Archief van
Categorie: Nietzsche werken

Nagelaten fragmenten (slot)

Nagelaten fragmenten (slot)

In deze derde en laatste bespreking over het eerste deel van de Nachlaß beginnen we waar we in de vorige bespreking zijn geëindigd; september 1872. Nietzsche was helemaal in de sfeer van Wagner en diens muziek (gedweep noemden sommigen het), was zelfs op uitnodiging van hem bij de eerstesteenlegging van het Festspieltheater in Bayreuth aanwezig en bezocht hem ook frequent in Tribschen waar Wagner toen nog woonde. Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik was verschenen en ook zwaar aangevallen door ene Ulrich von Willamowitz-Moellendorff. Het aantal studenten dat zich op de universiteit van Bazel inschrijft voor colleges Griekse en Latijnse retorica door professor Nietzsche is bijna tot 0 gereduceerd.

Op 28 september reist Nietzsche met de trein via Baden en Zürich naar Weesen an de Walensee en de volgende dag door naar Chur waar hij een lange wandeling door de Rabiuso kloof maakt en zijn bewondering over het gebied in een brief beschrijft ‘…een onpeilbare gevarieerdheid, op het wonderbaarlijke af. Er is hier grafiet te vinden, verder okers met kwartskristallen, misschien goudaders enz., de steenformaties vertonen de vreemdste buigingen, vertakkingen, breuken….’. Het is een van de vele pogingen van de jonge professor om zijn algehele gezondheid te dienen met berglucht en voor hem aangename temperaturen. De hoofdpijnen vormden al een flink aantal jaren een handicap voor zijn schrijverij en fel licht kon hij zeer moeilijk verdragen. Het zou Carl von Gersdorf zijn die zijn eerste twee manuscripten in dat jaar schrijft en gereed voor maakt voor druk.

In zijn colleges en aantekeningen is het een continue uitleg en interpretatie van de pre-socratische Grieken en de klassieken. Pythagoras, Parmenides, Empedocles, Anaximander, Heraclitus, Thales en Democritus om er een paar bij naam te noemen. Maar ook zijn andere leermeester, Schopenhauer, doet actief mee in zijn overpeinzingen wanneer het over ontologische vraagstukken gaat en waarheid en werkelijkheid als ook wil en voorstelling als garnizoenssoldaten zijn pad van filosofie en filologie begeleiden. Nietzsche bouwt voort op Kant en de verlichtingsfilosofen en hekelt de hang naar waarheid, die zuivere waarheid die onkenbaar is. De waarde van de filosofie ziet Nietzsche dan ook met name gelegen in de zuiverende werking van verwarde en bijgelovige voorstellingen. De tekenen van antipathie tegenover elke metafysica tekenen zich steeds scherper af. Maar ook tegen het weten en kennen, en primair de dogmatiek van de wetenschappen in het algemeen. De nadelen van de filosofie beschrijft hij staccato als ‘ontbinding van de instincten, de culturen en de zedelijkheid’.

De uit Sicilië afkomstige Empedocles krijgt af en toe wat meer aandacht. Empedocles had een eclectische theorie ontwikkeld over de materie waarin hij meende aan te kunnen tonen dat alle massa uit een mengsel van vier eeuwige elementen bestaat die vervolgens onderhavig zijn aan twee natuurkrachten; Liefde en Strijd. In de kosmos wisselen deze krachten steeds in hun dominantie af zodat -volgens Empedocles – de kosmos een voortdurende cyclus doormaakt van scheiding en vereniging. Wanneer we de verbinding van massa in de huidige tijd plaatsen komen we ook bij de zg. Godsdeeltjes uit, een iets misleidende term voor Higgs-deeltjes. Nietzsche neemt de theorie over massa en materie tot zich en beschrijft de middelpuntvliedende kracht die volgens de oude Griekse staatsman, dichter en arts, het tegenwicht biedt tegenover de zwaartekracht. Even korter door de bocht: liefde als moleculaire tegenhanger van de zwaartekracht, een filosofisch-wetenschappelijk gedrocht met een originele kijk op materie zouden we nu vast kunnen stellen.

