Archief van
Categorie: Nietzsche kenners

Erich Podach: Der kranke Nietzsche

Erich Podach: Der kranke Nietzsche

“Prof. Binswanger sprach seine Freude aus, dass ich ihn bei mir haben könne und liebt und verehrt Fritz in seinen Werken und bedauert, dass ‘die Adlerfittiche des hehren Geistes meines grossen Sohnes so früh gelähmt sind’…” Het verdriet van de moeder overstemt soms de zorg voor de zoon, de grote denker wiens ‘arendswieken van het verheven denken zo vroeg verlamd zijn’. Het verdriet en de onmacht kun je soms zo sterk meevoelen wanneer je de brieven van Nietzsche’s moeder aan Prof. Overbeck tot je door laat dringen. Een correspondentie die de ruim zeven jaren van januari 1889 tot april 1897 beslaat en een en al zorg maar bovenal ook dankbaarheid laat zien. Dankbaarheid aan haar God en de in haar ogen beste vriend en theoloog Franz Overbeck die ze haar volledige vertrouwen schenkt. Een christelijke man, slechts 11 jaar jonger dan zijzelf en die evenals zij in meer of mindere mate moeite had met teksten als ‘Der Antichrist” of de vele kritische beschouwingen over het Christendom in Nietzsches werken.

Der kranke Nietzsche van Erich Podach

‘Der kranke Nietzsche’ is de briefwisseling die de literatuurwetenschapper Erich Podach het licht schenkt bij de 100e geboortedag van Franz Overbeck, 16 november 1937. Zo’n antiquarische uitgave in je hand houden, ruiken en lezen…het zijn zintuiglijke maar ook zinderende verbindingen met een zeer troebele tijd. Podach gold en geldt als een specialist in de werken en het leven van Nietzsche. In 1930 was zijn “Nietzsches Zusammenbruch’ verschenen en twee jaar later ‘Gestalten um Nietzsche’. Hij was een publicist die zijn kritiek op andere werken over en activiteiten rondom Friedrich Nietzsche niet schuwde. Karl Schlechta moest het vaak ontgelden maar ook het Nietzsche Archiv in Weimar en het duo Giorgio Colli en Mazzino Montinari die later de grote Nietzsche bibliotheek zouden gaan samenstellen, ontliepen zijn kritische noten niet. Veel secundaire Nietzsche literatuur heeft hij niet meer mogen meemaken aangezien hij in 1967 op 72-jarige leeftijd overleed, toevallig op dezelfde datum als zijn grote literair en filosofisch studieobject; 20 augustus.

De brieven van Franziska Nietzsche heb ik al eens eerder aangehaald in bijvoorbeeld mei van dit jaar (‘Los años de la locura’) en ruim twee jaar terug in de bijdrage ‘Mater Dolorosa van Stefan Zweig vertaald’. Zweig introduceerde zijn eigen ervaringen bij het lezen van de brieven treffend; ‘De brieven aan Franz Overbeck leiden naar een van de prachtigste maar tevens ook meest verschrikkelijke landschappen van de ziel: naar de intens kille eenzaamheid in de laatste levensjaren van Friedrich Nietzsche.’ Het is en blijft een fascinerend tijdsdocument dat ik daarom hier graag wat meer in detail bespreek en beschrijf.

De catastrofe (een korte terugblik)

De ineenstorting (of zoals Podach schrijft ‘Der Katastrophe’) heeft in januari 1889 plaatsgevonden. We kennen het veelbeschreven drama van de laatste dagen waar een paard in de binnenstad van Turijn een prominente rol krijgt. Nietzsche heeft dan al wat tekenen van waanzin laten zien zoals zijn briefje met de tekst: ‘Zing mij een nieuw lied: de wereld is verzaligd en alle hemelen verblijden zich. De Gekruisigde’ dat hij op 4 januari aan Peter Gast stuurt. Twee andere vrienden hadden al eens eerder wat kritische geluiden laten horen zoals Erwin Rohde die de relatie van Nietzsche met de wereld typeert als ‘een onbeschrijflijke sfeer van vreemdheid…alsof hij uit een land komt waar verder niemand woont’. Ook Paul Deussen zag al twee jaar voor de ineenstorting een wandelaar die met hangende schouders (Nietzsche was in 1887 nog maar 43 jaar!) en met betraande ogen afscheid van hem nam. Maar was het een noodgedwongen aanloop naar een ineenstorting of veeleer de vrucht van het vele denkwerk die Nietzsche het liefste naar de hoogste toppen leidde om daar in volledige eenzaamheid en soberheid zijn diepste gedachten te voeden?

Heinrich Köselitz alias Peter Gast

Peter Gast krijgt in een briefje van Nietzsche (9 dec. 1888) te lezen dat deze sinds enkele dagen in zijn eigen literatuur bladert en er voor het eerst tegenop gewassen is. Nietzsche schrijft zelfs hoe goed hij alles wel niet gemaakt heeft maar er eigenlijk nooit goed begrip van heeft gehad om vervolgens zijn eigen bewondering uit te spreken. Dezelfde vriend kan Nietzsche op Oudejaarsdag 1888 zijn adres niet meer melden. De dwaling van de geest lijkt vastere vormen aan te nemen wanneer Nietzsche zich als de organisator van een congres ziet waar hij op 8 januari 1889 diverse Europese vorsten bij elkaar zal laten komen…

