Archief van
Categorie: Uncategorized

Nagelaten fragmenten (2)

Nagelaten fragmenten (2)

We vervolgen de Nachlaß (deel 1) in de winter van 1870/1871. Na zijn 26verjaardag schreef Nietzsche: ‘An meinem Geburtstag hatte ich den besten Philologischen Einfall, den ich bis jetzt gehabt habe’, zonder verder in zijn brief aan zijn vriend Erwin Rohde te duiden wat hij precies bedoelt. We weten dat hij zich bezighield met uitstapjes naar de wetenschap, ritme en de metriek die, zoals hij in een andere brief memoreert, zijn verschrikkelijke reis naar Naumburg heeft vergezeld. Aan zijn andere vriend Gersdorff schrijft hij dat hij ook met een eigen wereldbeschouwing bezig is. Iets met Dionysos en Apollo. Uit de bibliotheek van de universiteit leent hij o.a. ‘Die Religion des Buddha und ihre Entstehung.’ Een leer- en leesgierige professor die zich daar tussendoor ook moet concentreren op zijn lesgeven en pedagogiek. In een brief aan Cosima Wagner heeft hij de trots van de mens boven het dier aangehaald wanneer zij zelf schrijft; ‘Das einzige worauf der Mensch stolz sein kann, ist die Freiheit des Geistes, das einzige das ihn über das Thier erhebt: ihm diese Freiheit verkürzen oder benehmen, is arger noch als ihn kastrieren.’ Tijdens wandelingen met zijn collega en nestor Jacob Burckhardt komt Arthur Schopenhauer en diens filosofie veel ter sprake. Je zou rustig kunnen zeggen dat het alles bij elkaar nogal gonst en broeit in Nietzsches hyperactieve bovenkamer.

Franz Overbeck

De theoloog Carl Albrecht Bernoulli die in deze tijd studeerde bij Nietzsches intieme vriend Franz Overbeck, en ook later in een tweedelige biografie de vriendschap tussen Nietzsche en Overbeck heeft beschreven, herinnert zich nog hoe de colleges in Bazel verliepen. Zelfs bij een matig zonnetje moesten bij de colleges van professor Nietzsche de zonweringen naar beneden vanwege diens gevoelige ogen. In de lessen begon Nietzsche altijd direct met het onderwerp zonder al te veel geklets eraan voorafgaand. Een college over een oude Griekse denker kon wel ineens onderbroken worden door een algemene vraag aan een student die uit het niets ineens het lokaal vulde: ‘Nun sagen Sie mir einmal, was ist ein Philosoph?’ Ook de protocollen van de universiteit volgde hij niet altijd even nauwgezet of hij bedacht spontaan methodes om vanuit een pedagogisch standpunt de stof op een andere wijze tot de student te laten komen.

De Indogermanist en taalonderzoeker Jakob Wackernagel heeft ook zijn herinneringen aan de docent Nietzsche uit die jaren. Hij weet in 1908 nog te memoreren hoe het niveau van de lessen bij Nietzsche op het gymnasium ver boven het gemiddelde uitstaken. Nietzsche heeft op hem een onuitwisbare indruk achtergelaten, de gebaren en de uitstraling tijdens de les; ‘(…) alles Triviale war bei ihm ausgeschlossen; diese Empfindung hatte jeder.’ Maar toch wist de hoogleraar hem later op de universiteit niet te boeien, het was te veel een monoloog over bijvoorbeeld Plato waarbij Wackernagel pas later heeft begrepen dat de kloof tussen student en docent veel te groot was.

Wanneer we in hoofdstuk 8 van de Nachlaß beginnen te bladeren is het ook veel ‘Grieks’ wat de klok slaat; Plato, Aristoteles, Archilochus (die hij later de dionysisch-appolinische kunstenaar noemt), Socrates, Epimenides en Hesiodus, om er maar enkele te noemen. Kunst, wetenschap en filosofie vormen zijn triangel. In punt 3 van aforisme 13 schrijft hij over de corrigerende invloed die het weten heeft op de wereld en noemt het zelfs de ‘waanvoorstelling van de wetenschap’. En iets verder haalt hij de noodzaak van de waanvoorstelling aan. Het zijn bouwsels die later nog uitgewerkt moeten worden: ‘de logica als kunstzinnige aanleg, zij bijt zichzelf in de staart en laat de wereld van de mythe open’.