In zijn negende tekstfragment van hoofdstuk 26 spreekt Nietzsche zijn wens uit om aan de hand van een bespreking over grote filosofen, het wezen van de filosoof bloot te leggen: ‘…hoewel ik het op een ietwat onfilosofische manier zal doen, want ik richt mij op de invloed die elke filosoof heeft gehad. Directer ben ik niet bij machte over hun wezen te spreken, want de zuivere drift naar waarheid is op deze wereld zo vreemd en onverklaarbaar, dat ik hopen mag minstens iets te hebben laten zien als ik laat zien wat het nut ervan is.’ En hij eindigt met de gedachte dat de drift naar waarheid wellicht ook nutteloos en schadelijk zou kunnen zijn aangezien die drift strijdig is met datgene wat de mensen doorgaans gelukkig maakt.

Er zijn slechts vrienden, sceptici en vijanden van de waarheid schrijft hij verderop. Op zoek naar de waarheid heeft de mens immers alleen maar gewaarwording en voorstelling als instrumenten ter beschikking omdat we niet kunnen denken zonder diezelfde gewaarwording en voorstelling. Maak maar eens een voorstelling van het Niets. Dus, schrijft Nietzsche ‘is er geen zuiver bestaande tijd, ruimte, wereld, los van de factor gewaarwording en voorstelling.’ Ook het niet-zijn kan ik me niet voorstellen. Het niet-zijnde ligt buiten het domein van gewaarwording en voorstelling. De essentie van zijn boodschap blijft dus de Schopenhaueriaanse voorstelling die noodzakelijk is in onze zoektocht naar waarheid. Nietzsche leest boeken over fysica en maakt soms bijzondere aantekeningen als ‘alle krachten zijn slechts functies van de tijd’ en ‘het is onmogelijk dat opeenvolgende tijdsmomenten op elkaar inwerken: want twee van zulke punten in de tijd zouden samenvallen. Dus is elke werking actio in distans, d.w.z. zij gaat sprongsgewijs’ om er direct aan toe te voegen: ‘hoe een werking van dit soort in distans mogelijk is, weten we helemaal niet.’ Daar waar de tekortkoming -in de breedste zin van het woord- van onze kennis aan bod komt, laat Nietzsche het niet na het te onderstrepen. ‘Een overvloed aan weten lijkt een vloek voor onze cultuur te worden’, schrijft hij even verderop.

In 1873 schrijft hij aan twee van zijn vier ‘Oneigentijdse beschouwingen’. Die Philosophie im tragischen Zeitalter der Griechen was onvoltooid blijven liggen en nu stortte Nietzsche zich in zijn Unzeitgemäße Betrachtungen’ op de bekrompen burgermancultuur en de verstikkende werking van de theologie. In augustus verscheen David Strauß, der Bekenner und der Schrifsteller en de tweede Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben een jaar later. In de Nachlaß lezen we over Nietzsche’s zelfkennis wanneer hij bevroedt dat het boek over de theoloog Strauß geen groot onthaal zal krijgen; ‘waar het zo is dat strijdschriften altijd alleen door hun partijgangers worden bewonderd, maakt dit geschrift niet de minste kans te worden bewonderd (…) en welke positie zou slechter kunnen zijn dan die van een solitaire buitenlander die het algehele succes van dat boek in Duitsland de Duitsers tot verwijt maakt en het beschouwt als signaal van een ten onder gegane cultuur.’

In het voorjaar van 1873 laat Nietzsche in een uitgebreider aforisme zijn licht schijnen over zijn leermeester Schopenhauer. Je schiet in de lach (volgens Nietzsche), bij het idee dat Schopenhauer aan een toenmalige universiteit zou zijn verbonden. Zijn leer van het gelukkig worden (endaemonologie) is meer iets voor ervaren mannen en de pessimistische kijk op de wereld en zaken zeker niets voor de mensen van nu. Hoe tijdloos kan het zijn. Nietzsche hemelt Schopenhauer op met omschrijvingen als ‘zijn wijze van beschrijven is niet onrustig, maar wordt gekenmerkt door de klare diepte van een meer dat onbewogen is of slechts de lichte deining kent’, ‘hij is het strengste ideaal op het gebied van schrijven’, ‘hij doet de verwereldlijking teniet en eveneens de barbariserende kracht van de wetenschappen’ en acht Schopenhauer zijn tijd volledig voorbij geslingerd te zijn als filosoof ‘die de diepe gronden van het bestaan opnieuw opent.’