De wereld is verzaligd…

Na de jaarwisseling krijgen nog twee anderen in de periferie van Nietzsche een vreemde tekst onder ogen. Op 3 januari leest Meta von Salis: ‘de wereld is verzaligd, want God is op aarde. Ziet u niet hoe alle hemelen zich verblijden? Ik heb zojuist mijn rijk in bezit genomen, gooi de paus in de gevangenis en laat Wilhelm, Bismarck en Stoecker doodschieten’. Twee dagen later leest Jacob Burckhardt: ‘Morgen komt mijn zoon Umberto met de lieftallige Margherita, die ik echter ook maar in hemdsmouwen ontvang.’ Ook Cosima Wagner ontvangt vreemde documenten waarin Nietzsche zelfs zijn liefde voor haar betuigt met de woorden ‘Ariadne, ik houd van je’. Er volgen nog wat andere brieven met vreemde teksten waarin Nietzsche zich o.a. vereenzelvigt met zogenaamde ‘fatsoenlijke’ misdadigers. Een brief aan Burckhardt van 5 januari ondertekent hij weer met zijn eigen naam nadat hij meerdere brieven daarvoor had ondertekend met ‘De Gekruisigde’ of ‘Dionysus’. Podach beschrijft in 1930 het bekende voorval met het paard dat hij uit de mond van Overbeck heeft gehoord. Biograaf Curt Paul Janz benadert het voorval met enige scepsis omdat er wat ruis op de lijn zit aangaande de datum (was het 3 of misschien 8 januari?) en ook omdat Nietzsche niet een dergelijke voorliefde voor paarden had om er eentje om de hals te vallen wanneer deze wordt afgeranseld. Hoe het ook zij, op de 6e januari ontvangt Burckhardt de ultieme waanzinbrief van Nietzsche die begint met: ‘Lieber Herr Professor, zuletzt wäre ich sehr viel lieber Basler Professor als Gott, aber ich habe es nicht gewagt, meinen Privat-Egoismus so weit zu treiben, um seinetwegen die Schaffung der Welt zu unterlassen.’ Burckhard bezoekt daarop Overbeck die zelf de ernst nog steeds niet volledig inschat maar pas tot handelen overgaat wanneer hij een dag later van Nietzsche óók een brief ontvangt die de waanzin van zijn vriend bewijst. In de avond van de 7e januari reist Overbeck naar Turijn om poolshoogte te nemen maar zeer zeker ook met de bedoeling om Nietzsche mee te nemen naar Bazel. De tragedie krijgt daar voor hem een vastere vorm wanneer hij Nietzsche in een volkomen gekte ziet zitten en springen in zijn gehuurde kamer. Stuiptrekkingen, tranen en een volledig verlies van elk decorum. De verschrikkingen zijn voor Overbeck te intens om in detail te beschrijven of te bespreken. Met hulp van een nog jonge Duitse tandarts die er goed voor betaald wordt, onderneemt Overbeck op 9 januari de reis terug met Nietzsche aan zijn zijde. De dag erop kwam een einde aan het vrije leven van Friedrich Nietzsche. Zijn lichaam zou voortaan altijd onder begeleiding blijven, zijn geest zou steeds verder wegzakken in een grijs gebied.

Op 10 januari begonnen de eerste onderzoeken nadat een gereedstaande koets Nietzsche naar de inrichting “Friedmatt’ had gebracht. Overbeck schrijft dezelfde dag nog een brief aan de moeder van Nietzsche die direct richting Bazel gaat en daar op 13 januari aankomt. Niet overtuigd van de waanzin die haar zoon in de grip heeft wil ze hem meenemen naar huis hetgeen haar verboden wordt. Er wordt naarstig gezocht naar de mogelijkheid om Nietzsche in Jena te laten opnemen. Dat lukt, dus vertrekken moeder en zoon, samen met de begeleider Ernst Mähly en nog een ziekenbroeder, op de avond van 17 januari richting Jena. Overbeck, nog vol van hetgeen zijn ogen gezien en zijn oren gehoord hebben, doet in een brief aan Peter Gast een bekentenis die er niet om liegt. Een betere vriendendienst dan hem naar een inrichting te brengen was misschien hem het leven te ontnemen. Want met Nietzsche komt het niet meer goed, hij heeft geen enkele bevestiging van welke arts of deskundige dan ook nodig om dat te beseffen! Progressieve paralyse, met Nietzsche is het afgelopen. Overbeck concentreert zich daarom op de afhandeling van praktische zaken en laat de spullen van Nietzsche uit Turijn ophalen en vergeet daarbij zeer zeker niet om de schriftelijke nalatenschap en de aantekeningen in veiligheid te brengen. De ‘Ecce Homo’ stond al voor druk gereed evenals ‘Nietzsche contra Wagner’. Janz vermeldt in zijn biografie (een lijvige biografie waar her en der voldoende kritische aantekeningen te plaatsen zijn, maar dat terzijde) dat de intentie van Overbeck volledig gericht was op het behoud van de voorname en fijnzinnige mens Friedrich Nietzsche en niet zozeer om betrokken te worden bij een held die een volledige herwaardering voorstond. Een houding die gericht was op de mens en vriend Nietzsche, een ethisch vertrekpunt dat de zus van Nietzsche nooit echt goed heeft begrepen.

‘Het bericht dat u mij hebt doen toekomen is zo indroevig dat de mededeling van een sterfgeval mij niet dieper had kunnen verdrieten…’

Langzaam dringt de harde werkelijkheid door in de wereld rondom Nietzsche. Carl Fuchs schrijft ‘Wat ik verlies, is onuitsprekelijk’, uit de pen van Carl Von Gersdorf komt ‘Het bericht dat u mij hebt doen toekomen is zo indroevig dat de mededeling van een sterfgeval mij niet dieper had kunnen verdrieten…’ en Paul Deussen schrijft: ‘Wat een droevig bericht brengt uw brief! Ik heb een poos nodig gehad om eerst eens alleen aan de gedachte te wennen…’.

In Jena wordt het gezelschap opgewacht en Nietzsche in de tweede klasse ondergebracht hetgeen later voor Franziska Nietzsche nog aanleiding voor wat zinnen in een brief aan Overbeck is. Nietzsche dankt naar het plafond kijkend voor het ‘grootse ontvangst’ en meent af en toe in Turijn te zijn. Is het misschien het congres voor de Europese vorsten? Hoe dan ook, Nietzsche spreekt netjes, geaffecteerd in een mix van Frans en Italiaans, en weet heel goed zijn personalia te noemen wanneer hem daarom wordt gevraagd. Op andere momenten is hij het laatst Friedrich Wilhelm de 4e geweest en heeft zijn vrouw Cosima Wagner hem gebracht. Ik wil hier verder niet teveel uitweiden over de waanzin die zich hier manifesteert. Feit is dat Nietzsche niet meer de grote vrijdenker en creatieve geest is maar een volledig afhankelijke is geworden die niet meer zelfstandig kan leven en wonen en in de eerste maanden van zijn waanzin zich verbaal en fysiek volledig verward uit.