Ik maak een sprongetje naar hoofdstuk 9 waar Nietzsche in een wat langer aforisme (42) zijn zienswijze over het toneel, het drama, ontvouwt en dan met zijn jonge maar zeer kritische blik en scepsis. Want is de tekst van een Shakespeare of Schiller wel weer te geven, beter weer te geven al is het door de beste acteurs, dan wanneer we de woorden zelf tot ons nemen door ze alleen vanaf de pagina te lezen? ‘Het lukt niet: want ook uit de mond van de toneelspeler die met de grootst mogelijke innerlijke overtuiging speelt, klinkt een diepzinnige gedachte, een vergelijking, ja eigenlijk elk woord ons nog als zwak, slap, ontheiligd in de oren: we geloven niet in deze taal, we geloven niet in deze mensen, en wat ons anders als diepste wereldopenbaring raakte, is nu een maskerade die ons weerzin inboezemt.’ Het esthetisch genieten komt volgens hem ons allereerst als morele verheffing tot uiting waarmee hij impliceert dat we kunst pas kunnen begrijpen vanuit een morele verheffing. Hij stelt dus dat het een morele eis is die we aan onszelf stellen die ons over het genieten van kunst beslist waardoor we uiteindelijk Shakespeare of wie dan ook, beter en zuiverder tot ons kunnen nemen vanuit het geschreven woord dan vanuit het opgevoerde drama.

We maken weer een sprong en wel naar hoofdstuk 10 dat uit slechts één tekstfragment bestaat, maar dan wel elf pagina’s lang en in de vertaling vijftien. Het behelst een fragment uit de ‘Geboorte van de tragedie’ die hij in de eerste weken van 1871 schrijft. Het is een uitnodiging aan de lezer, student of wie dan ook die de combinatie van het apollinische en dionysische heeft begrepen en door Nietzsche wordt uitgedaagd het Helleense leven als verschijningsvorm te begrijpen, en wel als voorbereiding voor de geboorte van het genie. Hier lezen we al iets over wat later de Übermensch zou gaan worden. Het is de mens die zonder dat hij het door heeft een kunstwerk is, die tegenover het genie staat, niet de vervolmaking van de mens, maar de mens die zijn ultieme lustervaring beleeft in zijn droom, in zijn niet-zijnde Zijn. Als een opkomende zon, een morgenrood zoals een van zijn boeken later zal gaan heten. Ik citeer: ‘De mensheid mag, samen met alle natuur die als haar moederschoot moet worden voorondersteld, in deze ruimste zin als de voortgezette geboorte van het genie worden bestempeld: vanuit dat ontzaglijke alomtegenwoordige gezichtspunt van het oer-ene is op elk moment het genie bereikt, de hele piramide van de schijn tot aan haar top volmaakt. Wij, met de beperktheid van onze blik en binnen het voorstellingsmechanisme van tijd, ruimte en causaliteit, dienen tevreden te zijn als we het genie herkennen als één onder vele en na vele mensen; we mogen al gelukkig zijn als we hem zelfs maar herkend hebben, wat in wezen altijd alleen toevallig kan gebeuren en in tal van gevallen vast en zeker nooit is gebeurd.’ Nietzsche verklaart zijn visie verder vanuit de ‘niet-wakende en dromende mens’ (apollinisch) en de dionysische als ‘de in volstrekte zelfvergetelheid met de oergrond van de wereld eengeworden mens’. In de voorlaatste pagina waar Nietzsche de ‘waardigheid’ van de mens in twijfel trekt wanneer hij over de ‘militaire oerstaat’ van de mens reflecteert, staat nog een mooie zinsnede die ik graag hier aanhaal: ‘(…) ieder mens heeft, met alles wat hij doet, slechts waardigheid voor zover hij bewust of onbewust werktuig van de genius is, waaruit meteen de ethische consequentie kan worden getrokken dat de ‘mens op zich’, de absolute mens, noch waardigheid, noch rechten, noch plichten bezit; alleen als volledig gedetermineerd wezen dat onbewuste doelstellingen dient, kan de mens zich voor zijn bestaan excuseren.’

In februari 1871 roemt hij in een ‘voorwoord aan Richard Wagner’ (de relatie tussen beiden was op dat moment zeer vriendschappelijk), het Griekse karakter van de kunst. We lezen dan inmiddels in hoofdstuk 11. Heinrich Heine aanhalend breekt Nietzsche hier als zo vaak later, een lans voor de Griekse kunstuitvoering en opvatting. Niet het ‘gemakzuchtig sensualisme’ met de verlokkende begrippen als doorzichtigheid, helderheid, beslistheid en harmonie, maar een Griekse opgewektheid in de Griekse kunst die allesbehalve vlak en oppervlakkig is. Hij schrijft vervolgens zeer beeldend: ‘(…) en in dit verband zou ik de besten onder hen in overweging willen geven dat het hun misschien vergaat als die mensen die een blik werpen in het helderste, zondoorschenen zeewater en in de waan verkeren dat de zeebodem zo dichtbij is dat ze hem met hun hand zouden kunnen aanraken. Ons heeft de Griekse kunst geleerd dat er geen waarlijk mooi oppervlak zonder vreesaanjagende diepte bestaat.’

Het is inmiddels ergens midden 1871 wanneer de teksten die in hoofdstuk 16 gegroepeerd staan door Nietzsche worden geschreven. In 16.6 lezen we tussen zoveel moois in deze literair/filosofische snoepwinkel een zin met betrekking tot de kunst die me aanspreekt nadat hij het spanningsveld tussen kunstenaar en niet-kunstenaar aanhaalt en tot probleem verheft want wat is een kunstzinnig oordeel? ‘De dichter is alleen mogelijk bij een publiek van dichters. Een publiek dat rijk aan fantasie is. Het is als het ware hun stof, waaraan hij vorm geeft. Het dichten zelf is alleen maar prikkeling van en leiding geven aan de fantasie. Het eigenlijke genot bestaat uit het produceren van beelden aan de hand van de dichter (…) De mythe leeft aldus voort doordat de dichter zijn droom overdraagt. Alle wetten van de kunst hebben betrekking op het overdragen.’ In enkele aantekeningen verder vult hij daar nog aan toe (of zou je moeten zeggen ‘beklaagt hij zich’?) dat het niet over de roestoestanden en dromen gaat wanneer de toeschouwer de kunst tot zich neemt. En van een totaal andere orde en ongetwijfeld in een totaal ander gemoed neergepend wanneer het over de wedkamp gaat: ‘Er strijden geen individuen, maar ideeën met elkaar.’ Ook een gedachte die van tijd en plaats losgerukt mijn aandacht vasthield. Of weer een andere die een pre-homerische voorstelling van de minnelust behelst en wel in de gedaante van vier godinnen die hun verderfelijke macht uitoefenen op ons stervelingen; de misleiding, de amoureuze begeerte, de ouderdom en de tweedracht. In de gedachte met het verkregen nummer 26 postuleert Nietzsche dat de schrikwekkende wil en drift in een edelere variant muteert door de grotere afstand waarop zich het doel van de wil bevindt ‘zodat de wil in een bovenmatige spanningsboog veredeld wordt.’ Bijna tegen het einde van dit zoetjesaan bruisend te noemen hoofdstuk 16 komt er weer zo’n venijnig hamertje voorbij doordat Nietzsche stelt –voor zover dat blijvend van aard is – dat elke genegenheid, vriendschap, en liefde tegelijkertijd iets fysiologisch is. Alleen weten we geen van allen hoe diepgaand en verreikend de fysis is.

De zomer is voorbij. Nietzsche vult zijn colleges met nieuwe onderwerpen en schrijft ook in zijn eigen geschriften over andere onderwerpen. In het najaar lijken zijn aantekeningen soms ook op boodschappenbriefjes waarin hij zichzelf zaken voorhoudt of niet wil vergeten. Memoblaadjes met teksten als ‘juist het verkeerde wordt steeds serieus genomen zoals het historische in de religie, de amusementslectuur in de kunst, de eigen productie in de wetenschap en het domme materialisme in de filosofie.’ In het derde tekstfragment van hoofdstuk 18 komt er iets van een romanticus in de jonge professor voorbij wanneer hij schrijft dat het doel in de natuur altijd bereikt is omdat in de natuur elke verschijning de volmaaktheid impliciet in zich heeft. De vraag die hij een van zijn studenten spontaan in het college voorlegde (wat is een filosoof?) kan hij zelf ook moeilijk eenduidig beantwoorden wanneer we de vraag wat aardser maken: wat moet de filosoof? Er komt weliswaar een antwoord maar of daarmee alles is gezegd? ‘Hij moet moet midden in het mierachtig gekrioel nadruk leggen op het probleem van het bestaan, en in het algemeen de eeuwige problemen benadrukken. De filosoof moet inzien wat nodig is en de kunstenaar moet het creëren. (…) Alle middelen moeten vergaard worden waardoor het mogelijk is de mens zijn rust te doen behouden: nu de religies bezig zijn uit te sterven!’ (19.23). In een fragment kort hiervoor had hij al de aandacht getrokken door te melden dat de mens in de filosofie en in de kunst bouwt aan de onsterfelijkheid van het intellect. Wat hebben de studenten hier mee kunnen doen vraag je jezelf spontaan af? Zijn teksten zijn doordrongen van het minder willen weten, het terugbrengen van het kennen door op de simplificering van het kennende subject te wijzen die kunst en cultuur in de breedste zin boycot. In 19.27 (het lijkt wel een Bijbel met spreuken…) staat te lezen ‘als we ooit nog voor onszelf een cultuur willen bevechten, dan zijn ongehoorde kunstzinnige krachten nodig om de ongebreidelde kennisdrift te breken, om weer een eenheid te bewerkstelligen. De hoogste waardigheid van de filosoof manifesteert zich daar waar hij de ongebreidelde kennisdrift concentreert, tot eenheid intoomt.’

Ik moet ineens denken aan de ‘bekentenis’ van een vrouw op middelbare leeftijd in de NRC van afgelopen weekend. Een vrouw die een half leven lang als doorgewinterde atheïst door het leven is gegaan (denkt te zijn gegaan?) maar nu het geloof is gaan ontdekken. Die in de ongebreidelde hang naar weten en antwoorden, naar rust- en ankerpunten de wetenschap een surrogaat liet zijn voor een intens religieuze behoefte tot duiding en oplossing van vele existentiële vragen. De toestand waar Nietzsche al zoveel jaar geleden voor heeft gewaarschuwd nu we met ons allen God vermoord hebben. Maar waar is de filosoof in deze? De filosoof van het tragische inzicht? ‘Hij toomt de ontketende drift van het weten in, niet door een nieuwe metafysica. Hij stelt geen nieuw geloof op. Hij ervaart het als tragisch dat de bodem onder de metafysica is weggeslagen en kan anderzijds ook geen echte bevrediging vinden in het bonte en wervelende spel van de wetenschappen’, schrijft de inmiddels 27-jarige in zijn pension in Bazel. Een fragment dat eindigt met ‘De kennisdrift keert zich, aan haar grenzen gekomen, tegen zichzelf, om nu over te gaan in kritiek van het weten. De kennis in dienst van het beste leven. Je moet zelfs de illusie willen – daarin ligt het tragische.’ Daar komt-ie weer voorbij: het onvermogen te vergeten of in een andere gedaante bij onze Brexiteeers: ‘the more you know, the less you know.’

In de fragmenten 37 en 38 van dit hoofdstuk 19 weet Nietzsche als geen ander met groot gevoel voor stijl en smaak, de spanningsboog tussen kunst, filosofie en wetenschap (i.c. het willen weten, het willen kennen) te omschrijven. De hang ernaar is zo sterk in onze genen gaan zitten dat zelfs de wortels verwijderen nog niet genoeg lijkt. ‘Thans kan de filosofie alleen nog het relatieve van alle kennis beklemtonen en het antropomorfe ervan, evenals de kracht van de illusie, die overal in het spel is.’

Verderop in het jaar is het weer de pedagoog in Nietzsche die hem aanzet tot intrigerende gedachtes: ‘Als de mensheid alles wat zij tot dusver aan de bouw van kerken heeft besteed, thans besteedt aan opvoeding en scholen, als zij het intellect dat zij op theologie heeft gericht, thans richt op opvoeding.’ Je hoort na zovele jaren nog de actuele verzuchting in zijn woorden. Na Socrates, na Christus, werd het kennen zoveel meer minder leven. De drift naar weten behelsde ooit een hang naar leren, maar nu lijkt het te blijven hangen in kennis die niet wordt toegepast wanneer het over opvoeding en scholing gaat. Het zou nog een jaartje duren voordat Nietzsche zijn zes lezingen over de onderwijsinstituten zou gaan voordragen.

Zijn eigen colleges vallen ook ten prooi aan zijn eigen kritische blik. Want wat is nou die filosoof en die filosofie? Er is, schrijft hij, een grote verlegenheid over de vraag of de filosofie nou een kunst dan wel een wetenschap is. Misschien een kunst in haar doelstellingen en productie. Maar het middel, de presentatie en o.a. begrippen, heeft de filosofie met de wetenschap gemeen. We hebben dus een nieuwe omschrijving nodig waarbij de filosoof, de denker tevens een dichter is, hij kan gaan kennen door te gaan dichten en hij gaat dichten door te kennen. Maar de verzuchting blijft aan Nietzsche kleven want die filosoof valt niet te classificeren. Het is misschien wel een status die geen status is, een zijn dat alleen kan bestaan in het worden.

Naarmate deel 1 van deze Nachlaß vordert, ervaar je ook dat de vorm waarin Nietzsche werkt steeds meer op die uiteindelijke vorm van het aforisme koerst met een spitsvondigheid die hem later in vele boeken zou gaan typeren. In fragment 97 van hoofdstuk 19 zie je die kernachtige vorm terug wanneer het over waarheid en leugen gaat, een onderwerp dat in 1873 nog tot een autonome uitgave zou gaan leiden (“Über Wahrheit und Lüge im außermoralischen Sinn”). Ik geef ‘m hier even weer: ‘De waarheid wordt door de mens geëist en aan de dag gelegd in het morele verkeer met andere mensen, daar berust ook elk samenleven op. Men anticipeert op de kwalijke gevolgen van wederzijdse leugenachtigheid. Op grond hiervan ontstaat de plicht tot waarheid. Aan de epische verteller is de leugen toegestaan, omdat er in dat geval geen schadelijke werking te voorzien valt. – Dus de leugen is toegestaan ingeval ze doorgaat voor aangenaam: ze heeft schoonheid en charme, op voorwaarde dat ze niet schaadt. Op die manier verzint de priester mythen omtrent zijn goden: de leugen dient ter rechtvaardiging van hun verhevenheid. Buitengewoon moeilijk je het mythische gevoel van de vrije leugen weer levendig voor de geest te halen. (…) Waar je niets waars kunt weten, is de leugen toegestaan. Ieder mens laat zich ’s nachts in zijn droom voortdurend voorliegen. Het streven naar waarheid is een eindeloos langzaam tot stand gekomen verworvenheid van de mensheid. Ons gevoel voor geschiedenis is op de wereld iets heel nieuws. Het zou de kunst wel eens geheel en al kunnen wegdrukken. Het uitspreken van de waarheid tot elke prijs is Socratisch.’ Met die laatste zin vat hij eigenlijk alles samen met betrekking tot zijn kritiek op het kennen. De natuur die alleen bestaand, geen vormen kent alleen voor een kennend subject begrippen als groot of klein krijgt (ik denk aan Alexandre Kojève – sterk door Heidegger beïnvloed – met zijn uitspraak; ‘zonder de mens was het Zijn stom, het zou er zijn, maar het was niet het ware’). ‘Het oneindige in de natuur, zij heeft geen grens, nergens. Alleen voor ons bestaat er eindigheid. De tijd tot in het oneindige deelbaar’, sluit Nietzsche het fragment af. In 139 gaat hij onverminderd verder over die oneindigheid door te stellen dat het eindige zuiver zintuiglijk is, d.w.z. een misleiding. Geen bestemming voor de aarde, in de oneindigheid van tijd en ruimte bestaan geen doelen. De troost zal toch echt van de kunst moeten komen die ons als mensheid rechtop moet kunnen laten staan.

In het midden van dit eerste deel kan ik niet anders dan opnieuw herhalen dat we hier de kok, de culinaire meester aan het werk zien met gerechten die later tot kloeke boeken zouden gaan voeren en die na zijn dood over de hele wereld bij lezers vanuit allerlei hoeken en gaten gretig aftrek zouden gaan vinden. Begrepen en onbegrepen, vluchtig citerend en zorgvuldig herkauwend. Lezers die hebben begrepen dat de werkelijkheid van overdag zo’n achting heeft voor de droomwereld (228). Lezers die al of niet hebben begrepen dat de waarheid niet de waarheid wil maar het geloof, het vertrouwen in iets (244). Met een wil tot waarheid als middel maar niet als doel want stel je eens voor dat de waarheid geen gevolgen zou hebben, zouden we dan niet allemaal zeer onverschillig ten opzichte van die waarheid staan? Of zoals Nietzsche het zelf verwoordt in 21.13; ‘(…) Waar de mens ophoudt te kennen, begint hij te geloven (…) de hond kijkt ons met trouwe ogen aan en wil dat wij hem ook vertrouwen. (…) Als je het geloof bezit, kun je het zonder de waarheid stellen.’ 

Nietzsche was goed op dreef, voldoende om later nog een bijdrage over deze ‘Nagelaten Fragmenten deel 1’ te schrijven. Ondertussen blijven we met de de vraag ronddolen; als we het geloof niet bezitten, hoeveel waarheid kan een mens dan verdragen?