De oorspronkelijke uitgevers Giorgio Colli en Mazzino Montinari laten hoofdstuk 29 van de Nachlaß beginnen met: ‘De waarheid zeggen zonder eudaemonologisch doel; puur uit plicht. Daarbij wordt dikwijls de speciale lust vergeten die het uitspreken van de waarheid met zich meebrengt.’ Elke Nietzsche kenner of veelvuldig Nietzsche lezer, ziet in dit eerste deel van zijn omvangrijke nalatenschap, de kiem van veel uitspraken die later zouden komen dan wel aforismen die qua inhoud en stijl gelijke tred houden met leven en werk van Nietzsche zoals we dat in de bekendere werken en vertalingen kennen. Grote daden voortbrengen is er bijvoorbeeld zo eentje. ‘Een groot mens is meer waard dan een heel koninkrijk’; kort en bondig en voor velerlei uitleg vatbaar en evenzogoed ook weer weerlegbaar. Het zijn de bloesems van gedachten die in het voorjaar uitkomen, in de zomer in bloei staan en in de winter weer sluiten om het volgende jaar een Nietzsche gedachte te laten zien die net weer even anders kleurt en geurt. Maar waarheid, de hang naar en jacht op een kenbare waarheid, daar blijft Nietzsche zijn hele verdere leven een ambivalente verhouding mee houden. ‘Een onvoorwaardelijke plicht die de hele wereld vernietigt.’

In aforisme 503, bijna 4 pagina’s lang, fileert Nietzsche in zijn beeldende stijl, de geleerde. Als een klok die twaalf uren kent, ontrafelt hij uur voor uur de geleerde in al zijn facetten waarbij er ook zaken voorbijkomen die mij het vermoeden geven dat hij soms wat in de spiegel heeft gekeken. De geleerde heeft een zekere braafheid en scherpziendheid van dichtbij, begint hij en vervolgt met de melding dat ‘normaliteit van zijn motiveringen’ ertoe leidt dat de geleerde als een mol in een molsgang steeds op dezelfde wijze verder graaft waarmee hij alle ‘banale motieven van het verleden opgraaft dankzij zijn eigen banaliteit.’ Dan volgt gevoelsarmoede als eigenschap van de geleerde, gevolgd door ‘gering gevoel voor eigenwaarde, trouw (jegens hun leiders en leraren) en gewoontetrouw, dat laatste omdat de geleerde volgens hem voortgaat over de baan waar men hem opgeduwd heeft oftewel ‘Waarheidszin uit gedachteloosheid en uit gemakzucht.’ Vervolgens volgen nog vlucht voor verveling, broodwinning, respect (bij andere geleerden en daarmee vrees voor hun minachting, ook weer zoiets tijdloos), de geleerde uit ijdelheid en tot slot de geleerde uit drift naar spel.‘ Het is zijn lust en leven naar kleine knopen te zoeken (…) met plezier in de waarheid.’

Telkens valt weer op hoe enorm werkzaam Nietzsche in zijn schrijverij was, zeker gezien zijn lichamelijke beperkingen als toenemende hoofdpijnen en dagenlange algehele misselijkheid. Veel aforismen stoelen qua materie op zijn colleges maar zeer zeker ook op zijn positie die, al zijn ze nog in de kiem, wel in toenemende mate laten zien in welk isolement Nietzsche in Duitsland komt te staan, niet alleen in de directe en academische kring om zich heen, maar ook in het toenmalige ‘intellectuele’ Duitsland dat nog bol stond van Christelijke en Katholieke instellingen en conventies. Zijn aantijgingen richting de Duitse staat, universitaire wereld en cultuur liegen er dan ook niet om. Maar eerlijk is eerlijk, de teksten en uitspraken zijn keer op keer zeer origineel, prachtig in klank (vooral de Duitse originele variant) en als zo vaak weergaloos tijdloos.

We bladeren wat verder en zijn in het najaar van 1873 aanbeland. Ik maakte daar nog maar weer eens een aantekening en wel het 8aforisme van hoofdstuk 31 dat ik hier integraal weergeeft, ook om die sfeer van Nietzsche’s woorden te laten proeven:

‘Op het punt van religie neem ik een soort uitputting waar, men is de belangrijke symbolen eindelijk moe en beu geworden. Alle mogelijkheden van het christelijke leven, de ernstigste en luchtigste, de meest onschuldige en gedachteloze en de meest doordachte, zijn uitgeprobeerd, het is tijd om iets nieuws uit te vinden, of je moet wel steeds opnieuw in de oude cirkelgang terechtkomen: het is natuurlijk moeilijk om uit de oude maalstroom te geraken, nadat we daarin een paar millennia hebben rondgedraaid. Zelfs de spot, het cynisme, de vijandigheid jegens het christendom is sleets geraakt; je ziet een ijsvlakte alsof het is gaan dooien, het ijs is overal

gescheurd, vuil, zonder glans, plassen water erop, gevaarlijk. Mij lijkt in dat geval een kiese, gepaste terughoudendheid op zijn plaats: daardoor eer ik de religie, hoewel het een stervende religie is. Lenigen en geruststellen is wat ons te doen staat, net als bij zwaar en hopeloos zieken; er moet alleen tegen de slechte, gedachteloze prutsers van artsen (die meestal geleerden zijn) worden geprotesteerd. – Het christendom is heel binnenkort rijp voor kritische geschiedschrijving, d.w.z. dat er sectie op zal worden verricht.’ Nietzsche toont in de keuze voor zijn metaforen overduidelijk zijn visie en afkeer voor de kerk en de priesters. Nu we 137 jaar later naar het fundament van zijn betoog kijken kunnen we ons moeilijk onttrekken aan de dwarsdoorsnede van het verstikkende instituut – al zijn er genoeg andere niet-religieuze instituten te melden die hetzelfde in zich huizen – ‘de kerk’, zoals Nietzsche die ons als jonge hoogleraar in Bazel schetste. In het aforisme ‘Deze tijd’ noemt Nietzsche een paar zaken op die volgens hem in deze tijd van belang zijn waar ik er een paar van vermeld; vernietiging van de Verlichting, herstel van de metafysische zin van het bestaan, vijandigheid jegens het christendom en niet op geluk gerichte waarheid. Hij eindigt dan met een klein raadsel, zoals wel vaker, met de aantekening; ‘liefdeloos of maar kort in zijn liefde’. Die raadsels blijven uiteraard intrigeren. Bedoelde hij hier de liefde van of voor Schopenhauer of misschien van de Duitse staat die hij even daarvoor betichtte van tirannie wanneer de macht van de Duitse staat niet aan banden wordt gelegd door middel van culturele zaken? Of was het gewoon een aantijging tegenover de tijd zélf: liefdeloos en maar kort in zijn liefde, een vooruitziende blik met enig gevoel voor zijn eigen toekomstige leven?

In de zomer van 1874 schrijft Nietzsche een wat langer en titelloos aforisme dat nummer 14 in hoofdstuk 35 heeft gekregen. Eigenlijk een tekst die het verdient om hier helemaal weergegeven te worden (dus koop die Nachlaß) maar dat wordt me iets teveel van het goede. Toch zal ik hier een wezenlijk en tevens het laatste deel weergeven omdat het een gemakkelijk te begrijpen en fraai gestileerde gedachte betreft: ‘Wij weten op sommige ogenblikken allemaal, hoe wij in ons leven de meest uitgebreide aanstalten alleen maar maken om voor onze eigenlijke taak op de vlucht te gaan, hoe wij ons hoofd graag ergens zouden willen verstoppen, omdat ons honderdogige geweten ons daar zogenaamd niet kan achterhalen, hoe wij ons hart aan de staat, aan geldelijk gewin, aan de wetenschap, aan sociaal verkeer verpanden alleen om geen hart meer te hebben, hoe wij ons zelfs driftiger en tomelozer op ons zware werk van alledag storten dan nodig zou zijn om te leven – omdat het ons nog nodiger lijkt niet tot bezinning te komen. Algemeen in de haast, want iedereen is op de vlucht voor zichzelf, algemeen is ook het schuwe verbergen van deze haast, want men wil tevreden lijken en de scherpziendere toeschouwers omtrent zijn misère misleiden, algemeen is de behoefte aan nieuwe woorden schel als rinkelbellen, waarmee behangen het leven iets luidruchtig-feestelijks moet krijgen. Iedereen weet uit eigen ervaring dat zich soms plotseling onaangename herinneringen opdringen en wij dan met heftige gebaren en woorden ons best doen die uit ons hoofd te zetten – maar de algemene vorm van ons leven doet bevroeden dat wij ons altijd in zo’n toestand bevinden: wat is het toch dat ons zo vaak komt overvallen, welke mug gunt ons de nachtrust niet? Het gaat er rondom ons spookachtig toe, elk ogenblik van het leven wil ons iets vertellen, maar wij willen deze spookstemmen niet horen. We zijn, als we stilletjes op ons eentje zitten, bang dat ons iets in het oor gefluisterd zal worden; en daarom haten we de stilte en verdoven we onszelf met gezellig samenzijn. De mens gaat zoveel mogelijk het lijden, maar meer nog de duiding van het ondergane lijden uit de weg, door zich steeds nieuwe doelen te stellen probeert hij te vergeten wat daarachter schuilgaat. Als de arme en geplaagde mens revolteert tegen zijn lot, omdat het hem uitgerekend op de rauwste kust van het bestaan wierp, dan wil ook hij zichzelf alleen bedriegen: hij kijkt liever niet in het diepe oog dat hem midden uit zijn lijden vragend aanblikt, alsof het wilde zeggen: is het je niet makkelijker gemaakt het bestaan te begrijpen? Die schijnbaar gelukkigeren die door onrust verteerd worden en voor zichzelf op de vlucht zijn, om maar niet de natuurlijke slechte hoedanigheid van de dingen, van de staat bijvoorbeeld of van de arbeid of van het eigendom, toe te hoeven geven.’ En daar stopt dan plots de tekst.

Het eerste deel van de Nachlaß sluit af met een interessant betoog over taal. Niet alleen boeiend om wat hij destijds schreef, maar ook interessant omdat het een niet-wetenschappelijk, een niet-geleerd betoog behelst waarin het belang van taal door Nietzsche wordt onderstreept. Een stuk tekst dat ik weer eens herlees in de week waarin universiteiten in Nederland de Nederlandse taal een minder belangrijke positie hebben toegedicht door steeds meer en vaker in het Engels te onderrichten. Daar waar er al weinig of geen Bildung aanwezig was, ontdoet zich de in communicatie verarmde generatie geleerden ook nog van een verbinding met de Nederlandse taal en oefent voortdurend met taal vervangers zoals emoticons. ‘Het is niet de nood van het individu dat de taal voortbrengt maar veeleer de nood van de kudde’, klinkt het dan door mijn hoofd.

In de kroniek is nog veel interessants te lezen waar ik slechts graag naar wil verwijzen na nogmaals te willen pleiten voor ‘Nietzsche aan het werk’ zoals hij te vinden is in zijn laboratorium en werkkamer getiteld ‘Nachlaß’.

Bij het sluiten van deze drieluik over deel 1 van de Nagelaten Fragmenten klinkt zachtjes ‘Erbarme Dich’ uit de speakers en ik realiseer me opnieuw hoe de krachtige uitspraken en woorden van Friedrich Nietzsche, zich vreselijk kwetsbaar in ons tijdsgewricht een plek hebben toegeëigend of beter gezegd, hoe deze in de loop van de jaren zowel universitair, wetenschappelijk als in privaat domein, een plek toegewezen hebben gekregen.

(Nagelaten fragmenten van Friedrich Nietzsche, Uitgeverij SUN)