan ook die uit hun eigen onmacht en niet-weten de doden ergens naar toe manoeuvreren in de hoop dat ze niet meer terugkeren en ze ‘daar’ aan gene zijde blijven. Goed beschouwd een goedkope manier van troost waar niet meer op teruggekomen kan worden. En dan is er alleen voor hen die erin geloven een mooi plekje!

Naast de goden en priesters komen de dragers van andere ‘religies’ zoals Hitler en Stalin ook aan hun trekken. Bijna met de armen hopeloos naar de hemel reikend verhaalt Canetti in 1962 over zijn vraag of zijn vijandschap tegenover dit soort machthebbers misschien een vorm van jaloezie is, zoals Nietzsche een soort van ‘Eifersucht’ jegens God doorleefde. Een merkwaardige vraag die in al zijn retorische gedaante natuurlijk ontkennend beantwoord dient te worden; de dood, het doden als daad, staat tussen de vijand van de dood en de dictator die over leven en dood beslist. De karakterologische discrepantie tussen de boswachter en de stroper die zijn strikken plaatst. Aantekeningen die hij met een kritische noot richting Hemingway laat volgen alsof je pas een man bent indien je hebt gedood. Tegenover die gedachte stelt Canetti de ‘mannelijkheid’ van de twijfel over het doden, een twijfel die is doodgeslagen wanneer het moorden tot een mechanisch ritueel overgaat. Canetti is Jood die in de opkomende Nazi-periode diende te vluchten en heeft uiteraard de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog voor zijn ogen wanneer hij met de dood en het moorden vecht. Niet dat de dood van een enkeling minder ernstig voor hem is, de dood is een onherroepelijk verschijnsel en is voor elk mens een even groot tragedie of hij nu onderdeel van een collectief is geweest of niet. De boven al aangehaalde Robert Walser schreef er al eens over in zijn “Frau Scheer” die door Canetti in een aantekening uit 1967 wordt aangehaald: ‘Es ging mit ihr ja doch zu Ende, und es muß mir niemand sagen wollen, das Schlachtfelder und sonstige Schrecknisse schrecklicher und erschreckende seien als eines jeden beliebigen Menschen Ende. (…) und jede Stube, wo ein Toter liegt, ist ein tragische Stube, und in keinem Menschenleben fehlte je die erhabene Tragödie

nietzsche-canetti

In 1971 komt Nietzsche weer even voorbij wanneer Canetti schrijft over de morele regels. Hij geeft er blijk van dat hij de morele regels waarvan hij bezeten is (welke laat hij even buiten beschouwing maar ‘gij zult niet doden’ zou er uiteraard perfect in passen) nog wel het meeste wantrouwt. In die zin vindt hij het overboord zetten van elke moraal zoals Nietzsche dat gedaan zou hebben, zeer ongepast. Hier gaat hij naar mijn oordeel te kort door de bocht. Het was voor Nietzsche niet even ‘overboord zetten’. Het was onderdeel van een verder optuigen van ons mens zijn en de grote woorden van Nietzsche ten spijt deed hij zelf geen vlieg kwaad. Een schreeuwende pacifist die de mens overdrachtelijk als een ongedefinieerd dier zag dat zichzelf steeds door lijden en strijd overwint. Die niet doodt om het doden van het zwakkere an sich. Canetti leeft in 1971 misschien nog teveel tussen en in de nevel die rondom de uitgaven van Nietzsche hangt. De grotere Nietzsche interpretatoren moeten dan nog aan het werk of zijn er druk mee doende.

Wat een obsessie was het einde voor Canetti. Niet dat er een hypochondrie aan ten gronde lag maar wel zijn vroege confrontaties met de dood (ouders en echtgenotes). De zogeheten lafheid van de dood die ervoor zorgt dat die geliefde er tussenuit piept. De dood als entiteit dat buiten ons ligt, buiten het domein van het eigen bestaan dat er weliswaar niet is wanneer je er zelf nog bent en dat er wél is wanneer je dat niet-zijn niet ervaren kunt zoals tevens voor je geboorte. Wat een uitvinding, die dood, een staaltje van een goddelijk doordenken totdat hij vlak en plotseling voor je staat als het niet om je eigen dood gaat; verdriet, woede, onmacht. Canetti levert strijd met zijn eigen dood, dat maakt zijn aantekeningen ook zoveel interessanter en nogmaals ook omdat hij de objectieve reflectie ondanks zijn obsessie niet uit het oog verliest. In 1979 vind ik het volgende dat ik spreekwoordelijk met potlood onderstreep: ‘Welchen Wert hat die Vergangenheit, um die du dich bemühst, wenn es keine Zukunft gibt? Oder kann man die Vorstellung dieses Flusses in der Zeit ein für allemal abstellen, aus dem Kopf kriegen? Vorstellung einer Zeit, die wie ein Raum ist, mit Windrichtungen, ohne Fluß.’  We zouden haast vergeten dat we hier spreken over de auteur van enkele prachtige boeken zoals “Die Blendung”, “Die gerettete Zunge” en uiteraard zijn tijdloze “Masse und Macht”, een schrijver die in 1981 volkomen terecht de Nobelprijs voor de literatuur ontving.