Professor Binswanger

Professor Binswanger wordt de nieuwe arts die zich de komende maanden over Nietzsche zal bekommeren. Hij zal ook de komende jaren, wanneer Nietzsche door zijn moeder liefdevol wordt verzorgd, een steun en toeverlaat op afstand voor de moeder worden en komt daarom vaak terug in de brieven die Franziska Nietzsche aan Overbeck schrijft. De eerste zorg van de artsen was het vermijden van prikkels; geen bezoek, ook niet van vrienden en zijn eigen moeder. Over deze eerste maanden weten we maar weinig en dat wat we weten is van mond tot mond gegaan en zal ongetwijfeld ruis hebben meegebracht. Er zou een licht herstel zijn, iets meer samenhangend praten terwijl hij de hoofdbroeder consequent Bismarck noemt…Verder zijn het wat mededelingen over zijn eetgewoonten en gewichtstoenames.

Het zou nog tot medio mei duren voordat Franziska Nietzsche weer kort haar zoon mocht zien. Ze is er dan positiever over dan de artsen en loopt nog steeds met de gedachte dat haar zoon weliswaar geestelijk ziek is maar daar ook weer van kan genezen. De wens die – heel begrijpelijk -de vader van de gedachte bleek te zijn…

In haar eerste brief aan Franz Overbeck spreekt ze haar dank uit (die ze daarna jarenlang in elke brief uitspreekt en waarmee ze steevast haar brieven afsluit) en beschrijft de aankomst in Jena. De ‘Heil- und Pflegeanstalt’ in Jena heeft een nieuw gebouw en een goede reputatie.

Ze memoreert ook het overlijden van haar echtgenoot, de vader van haar zoon Friedrich, die aan ‘Gehirnerweichung’ gestorven is. In een van haar eerste brieven citeert ze ook nog een recent gedicht van haar zoon:

Ich suchte mein schwerste Last

da fand ich mich.

dann: du hältst es nicht mehr aus

            dein heroïsch Schicksal

            Liebe es, es bleibt dir keine Wahl!

dann: die Stille erlöst

            Wer nichts zu tun hat, dem macht

            ein Nichts zu schaffen

dann: die Einsamkeit

            plagt nicht: sie reift –

            und dazu musst du die Sonne nur Freundin haben,

dann:  du liefst zu rasch:

            jetzt erst wo du müde bist

            holt dein Glück dich ein.

Ze verzucht dan in haar brief: ‘ja, er ist zu rasch gelaufen in seinem ganzen Leben, das liebe liebe Kind.’ Als lezer voel je al vanaf de eerste brief de moederlijke liefde, de zorg maar ook de onwetendheid over de gedachten en teksten van haar zoon. Ze vraagt het ook aan Overbeck nadat ze in ‘Ecce Homo’ heeft gelezen en daar zinnen tegenkwam als ‘ich trete an Dinge heran, wozu noch nie ein Mensch stark genug war’. Verder getuigen de eerste brieven van hoop op genezing en grijpt ze elke strohalm aan die een indicatie van verbetering zouden laten zien zoals bijvoorbeeld het feit dat Nietzsche vaak de verzorgenden bij naam kan noemen en er misschien indicaties zijn dat er een correlatie bestaat tussen zijn geestestoestand en zijn ogen. En verder is er natuurlijk de grote bron en troost van zijn vrome moeder; God, die ze om genezing van haar zoon vraagt. Ze ziet zelfs Gods beschikking dat het zo gelopen is omdat haar zoon zich er zo prettig voelt.

Janz verwoordt het definitieve karakter van de situatie in zijn biografie als volgt; ‘De kring is gesloten, het kind geheel en al naar de schoot van zijn moeder teruggekeerd. Was zijn hele leven daartussen een geweldige dwaling? (vanwaar deze ietwat suggestieve vraag? Heeft een chirurg die op latere leeftijd geveld wordt door een herseninfarct ook al zijn werk voor niets gedaan? sp.) In elk geval betekent de abrupte terugkeer naar Naumburg een beslissende cesuur. De uiterste grens van remissie was bereikt, en nu begint de steeds dieper wordende schemering in Naumburg, waarop dan het louter vegetatieve leven, in Weimar, volgt, tot de fysieke dood. Hoop en vrees zijn overwonnen, berusting treedt in.’

Nou, die berusting laat bij moeders nog even op zich wachten. Ze wil haar zoon niet voor niets in alle hoop, liefde en ambitie naar huis laten brengen waar ze hem op haar eigen wijze kan verzorgen. In april uit ze haar zorg aan Overbeck; ‘Quälte mich nur nicht ewig der Gedanke, ob die Ärzte die Krankheit meines Sohnes richtig auffassten! Es kommt mir vor, als ob sie an etwas Angeborenes glaubten und darauf hin kurierten und ich sage mir immer, wenn das wäre, hätte sein Verstand bis zu seinem fast 45 Jahre doch nicht von solch auserlesener Klarheit sein können. Ich glaube  weit mehr an Überarbeitung an und für sich, und “die letzten 70 Tage”, welche er in Frau Fynn’s Brief erwähnt, haben den dem ganzenden Rest gegeben; wer will aber den Ärzten gegenüber mit seiner einfachen Auffassung aufkommen?’ Een overdosis aan werk en te hard gelopen? De werkelijkheid zou haar gestaag de ogen doen openen maar daarvoor is het in het voorjaar van 1890 nog te vroeg.

Franz Overbeck

Op 26 juni schrijft ze Overbeck weer eens om deze op de hoogte houden van de vorderingen die ze bij haar zoon ziet. Tussen de hoop lees je ook wel de realiteitszin en ze verhult dan ook niet dat er weer wat is voorgevallen in de kliniek hetgeen ze Overbeck bij monde van het verslag van Dr. Ziehen laat weten. Nietzsche wordt vaak opgewonden en raakt geïrriteerd in het bijzijn van anderen. De medische staf heeft gemeend hem een rustige en koele kamer op het noorden te geven en geeft hem zoveel mogelijk rust. Nietzsche leest de krant, kent de mensen bij naam maar heeft ook intense hoofdpijnen en heeft in een woedeaanval zelfs een ruit ingeslagen waardoor hij aan zijn hand verwond is geraakt. Zijn eetgewoonten zijn ‘rege’ (druk, actief) en verder meldt ze o.a.: ‘sein geistiger Zustand wechselt ausserordentlich’.

Op 3 augustus spreekt ze in haar brief haar verwondering uit nog geen condoleance van de Overbecks te hebben ontvangen in verband met het overlijden van haar schoonzoon, Bernhard Förster. De man van Elisabeth, zwager van Friedrich en zoals we weten een antisemiet die in Paraguay een kolonie aan het oprichten was, had zichzelf van het leven beroofd al wilde zijn vrouw de wereld iets anders doen geloven door het over een ‘Nervenschlag’ te hebben. Verdraaien van werkelijkheden, aanpassen aan een meer gewenste werkelijkheid, was haar toen al niet vreemd. Dit overlijden leidde later nog tot wat financiële perikelen aangezien Nietzsche op aanraden van zijn zus twee stukken land had gekocht in deze kolonie. Gekocht wil zeggen, ze hadden hem de grond in ruil voor een lening gegeven. In haar brief van 1 november 1889 beschrijft Franziska Nietzsche hoe ze dit overlijden dat waarschijnlijk aan een zenuwaandoening te wijten is, aan haar Friedrich meldt en deze dan antwoordt: ‘zu wundern brauchen wir uns nicht, ein Mann wie Förster, welcher seinem Nervensystem schon so viel durch die antisemitischen Geschichten zugemutet hat und sich dort in ein ganz neues Feld einarbeiten musste (…).’ En in een brief die hij aan zijn zus schrijft en die bijna niet te ontcijferen valt schrijft hij: ‘Mein liebes Springtierchen, sogenannt Lama Padelchen! Soeben läuten die Reformationsglocken, meiner Garnisonskirche vor mir, das Mutterchen hat mich eben mit ‘Trübli’ erquickt (…).’

De waanzin neemt soms vreemde vormen aan. Erudiete woorden die soms zeer geaffecteerd uitgesproken worden doen vermoeden dat het hier om een geleerd iemand gaat maar getuigenverslagen geven ons het realistische beeld dat er geen zicht op genezing is. Paul Deussen is eind september van dat jaar enkele uren in Naumburg en doet Overbeck op diens verzoek in een brief verslag: ‘Onder de opofferende zorgen van zijn moeder gaat het hem lichamelijk heel goed. Hij eet met veel smaak, slaapt goed, maakt met haar verre wandelingen (…) Maar geestelijk leek hij volkomen uitgedoofd. Meestal luisterde hij stilletjes en zijn antwoorden waren afgebroken reminiscenties aan het verleden, bijvoorbeeld dat Schopenhauer in Danzig geboren is en dergelijke (…).’ Ook weet Deussen te melden dat Nietzsche hem ‘dokter’ noemt en wel omdat Deussen dat volgens hem zelf liever heeft dan ‘Professor’.

Franziska Nietzsche houdt haar twijfel over de juiste diagnose waardoor ze weinig vertrouwen in de behandelende arts heeft. Aan de buitenzijde is haar Fritz zeer voorkomend wanneer ze bijvoorbeeld met hem wandelt. Ze durft het zelfs aan om ene heer Dr. Langbehn uit Dresden die kunsthistoricus is en de werken van Nietzsche bewondert, met hem te laten wandelen. Een duo dat niet lang samen heeft gewandeld want Nietzsche heeft in een woedeaanval een tafel omver geworpen en met gebalde vuisten de bewaking gedreigd. Langbehn wil, zo meldt Franziska dat in een van haar volgende brieven, zijn brieven terug en wenst zijn vriendschap en plannen voor een aankomende voogdij te beëindigen. Uit een intense briefwisseling tussen Peter Gast en deze Dr. Langbehn (Peter Gast bewonderde diens ‘Rembrandt als Erzieher’) komt de waarschuwing aan Franziska dat wanneer deze Langbehn niet de voogdij over Friedrich krijgt, hij een boek van Nietzsche gaat na-apen door een boek uit te brengen met de titel ‘der Fall Nietzsche’. Het geheel blijft een woordelijk gebrul en gebral en professor Langbehn zal later langzaam uit het leven van de Nietzsches verdwijnen. In een brief van Peter Gast aan Overbeck schrijft Gast dat deze Langbehn wel degelijk weet wie men hier in behandeling heeft en ‘welke onsterfelijke roem hem ten deel zal vallen wanneer hij deze man weer genezen aan de mensheid terug kan geven.’ Verder meldt Gast op 7 januari 1890 ook dat Langbehn Nietzsche wil laten opnemen in een privékliniek nabij Dresden en onder die voorwaarde wil hij de zorg van Nietzsche overnemen omdat hij ervan overtuigd is dat moeder Nietzsche niet opgewassen is tegen het geroddel in haar eigen woonplaats. Gast die ook een belang heeft in de verdere uitgaven van Nietzsche, bericht Overbeck dat de zorg in Jena ondermaats is en Nietzsche een betere zorg nodig heeft. Ook weet hij Overbeck te melden dat Langbehn gevallen kent die erger dan de geestestoestand van Nietzsche waren en die nu volkomen genezen zijn. In de uitgave van Podach gaan de noten achterin het boek nog pagina’s verder over dit geval ‘Langbehn’ hetgeen ik hier verder buiten beschouwing wil laten. De voogdij wordt hoe dan ook een heikel punt en zal in eerste instantie door Franziska Nietzsche worden opgepakt die in deze rol ook beslissingen moet nemen aangaande de gronden in Paraguay die van Nietzsche zijn. Haar brief aan Overbeck van 8 januari doen hierover mededelingen en ze vraagt Overbeck ook om de voogdij over haar zoon op zich te nemen. De voogdij gaat uiteindelijk naar haar broer (Edmund Oehler) en bij diens overlijden zal de voogdij over Nietzsche naar de zoon Adalbert, dus een neef van Nietzsche en wethouder in Halle, gaan.

‘Bleiben Sie nur gütigst mein Beistand mein guter Herr Professor’

Terug naar de moederlijke woorden van zorg en liefde in de brieven aan Overbeck. Het begin van 1890 tekent zich door meldingen over alle zenuwslopende zaken rondom Prof. Langbehn waarbij Franziska uiteindelijk blij is dat ze niet voor hem heeft gekozen. Ze bezoekt haar zoon in Jena wat intensiever door een kamer in Jena te huren en als het ware een test te doen naar Nietzsche’s gedrag tijdens langere wandelingen. Op 10 februari had ze al geschreven dat ze twee kamers in haar eigen huis vrij houdt voor het geval ze haar zoon mag verhuizen. Op 22 maart vertelt ze met enige trots en blijdschap hoe haar Fritz zo mooi piano kan spelen (opus 31 van Beethoven), haar ‘Mütterchen’ noemt en haar innig een arm geeft op straat. Maar een goede lezer merkt op dat hier een volwassen man langzaam tot een kind status terugvalt en steeds ‘verder’ roept wanneer zijn moeder stopt met voorlezen of strelen (‘ja, wenn es meine Stimme aushielte, ihm den ganzen Tag vorzulesen, er würde glücklich sein, wenn ich auch nicht glaube, das er es behält, was er hört, aber dieses egale Gemurmel muss etwas Beruhigendes für ihn haben.’).

Op 28 mei 1890 meldt moeder Nietzsche dan eindelijk het samenzijn met haar Friedrich in Naumburg. Na een voorval waarbij ze Nietzsche een paar uur kwijt was tijdens een uitstapje naar het ‘Solbad’ (naast het vele wandelen gaan ze ook vaak naar badgelegenheden), besluit ze haar Fritz thuis een woonplek te geven. Dit wordt haar wat makkelijker gemaakt omdat het voorval op straat waarbij zelfs politie werd ingeschakeld, enige ‘schande’ voor de instelling bracht en de arts Dr. Ziehen dergelijke voorvallen niet erg graag weer herhaald ziet. Franziska doet er in haar brief wat gemakkelijk over maar uit andere bronnen is bekend dat Nietzsche bezig was zich op straat uit te kleden.

Franziska Nietzsche

Franziska schrijft Overbeck hoe het Nietzsche goed doet weer thuis te zijn en hij zijn heldere momenten heeft. Hij heeft het er bij een wandeling zelfs over om zijn spullen uit Turijn te willen ophalen. Thuisgekomen is hij dat overigens alweer volkomen vergeten. De wandelingen zelf gaan in eerste instantie nog vergezeld van ene heer Tittel, een broeder die Franziska bijstaat wanneer Nietzsche de openbare weg opgaat. De aanwezigheid van deze heer Tittel die verder door moeder als zeer sympathiek wordt beschreven, werkt echter averechts dus wordt hem in tweede instantie gevraagd 50 meter achter moeder en zoon te lopen en vervolgens om er helemaal mee te stoppen. In de zomer van 1890 meldt Franziska in haar brieven telkens weer de vooruitgang die zij meent te zien. Ze heeft her en der vragen over financiën en gaat ervan uit dat Nietzsche oud kan worden waarvoor geld gespaard dient te worden. De brieven hebben vaak een vaste structuur waarin ze steeds weer begint met een excuus en het vragen van begrip voor de late reactie aangezien ze haast geen tijd heeft om te schrijven. Steeds opnieuw betuigt ze in een prachtig Duits haar dank aan het echtpaar Overbeck zoals ‘Bleiben Sie nur gütigst mein Beistand mein guter Herr Professor und seien Sie mit der lieben Frau Professor auf das innigste gegrüsst von Ihrer dankbar ergebenen Nietzsche.’

Het lijkt er ondertussen zowaar op dat men in Jena vergeten is dat zij de zorg over een patiënt op zich heeft genomen die formeel nog niet ontslagen is uit de kliniek. Op 19 september beklaagt ze zich bij vriend Overbeck: ‘Im übrigen bekümmert sich von dort kein Mensch um meinen lieben Kranken, obwohl er doch noch nicht entlassen ist, auch in Jena hat keiner der Ärzte  sich ihn angesehen.’  Ook later, in een brief van 5 oktober, uit ze haar zorg dat de dokters in Jena het misschien te druk hebben ( 3 dokters op 200 patiënten en dan nog de 300 patiënten in de ziekenhuizen van Jena). Ze maakt zich ook in toenemende mate zorgen over de geestelijke voeding van haar zoon, de grote denker en filosoof, die in haar ogen een intellectuele uitdaging dient te hebben. Met Langbehn is het niets geworden, de oude vrienden worden opgeslokt door eigen werkzaamheden, er komen nog een heer Lauterbach en Pachnicke uit Berlijn voorbij in haar schrijverij en verder hoopt ze op bezoeken van Deussen of Overbeck zelf. De financiële zorgen blijven, ondanks de nog steeds uitbetaalde pensioengelden vanuit Bazel. Zelfs Nietzsche zelf blijkt er mee bezig te zijn, althans daar lijkt het op wanneer hij zijn moeder meldt ‘Mütterchen ich glaube ich werde sehr alt’ en zijn moeder dit gezien zijn zeer goede lichamelijke conditie ook gelooft. Dus meldt ze tot achter de komma wat er gespaard kan worden op een spaarrekening die ze Overbeck verzoekt te openen in Bazel.

In september kan Franziska melden dat voorlezen uit andere werken bij Nietzsche trillingen rondom de mond veroorzaken en voorlezen uit zijn eigen boeken hem rustig maakt. Aan gesprekken kan hij volgens haar met rust deelnemen maar ook hier dienen we weer de gekleurde ogen en oren van moeder in ogenschouw te nemen. Het is dan wel een liefdevolle verzorging die ze op zich heeft genomen maar het is evenzogoed ook een trieste operatie te noemen. In de brief van 5 oktober die ik bovenstaand al aanhaalde schrijft ze na haar klacht over de onderbezetting en de verkeerde aanpak in de kliniek: ‘Doch mein alter lieber Fritz ist auf von seinem Mittagschläfchen und spielt eben, wie ich höre, die ‘Meistersinger’, da heisst es schliessen und auf die Veranda und vorlesen, denn Wagnersche Sachen lasse ich ihn gleich garnicht spielen.’ Na wat maanden thuiszorg krijgt ze in de gaten dat ze het beste even wat aan het papier kan toevertrouwen wanneer Nietzsche zijn middagdutje doet. De brieven getuigen daar regelmatig van net zoals de bevestiging die ze zichzelf gaf dat het zo goed gaat en beter is dan voorheen in de kliniek.

Er zijn aangaande de nalatenschap, rechten voor drukken en herdrukken, uitgeven en het schrijven van biografieën, voldoende reden tot opwinding en zorg. Zo is er een Deense auteur Hanson die met hulp van professor Heinze in een biografie uitweidt over de familiaire ziekte die tot waanzin zou leiden. Of er zijn onduidelijkheden over de activiteiten van Naumann die zelfs via een gerechtelijke uitspraak geld dient te betalen in plaats van te ontvangen.

‘Fritz’ vertrokken naar de schemering

En hoe gaat het ondertussen met Nietzsche? Hem ontgaat alles of hij vergeet het direct weer. Alle toestanden rondom zijn werken en niet uitgegeven delen van de Zarathustra, de ontwikkelingen in Paraguay en eerste bemoeienissen van zijn zus Elisabeth met zijn nalatenschap en ook de zorg van zijn moeder om zijn geestelijke gesteldheid…alles gaat aan hem voorbij. De moederlijke bezorgdheid wordt alsmaar groter en we lezen in haar brief van 28 februari 1891 dan ook duidelijk haar verdriet wanneer ze dokter Binswanger gelijk moet geven: ‘Viel Neues und besonders Erfreuliches hinsichtlich einer Besserung kann ich eigentlich nicht berichten und ich möchte fast sagen, seit neulich Herr Köselitz (Peter Gast) hier war und Fritz sich so apathisch verhielt, mache ich mir immer mehr Sorge. Sage ich mir auch, dass zwei andere Menschen durch Lieschen (dochter) und Herr Köselitz zu viel waren, so sage ich mir aber auch, dass ich vielleicht in meinen Ansprüchen an seinen Geist immer bescheidener geworden bin, vielleicht auch durch den damaligen Binswangerschen Ausspruch in der bewussten Gutachtung für das Gericht: ‘unheilbar’.‘

‘Er ist manche Tage ganz still, blättert auch da nur in den Büchern herum von jeder Seite zwei drei Worte nehmend’

We zijn inmiddels in 1891 (24 maart) wanneer Franziska haar grote zorg uitspreekt over de uitgave van deel vier van de Zarathustra. Ze schrijft dat ze een uitgave van deze tekst liever niet laat doorgaan, en dat haar broer met zijn kerkelijke meningen en gedachten daar zeker voor gaat liggen. Ze durft er zelfs geen verantwoordelijkheid voor te nemen nu ze de inhoud wat meer tot zich heeft genomen. Zus Elisabeth heeft in haar creatieve vindingrijkheid wel een oplossing en komt met de onzin dat Nietzsche het ook niet wilde uitgeven, zo zou hij haar ooit hebben toevertrouwd. Ach, was Overbeck, de theoloog, maar voogd, dan zou het onderwerp waarschijnlijk snel beslecht zijn. Maar was dat niet hetgeen waar Overbeck zichzelf voor had beschermd en gevrijwaard, wetende welk dynamiet hij in handen had? Uiteindelijk onderhandelt Elisabeth met de neef van Naumann (Naumann zelf was al niet meer in beeld voor de uitgaven van Nietzsche) over de uitgaverechten van Nietzsches werken. Naumann dient er een best bedrag van 3.500 Mark voor te betalen en er worden bedragen voor elk uit te geven oud en nieuwe te vervaardigen katern afgesproken.

De brieven geven steeds weer een nieuwe inkijk in de voortgang die helaas geen vooruitgang is. Een feuilleton waarvan helaas het einde al bekend is maar waar soms hartverwarmende zinnen instaan zoals in de brief van 29 juni 1891 waar moeder Nietzsche aan Overbeck verwoordt hoe haar Fritz zo ontzettend heeft genoten van een muziekvoorstelling: ‘denn es interessiert ihn doch jeder musikalische Ton und er kommt mir wie die Biene vor, die von der wenn auch ganz unscheinbaren Blüte doch den Honig herauszieht.’ In dezelfde brief schrijft Franziska hoe ze Friedrich weet te boeien en aan te sporen nog meer te vertellen wanneer ze zijn antwoorden die beroep doen op zijn geheugen en kennis, op papier noteert. (Deze brief sluit ze af met wat woorden over een verschrikkelijk treinongeluk waarbij internet mij even hielp en ik las over het ongeluk bij Münchenstein waarbij op 14 juni 1891 73 mensen omkwamen en 171 gewond raakten.)

Wanneer je de teksten van Nietzsche kent kun je je haast geen voorstelling maken bij omschrijvingen die zijn moeder maakt. In de brief van 30 december 1891 geeft ze Overbeck en daarmee via deze uitgave van Podach ook nu nog ons een inkijkje van een tafelscène die in zekere zin vertederend beeldend maar ook zeker ontroerend is; ‘Er ist manche Tage ganz still, blättert auch da nur in den Büchern herum von jeder Seite zwei drei Worte nehmend und betrachtet dann lange seine Hände, mit dem Ausdruck, als ob sie ihm garnicht gehörten und steckt sie meist in die Hosentaschen, was er früher  doch nie getan hat. Ich lege sie ihm in dieser Situation meist, wenn er sich auch kramphaft weigert, auf den Tisch, liebkose sie und mache ihm begreiflich, dass es seine rechte und linke Hand sei, gebe ihm bei Tische auf diese Weise den Löffel in die hand und da fängt er auch meist an damit allein zu essen.’ Inkijkjes die Franziska eigenlijk alleen aan Overbeck toevertrouwt, ‘details’ zoals zij bijvoorbeeld schrijft in het post scriptum van 31 maart 1892; ‘Der Brief mit seinen Details über das Befinden von lieben Fritz ist nur für Sie als bestem Freunde, niemand anderes erfährt solches.’

Erwin Rohde

In de zomer van 1892 wordt het besef van de onomkeerbaarheid van Nietzsches waanzin voor zijn moeder definitief. Maar eerst wil ik nog even een paar zinnen uit handen van Erwin Rohde citeren waaruit blijkt dat de waanzin vastere vormen heeft aangenomen. Hij schrijft aan Overbeck  in mei 1892: ‘Heel toevallig kwam ik Nietzsches Zarathustra IV tegen. Het is dus toch uitgegeven! Een wonderlijk, maar vaak aangrijpend boek, waarin ik overal de diepste eigen klank van een naar de afgrond verzinkende ziel hoor. Hoe hij zich zo in zijn droomwereld gewoonweg familiair inleeft – ik kan het allemaal alleen in weemoedige geschoktheid lezen. Deze ervaring, van de diepste en rijkste geest die je ontmoet hebt, in krankzinnigheid en de ontoegankelijkheid van zijn waanwereld verdwenen te weten – dat klinkt telkens weer met een onbeschrijflijk droevig stemmende doodsklokkenklank in mij op.’ En de woorden van Franziska uit de brief van 3 juli laten niets te gissen over: ‘Wie oft habe ich an Sie Lieben schreiben wollen, aber seitdem es mehr den Anschein hat, dass Prof. Binswangers Voraussage sich bewahrheitet und unseres Herzenspatienten geistiges Befinden nicht vorwärts, sondern immer mehr rückwärts geht, ist mir ein Bericht jedesmal eine Aufgabe, während ich früher mit wahrem Vergnügen an Sie darüber schrieb, immer in dem Wahne, dass es gegen die bisherigen Beschreibungen in der Anstalt so viel besser ging und doch ist alles nur Einbildung gewesen, indem eine solche Krankheit, wenn auch langsam, aber doch seinen geistvernichtenden Weg geht, was das geübte ärztliche Auge natürlich gleich erkannt hat, was ich nun leider zugeben muss.’ Ga er maar aan staan, deze grond die onder je voeten wegzakt.

Nietzsche zakt zelf ook steeds verder weg en brabbelt er soms kinderlijk op los wanneer hij bijvoorbeeld herhaaldelijk slecht articulerend zegt ‘ich bebe keine Pferde’ in plaats van ‘ich liebe keine Pferde’. Af en toe is er nog een sprankje hoop, bijvoorbeeld wanneer een brief arriveert van ene ‘Frau d’Albert bei Konstanz’ die naast een diepe verering voor het werk van Nietzsche ook de mogelijke genezing uitspreekt aangezien zij zelf ook aan een geestesziekte heeft geleden en door de broer van Prof. Binswanger weer is genezen. Over deze naïviteit kunnen we ons terugkijkend alleen maar verbazen maar we moeten niet vergeten dat we over gebeurtenissen praten die bijna anderhalve eeuw achter ons liggen. Hoe zou het – dit tijdsbestek extrapolerend – op dit vlak in de toekomst zijn? Wanneer we op de helft van de 22e eeuw ons bijvoorbeeld kunnen verbazen over de aanpak van geestesziekten via iets als ‘therapie’ in de 20e en 21e eeuw…

Franziska vertelt Franz Overbeck dat ze noodgedwongen andere wandeltijden moet aanhouden aangezien Fritz er de vreemde gewoonte op na houdt vreemd te brabbelen, luid te praten en zelfs te schreeuwen. Aanvankelijk weet ze het te maskeren door een gedichtje uit te spreken dat hem dan wat kalmte geeft, maar ook dat middel blijkt uit een brief van juni 1893, is niet meer toereikend. Eind 1893 weet ze te melden hoe Nietzsche de grote Kerstboom (hij wil de boom het liefst zo groot mogelijk) bewondert en het zelfs ‘das schönste im ganzen Hause’ noemt.

‘Lies es nicht Mutterchen, es ist von einem ganz anderen Standpunkt aus geschrieben’.

Hierna krijgt de correspondentie een lagere frequentie. Op 11 oktober 1894, vier dagen voor Nietzsches 50everjaardag, krijgt Overbeck ook weer een lange brief uit Naumburg. Zorgen en ergernissen over het ophanden zijnde Nietzsche Archiv waar de definitief teruggekeerde zus zich mee bezighoudt, worden afgewisseld met huiselijke mededelingen zoals een dankwoord aan Alwine die al 17 jaar het huishouden mee bestiert, het baden en het wrijven dat de zoon die inmiddels ook steeds vaker patiënt heet, kalmeert. Met betrekking tot de boeken van haar waanzinnige zoon klimt ze op Oudejaarsdag 1894 nog een keer in de pen wanneer ze midden in haar brief aan Overbeck schrijft; (…) ‘ich finde, dass man im achten Band den schrecklichen Antichrist und mehrere Gedichte weglassen konnte, ich empfinde darüber bitteren Kummer: hat er doch schon mehr als genug darüber in seinen Werken gesagt und ich begreife jetzt doppelt seine Worte: ‘Lies es nicht Mutterchen, es ist von einem ganz anderen Standpunkt aus geschrieben’.’

Friedrich Nietzsche op de veranda

In een brief van 28 maart 1895 spreekt ze nog een keer haar hoop uit dat Franz en Ida Overbeck haar en haar zoon nog eens komen opzoeken in Naumburg, wetende dat de Overbecks liever niet de dochter en zus Elisabeth willen ontmoeten. Misschien moeten zij deze oude moeder ook nog wel bijstaan, de enige opvoedster aangezien Fritz en Liesbeth al op drie- respectievelijk vijfjarige leeftijd hun vader moesten gaan missen? Het archief in Weimar wordt via een constructie waar de creativiteit van zusterlief heeft bijgedragen, gefinancierd met gelden die eigenlijk voor andere doelen was bedacht zoals een toekomstige verpleging wanneer moeder er niet meer zou zijn en haar zoon nog vele jaren zou doorleven. Bovendien kan Elisabeth niet met geld omgaan en geeft het de inmiddels oud geworden moeder een dagelijkse bron van zorg. Ze sleept zich door de zware maanden en weet zich gesterkt door de woorden van Professor Binswanger die ze meerdere keren aanhaalt: ‘Die Liebe der Mutter hat der Krankheit die Spitze abgebrochen.’

De intervallen worden nog groter, van december 1896 in één sprong naar begin april 1897. Deze brief zal haar laatste aan Overbeck worden. Op de 20e van die maand overlijdt ze na een kort ziektebed en komt er een einde aan een verzameling brieven die een waardevolle inkijk geven in de zeven Naumburger jaren die Nietzsche met zijn moeder doorbracht. Een liefdevoller tijdsdocument kun je je haast niet voorstellen. Deze gelovige en Christelijke vrouw verzorgt haar geestelijk ziek geworden zoon die zijn hele filosofische leven voor een groot deel gewijd heeft aan het met groot elan bestrijden van zovele Christelijke waarden, deze in volledig ander perspectief heeft benaderd en ondertussen als een kind de grote Kerstboom in het huis aan de Weingarten in Naumburg bewondert…

 

Menno ter Braak

Menno ter Braak, de grote essayist van de jaren dertig en bewonderaar van Friedrich Nietzsche, schreef op 20 oktober 1937 een kort stuk over het boek van Erich Podach. Ik neem het hier integraal inclusief de oude spellingen over met dank aan het Menno ter Braak archief:

Binnenkort zal Erich F. Podach in een boek ‘Der Kranke Nietzsche’ een volledige publicatie brengen van de brieven van Nietzsches moeder aan Franz von Overbeck, die zij tusschen 1889 en 1897 (het jaar van haar dood) geschreven heeft.

Mass und Wert, het nieuwe tijdschrift voor vrije Duitsche cultuur onder leiding van Thomas Mann, brengt nu in de tweede aflevering een selectie uit deze correspondentie, die een bizonder ontroerend beeld geeft van de sympathieke moederfiguur in haar verhouding tot den gevallen titaan. Reeds op deze enkele brieven afgaande, mag men wel constateeren, dat de moeder een veel spontaner, natuurlijker gevoel beeft gehad jegens Nietzsche dan de pretentieuze Elisabeth Förster – Nietzsche met haar eerzucht om den broeder te annexeeren voor haar moraalprincipes en rancunes. De brieven van de moeder zijn daarom zoo ontroerend, omdat zij een voorbeeld geven van werkelijke (zeldzame) zelfverloochening; deze vrouw heeft geen ander levensdoel meer dan haar ‘Herzenskind’ te verzorgen, ook als langzamerhand de hoop op herstel verdwijnt en de trieste werkelijkheid van de absolute ongeneeslijkheid tot haar doordringt.

Eerst is zij vol hoop; ieder teeken van beterschap vervult haar met vreugde; zooals dat meer gaat is zij een weinig in oppositie tegen de wreede doktoren; een simpel Godsgeloof (hetzelfde, dat Nietzsche, met den hamer philosopheerend, vernietigde), helpt haar om aan het herstel te blijven gelooven. Zij is een beetje boos op prof. Binswanger, die de geschriften van Nietzsche qualificeert als ‘Schöngeisterschriften’ en geen tijd heeft om die te lezen. Zij verheugt zich erover, dat de symptomen van hoogmoedswaanzin langzamerhand afnemen en dat Nietzsche zich in gezelschap soms zoo goed gedraagt. Aanvankelijk heeft Nietzsche nl. zijn geheugen nog voor een deel tot zijn beschikking; ‘er erinnert sich an alles, was er erlebt hat oder gelesen, und geht mit viel Verstand und Urteil auf jede Einwendung und Bemerkung meinerseits ein.’ Hij phantaseert nog op de piano en weet nog over Italiaansche muziekprogramma’s te vertellen; zelfs de ‘Meistersinger’ speelt hij; ‘da heisst es schliessen und auf die Veranda und vorlesen, denn Wagnersche Sachen lass ich ihn gleich gar nicht spielen.’

Maar langzamerhand, in 1892, verdwijnen ook deze laatste opflikkeringen van Europa’s grootste intelligentie. Nietzsche speelt met vijf portemonnaies; als hij op de wandeling iemand ontmoet, moet zijn moeder hem vermanen ‘sein hübsches ernstes Professorengesicht zu machen’; hij herhaalt stereotiepe zinnen: ‘Ich bin tot weil ich dumm bin’. En de schrijfster van deze brieven moet bekennen, dat de wreede artsen gelijk hadden; haar eenige troost is nog het kind, dat weer kind geworden is, en zegt: ‘Meine Mutter. Du hast einde gute Sache in Deinen Augen’.