De haat-liefde verhouding met Nietzsche zie ik in 1986 nog een keer voorbijkomen. Canetti is een oude man van 81 jaar en levert een strijd met Nietzsche zoals zovelen hebben gedaan. Vroeg of laat moeten we allemaal onze positie innemen. Hij spreekt zelfs over een toenemend wantrouwen jegens Nietzsche en schrijft als volgt: ’Mein Mißtrauen gegen Nietzsche, meine Abneigung, mein Widerwille, werden von Jahr zu Jahr erhärtet. Aber ich kriege mich nicht dazu ihn anzugreifen, indem ich mehr von ihm zitiere. Ich schrecke vor seinen Worten in meiner Schrift zurück, als wären sie infektiös. Ich halte ihn für einen offenen und verborgenen Liebhaber des Todes.’ Wie spreekt/schrijft hier? Is het de oudere en mildere man die weet dat naarmate de jaren vorderen zijn vijand dichterbij komt? Is het de man die als zovelen niet om Nietzsche heen kan, de denker die als een reusachtige eik in de weg blijft staan en bovendien nog eens vraagt om hem vooral niet te volgen in zijn mogelijkerwijs ‘infectieuze’ gedachten?

‘Das Buch gegen den Tod’ is een tijdloos document dat terecht in vele talen is verschenen. Ook in het Nederlands en wel in de privé domeinreeks. Zie ook een korte recensie van 11 juni jongstleden in de Volkskrant door Persis Bekkering:

http://www.volkskrant.nl/recensies/het-verzet-tegen-de-dood-is-canetti-s-levenskracht~a4317718/

canetti-op-kerkhof

Canetti weet hoe absurd zijn strijd met en positie ten opzichte van de dood, zijn eigen dood, is. In 1989 noteert hij tegen zichzelf pratend als een finaal resumé: ‘An deiner Gesinnung hat sich nicht das leiseste geändert. Aber wie willst du Sie rechtfertigen? Deine Ablehnung des Todes ist nicht absurder als der Glaube an die Auferstehung, der das Christentum seit zweitausend Jahren trägt.’ En twee jaar voor zijn eigen dood schrijft hij nogmaals en overdenkend ‘Ich komme allmählich darauf daß nichts vulgärer, banaler, trivialer, demagogischer ist als mein Kampf gegen den Tod. Ich habe begonnen, mich dafür zu schämen, führte ihn aber unverdrossen weiter.’ Niet schamen Canetti! Je woorden en overdenkingen zijn en blijven actueel. De toenemende welvaartsziekten, ons ouder worden en de strijd die we daarmee voeren, de wegglijdende mens die niet meer bewust is van zijn eigen onmenselijk bestaan, de discussie over de eigen gekozen dood wanneer het leven niet meer uit zichzelf verder wil en de voortlevende discussie over het wel/niet vrijwillige karakter van het donorschap; leven en dood zijn levend aanwezig in de actualiteit van de moderne mens die aan gene zijde van zijn mens zijn aan een machine knutselt die een eigen existentie overbodig maakt, althans als het aan de ontwikkelaars zelf ligt. Zoveel mogelijk niet zelf doen tot het ultieme overbodig zijn van ons soort. Hoe de aarde doorleeft zonder ons? Prima toch. Wie heeft wie nodig? De aarde ons, nee toch?

In de NRC van vandaag schrijft Marjoleine de Vos in haar column over de roeitocht naar later die we als Grieken ruggelings plegen te doen. Een vraagteken is misschien op zijn plaats want deden we het maar zo. Zoals de Grieken op het snijvlak van de tijd die voor ons ligt (westers) en de toekomst die altijd achter ons ligt (oosters) een bijzonder tijdsopvatting hebben waar geen Eckhart Tolle tegenop kan. Het nu is al beleefd, je hoeft het alleen maar te volgen. De dood als continu gezelschap? Ja, hij is altijd in potentie aanwezig, dat maakt ons zo kwetsbaar en strijdvaardig naar de volgende dag, maand, jaar. Een strijd die Canetti niet meer hoeft te voeren. Gelukkig liet hij een bundel vol levendige overpeinzingen over het niet-leven na. Voor wie het Duits niet zo beheerst is er geen reden meer om de aantekeningen tegen de dood niet tot zich te nemen. Serieuze literatuur, jazeker, maar soms ook voorzien van een vleugje relativerende humor en voor niemand van ons inhoudelijk als overbodig te betitelen.

Eén gedachte over “Das Buch gegen den Tod

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *