Archief van
Categorie: Geïnspireerde schrijvers

Louis Couperus en Friedrich Nietzsche

Louis Couperus en Friedrich Nietzsche

Eerlijk is eerlijk, de dikke biografie over Louis Couperus die als een forse baksteen in je hand ligt en in 2016 bij Prometheus uitkwam, is volledig aan mijn aandacht ontsnapt. En dat terwijl de 50 zilverkleurige banden ‘Volledige Werken’ van Uitgeverij Veen én de 12 delen ‘Verzamelde Werken’ van Uitgeverij Van Oorschot al jaren gebroederlijk in de boekenkast van deze Couperus liefhebber staan. De ongelooflijke prestatie van Rémon van Gemeren om leven en werk van Couperus zo gedetailleerd weer te geven verdient veel respect. Af en toe presenteert hij zichzelf als een ware Couperiaan door in mooie volzinnen specifieke facetten uit het leven van Couperus te beschrijven, al zijn er op enkele plekken wat woorden aan de ongetwijfeld strenge pen van de corrector ontsnapt.

Bij intellectuele tijdgenoten of kunstbeoefenaars uit de decennia rond het leven van Friedrich Nietzsche staan mijn zintuigen altijd op scherp en leert een kort onderzoek dat ik daarin niet de enige ben. Een deskundige op het vlak van Couperus in het algemeen en de link naar Nietzsche in het bijzonder is namelijk bij uitstek Maarten Klein. Uit zijn hand komt bijvoorbeeld ‘Noodlot en wederkeer. De betekenis van de filosofie in het werk van Louis Couperus’ uit 2000. In 2006, een jaar voor zijn afscheid aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, was een van zijn tien hoorcolleges ‘Couperus en Nietzsche (Dionyzos)’, net als door Couperus met een ‘z’ geschreven. Klein is uiteraard en niet voor niets verbonden aan het Couperus genootschap (zie de link onderaan dit artikel).

En hoe zit het met Nietzsche in de biografie van Rémon van Gemeren? Al redelijk voorin, op pagina 11 van de 958 (inclusief noten en register) die het boek telt, lopen we tegen een verwijzing naar Nietzsche aan. Die verwijzing past dan ook in de context van de alinea waarin van Gemert zichzelf de vraagt stelt waarom hij überhaupt een biografie van een romancier zou moeten schrijven. De introspectie staat als een huis, ik citeer; ‘Omdat hij veronderstelt dat zijn beeld van de romancier, de werkelijkheid zoals hij die (grotendeels) baseert op diens werken van fictie, kan lijken op ‘de’ werkelijkheid rondom degene door wie hij gefascineerd is. Evengoed is er een beeld, een hoogstpersoonlijk door de biograaf geschapen beeld dat, hopelijk, een nieuw licht werpt op een kunstenaar en ertoe aanzet, met goedkeuring of afkeuring, op een andere manier te kijken naar een mens die altijd achter zijn werk en de tijd verborgen zal blijven. Elk beeld is een eigen werkelijkheid en elk beeld heeft zijn eigen waarde. Wie, zoals Friedrich Nietzsche uiteindelijk, een ontwaarding van alle waarden voorstaat, hoeft een biografie niet ongeschreven of ongelezen te laten, maar zal, zoals de Duitse filosoof in de laatste periode voor zijn mentale instorting, moeten blijven zoeken, naar oplossingen, naar nieuwe waarden, met de erkenning dat het toekennen van waarden onvermijdelijk is, hoe graag je je ook  aan de beperkingen van bronnen, van taal, van je eigen intellect, kortom van de waarheid, zou willen onttrekken.’ Het heeft er soms de schijn van dat van Gemeren zich op voorhand indekt voor een kritiek die zijn eigen subjectiviteit als biograaf zou willen aanvallen. Het geeft evenwel ook de invalshoek weer die je veelvuldig in deze verder prachtige biografie tegenkomt, en dat is de beschouwende kijk waarmee deze verteller de grote verteller Couperus afstoft en uit de kamer haalt waar het licht steeds meer gedoofd leek te zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan de vele werken van Couperus die je aangeboden ziet op het internet. Maar niet getreurd, Couperus (her)lezen betekent elke keer weer nieuwe details en lagen ontdekken, het geheim van de ware en grote verhalenverteller.

Een van de terugkomende thema’s in het werk van Couperus is het determinisme, het noodlot, het fatum, de grote Voorzienigheid. Couperus, een man gevoelig voor grotere en onzichtbare krachten, heeft waarschijnlijk al op jonge leeftijd een verbinding met andere filosofische denkers gemaakt. Van Gemeren noemt ze bij naam; Kant, volgens wie we de werkelijkheid ervaren als gedetermineerd, Schopenhauer die zei dat de werkelijkheid – en dus ook elk mens – gedetermineerd is, of Nietzsche, die het determinisme bestempelde als een zienswijze: we zien de werkelijkheid zoals we haar willen zien. De bespiegeling over dit trio is dan wat simpel neergezet, de strekking is duidelijk dat Couperus in ‘gevecht’ was met een voorvoeld leven en de levensvragen naast de theosofie en esoterie ook bij de filosofie neerlegde. Eline uit ‘Eline Vere’ was misschien wel een van de draagsters van deze vragen en werd voorzien van een Nietzscheaanse kijk op een deterministische werkelijkheid.

Refererend aan de Tachtigers die zoals we veelvuldig in de biografie kunnen lezen, zich wat distantieerden van Couperus, maar ook aan ‘Tonio Kröger’ van Thomas Mann, beschrijft van Gemeren het brede perspectief waarin de verhouding tussen kunst en burger, kunst en wetenschap en kunst en liefde kan bestaan. Het zijn de tegenpolen die Couperus in zijn leven veelvuldig tegenkwam en die ook in zijn vele werken terug te vinden zijn; het geestelijke en het materiële, het symbolische kapitaal en de economische equivalent. Hoe tijdloos, nu we ruim een eeuw later weer in diezelfde zandbak zitten te spelen en de zoektocht naar levensvervulling voorbij de ‘homo economicus’ gaat en steeds meer een weg lijkt in te slaan buiten de economische motieven. Couperus laafde zich echter toch ook graag aan een zienswijze die erg veel aan die van Nietzsche doet denken wanneer het over de kunst als fenomeen an sich gaat. En dat is de onmisbare waarde van de kunst omdat ze ons inzicht geeft in de menselijke existentie. En hoe doet de kunst dat? Gewoon door in een direct contact met onze levenservaringen te staan. Couperus kleurde die kleurplaat waar kunst en leven elkaar wisten te vinden, in zijn werken anders in dan Tachtigers als Kloos, Gorter, van Eeden, Verwey, Perk en van Deysel in hun meer naturalistische (lees ook impressionistische) aanvliegroute pleegden te doen.

Op totaal ander vlak noemt van Gemeren in deze biografie Nietzsche opnieuw; het is de plek van seksualiteit in het leven van zowel Nietzsche als Couperus. De behoefte eraan is bij beide heren nogal in duistere nevelen gehuld. Couperus was een man van absolute reinheid en smetvrees (zowel fysiek als mentaal). Was seksualiteit voor hem iets ordinairs en onhygiënisch? Het oplopen van syfilis zoals Schubert, Schumann maar ook Baudelaire en….Friedrich Nietzsche, was voor de preutse Couperus wellicht een schrikbeeld. Hij bleef er, ook vanuit zijn homo-erotische geaardheid, uiterst voorzichtig door en regelmatig geplaagd door de angst iets te kunnen oplopen. Hoe dan ook, het blijft ook voor de biograaf, iets speculatiefs waar hij de veel besproken syfilis van Nietzsche niet onvermeld laat. Zonder die vergelijking was de biografie overigens net zo goed uitgebreid genoeg geweest.

In ‘Extaze (een boek van geluk)’ uit 1892 komt Nietzsche weer even kort in beeld. De verbinding is Ralph Waldo Emerson, de Amerikaanse denker uit de 19e eeuw (1803-1882) en vriend c.q. inspiratiebron voor Thoreau die met zijn werk “Walden’ momenteel weer veel in de belangstelling staat nu duurzaamheid hoog op de internationale agenda’s staat. Emerson dus, die in het zielsleven van de mens de ondeelbaarheid van dualiteiten als liefde en leed, goed en kwaad, geluk en verdriet onderstreepte. Nietzsche las ook werk van deze Emerson en daar lijkt dus een verbinding te ontstaan tussen de Nederlandse romanschrijver en de Duitse denker. In de woorden van van Gemeren: ‘Er is een noodlot, en dat dringt zich op wanneer in de gegeven situatie (met de invloed van erfelijkheid en omstandigheden) er aan de andere kant van de weegschaal geen ruimte, geen vrijheid is die een evenwicht teweegbrengt.’ Een evenwicht dat de hoofdpersoon Taco uit Extaze (onstuimig beest en zachte ziel) niet weet te vinden. Hier dringt zich een vergelijking met Dionysos en Apollo aan ons op. Maar wat las Couperus dan van Nietzsche  vraag je je af?

Wanneer Couperus vanuit zijn diepe gevoel voor het mystieke component in het leven, ook op zijn beurt de strijd met God, of zelfs met de Goden, aan moet gaan, komt de biograaf via ‘La tentation de Saint Antoine’ van Flaubert via Derrida en Foucault ook weer bij Nietzsche uit. Het is de totale dehumanisering van een God die, in tegenstelling tot de voorstelling bij vele gelovigen en kerkelijke instituten, een menselijk gezicht heeft door toedoen van een eigen voorstelling die -nooit en te nimmer bewijsbaar- waarheidsgetrouw kan zijn. In de bewerking van Couperus krijgt Antonius het relatieve karakter van God (of meerdere goden) voorgeschoteld. Het Christendom is niet de werkelijkheid maar een voorstelling van een voorstelling, de aanzuigende werking die de religie in zich heeft omdat het gevoed wordt door ‘stervende beelden van een oudere wereld, gevormd door het zwakke licht dat zij projecteerde op de stille grijze schaduwen van een wereld in wording’ (Foucault). Het rijtje Nietzsche-Foucault-Derrida is gauw gemaakt maar de lijn naar Couperus is verrassend voor mij. Nietzsche had God als projectie al geopenbaard; religie die in de kern een uiting van dankbaarheid was, dankbaar voor de deugden die God aan de mens had gegeven en het voorbeeld dat de voorgestelde God aan de onvoorwaardelijk gelovige gaf…

In een logische en chronologische volgorde komt Nietzsche voorbij in elementen van de gedaante Othomar uit de roman ‘Wereldvrede’, een roman die in essentie over het gevaar van illusies handelt. Een thema dat Couperus koesterde. In hoeverre was Couperus wanneer je maar diep genoeg graaft bij zijn diepste zielenroerselen, vanuit die hang naar de illusie ook een nihilist? De verteller pur sang die illusies in veel van zijn werken een centrale plek gaf, was in de zin van Nietzsche, een nihilist die wist dat fantasie en kunst het leven een illusionair karakter geven. Othomar verbeeldt deze nihilistische inslag van Couperus zelf, de mens die zich maar beter vasthield aan de illusie om zichzelf in de vaak ongure wereld overeind te kunnen houden.

Rond de eeuwwisseling schrijft Couperus in Nice aan de korte roman ‘Babel’. Een verhaal dat ontstaat uit de aanschouwing door Couperus van de hardwerkende arbeiders in Nice die op een bouwplaats zwaar werk verrichten. Hij heeft met hen te doen. De roman heeft daarmee als fundament een vorm van medelijden dat Couperus voelde bij de zwakkere. Volgens biograaf van Gemeren druist deze socialistische gedachte in tegen de toen omstreden opvatting van Nietzsche ‘dat de van zichzelf sterkere heersers hun macht moeten behouden en alle van nature zwakkeren overheerst moeten blijven en geen enkele mededogen verdienen.’ Is van Gemeren hier even statisch in zijn interpretatie als menig Nietzsche lezer die een aardse inkleuring van Nietzsches gedachten uitvoert?

In ‘De boeken der kleine zielen’, een van Couperus’ bekendere werken, legt biograaf van Gemeren een mooie lijn van hoofdpersoon Addy naar enkele gedachten van Nietzsche die hij put uit de biografie ‘Nietzsche’ van zijn mede-biograaf Rüdiger Safranski. Het zijn gedachten over de Übermensch die met zijn wil tot macht in de eerste plaats macht over zichzelf wil hebben maar bovendien boven zichzelf wil uitstijgen door zijn verbeelding te gebruiken en zijn deugden te koesteren. Over het biologisch telen van een ‘hoger ras’ dat Nietzsche zou willen, haalt van Gemeren teksten van Solange Leibovici van stal. Ik ben nog steeds zoekende naar deze tekst.

Voortbordurend op bovenstaande citeer ik uit hoofdstuk 7: ‘Couperus laat helder zien dat een partnerkeuze op genetische gronden moeilijk of onmogelijk is, en dat een middenweg, een ‘middenproduct’ als Addy, misschien wel de voorkeur heeft. De twintigste-eeuwse mens kan proberen een zuiver ras te creëren of juist reiken naar een hoger geestelijke waarheid, maar is, zoals Addy, niet in staat allerlei psychische problemen (…) te ontstijgen. Nietzsche zelf voelde al aan, na de door hem verklaarde dood van God en alle andere bovennatuurlijke machten, dat zijn Übermensch niet zomaar zou triomferen door eindelijk de ‘ware’ waarheid te vinden, en, zoals Rüdiger Safranski het formuleerde, ‘dat we niet meer over een waarheid beschikken, dat we misschien moeten erkennen dat het de wil tot macht is die uit het materiaal van de ervaring iets formuleert dat we vervolgens ‘waarheid’ noemen. Alles is interpretatie, alles is afgeleid van ons eigen standpunt van waaruit we de werkelijkheid bezien. Ik zekere zin zit je dan vast, en dat is wat Addy ontdekt.’

Hoofdstuk 8 van de zware baksteen heeft als titel ‘Halfgetinte ziel’ en handelt over de jaren 1903-1905. Het werk ‘Dionyzos’ krijgt het levenslicht en de associatie met Nietzsche is door de titel sterk aanwezig. Ik heb in de biografie overigens nergens een tekst of uitleg kunnen ontdekken die iets naders vertelt over de kennis van Couperus over de werken van Nietzsche. Vanuit de rol als biograaf licht van Gemeren de lezer in het kort de Dionysos-Apollo gedachte van Nietzsche toe. Hoe deze het dionysische in de kunst en dan met name in de muziek vond die ‘van onvergelijkbare waarde was doordat zij de waarneembare wereld oversteeg en zo tot de kern van onze drijfveren en emoties doordrong, dieper dan enig andere kunstvorm.’  De grote verbondenheid van Nietzsche met Wagner en zijn latere afkeer van Wagners’ antisemitisme, bleek voor Couperus geen reden te zijn voor enige afkeur, integendeel, hij hield van Wagner en gaf enkele hoofdrollen (Eline Vere, Eva Eldersma en Paul van Lowe) de liefde voor de muziek van Wagner mee. De lezer krijgt een redelijk uitvoerige uitleg over het dionysische en apollinische als ook de zienswijze van Nietzsche op de oude Griekse mythologie. Dionyzos wil zich, evenals Nietzsche (aldus van Gemeren) overgeven aan het dionysische; ‘de droom mag de enige waarheid zijn, maar deze apollinische opvatting kan alleen in de praktijk gebracht worden in de kortstondige donkere dronkenschap. Alleen dan wordt de waarheid gevonden, of beter gezegd, ervaren. Wat zit, op enkele gelukzalige momenten na, in de weg? De weemoed, die Dionyzos ruw ontnuchtert en mede opwelt door de gevaarlijke, gewelddadige kant van de roes. In feite is het zijn karakter, of, abstracter, het noodlot. Zo bezien voegt Couperus een uiterst kenmerkend element toe aan de filosofie van Nietzsche: de onmacht om in een samengaan van het apollinische en het dionysische, hetzij in de kunst, hetzij in het alledaagse leven, de waarheid vast te grijpen en vast te houden.’ Is hier sprake van een kleine ‘hineininterpretierung’; is het wellicht ook een gedachte van de biograaf zélf die Couperus deze toevoeging toedicht? Want eerlijk is eerlijk, de roes en de kater zijn vluchtig en laten zich moeilijk vangen in tijdsmomenten.

In het derde deel arriveert Couperus begin juli in Bagni di Lucca. Daar ontstaat ‘Aan den weg der vreugde’ (wanneer verschijnen er weer boeken met titels als deze?), waarin als vaker in het werk van Couperus, het zwakke en ziekelijke tegenover het sterke en gezonde staat. Aldo en Emilie zijn de verbeeldingen van een Dionysos en een Apollo. Couperus zet het noordelijke en het zuidelijke karakter als tegenpolen tegenover elkaar waarbij Nietzsche als het ware tussen de regels door zweeft. Van Gemeren noemt Nietzsche zelfs concreet door te veronderstellen dat een persoon die in de roman ‘iets bovenmenschelijks uitstraalt’, zeer sterk aan Nietzsche doet denken.

‘Wij hebben de kunst om niet aan de waarheid te hoeven sterven’

 

Hoeveel ‘Nietzsche’ is achteraf in ‘Couperus’ te ontdekken, nu terugkijkend op ontstaan en inhoud van diens werken? Of een betere vraag die eraan voorafgaat; hoeveel filosofie is in de werken van Couperus terug te vinden? Ik moet samen met van Gemeren (en wellicht ook met Klein) vaststellen dat Couperus achter de zinnen die soms van een Haagsche betutteling lijken te getuigen, een diepere levensbeschouwelijke boodschap verscholen ligt. Niet alleen filosofisch maar ook psychologisch. Is dat misschien ook de reden waarom ik me al decennia tot die rare Couperus voel aangetrokken? Want is het niet onomstotelijk terug te vinden in zijn werken dat de kunst de schil voor onze kwetsbaarheid, de eeltlaag van onze ziel is? Die ons laat inzien dat we geen overdosis waarheid tot ons moeten nemen of zoals de door van Gemeren geciteerde Patricia de Martelaere zo prachtig is verwoord: ‘Wij hebben de kunst, om niet aan de waarheid te moeten sterven. Want de waarheid, de éne, eeuwige en onvergankelijke waarheid die zich beloftevol achter alle dingen schuilhoudt, is, dat er geen waarheid is, dat achter alle dingen slechts de leegte ligt en dat alles wat wij ooit van de wereld menen te begrijpen niet meer dan een leugen is om ons het leven draaglijker te maken.’

In een voorzichtige poging Couperus te kunnen plaatsen in een bepaalde visie op de wereld en de werkelijkheid, noemt van Gemeren het ‘tragisch humanisme’ zoals dat door Jos de Mul werd genoemd. De mens staat centraal in het universum maar hij is niet vrij en autonoom omdat hij kwetsbaar is. Die breekbaarheid noopt hem tot cultureel bezig zijn, een drang tot meer dan alleen voortplanten, de natuur naar onze hand te zetten. Een egocentriciteit die in de laatste jaren zijn vruchten afgeeft nu de aarde langzaamaan zijn eigen spelregels openbaart. En inderdaad, aan de gedachte van het onontkoombare niet-dier zijn,  zijn Darwin, Descartes, Freud en Nietzsche de huidige denkers al vooruit gegaan. We zijn fragiel, nu, in de toekomst en ook in de boeken van Couperus. Onze sterfelijkheid verhoogt ons bewustzijn om het leven hier en nu intensief proberen te leven. Dat besef loopt in de werken van Couperus als een rode draad, als conclusie aangezien het noodlot niet op zich laat wachten. Daarin was Couperus de predikers van het ‘leef in het hier en nu’ al een eeuw vooruit. Zijn aanduidingen waren vaag maar wel vaak; ‘het’, ‘iets’, ‘dat’, ‘het Ding’, ‘weten’, ‘voelen’ en tal van andere meer symbolisch weergegeven begrippen. En buiten dat gegeven was Couperus geen man van de definitieve ondergang en einde. Nee, hij had een sterkere verbinding met gedachtes die over iets van een voortdurende verandering spraken. Geen ondergang van een ‘zijn’ maar een continu worden dat zich steeds van zijn schil ontdoet. In dat basisvertrouwen komt ‘die ewige Wiederkehr’ van Nietzsche onmiskenbaar sterk in beeld. Dat ‘Ding’, het noodlot, die slinger van het continuüm, het blijft Couperus intrigeren. De vragen rondom wilsvrijheid en onvrijheid blijven rond Couperus dwarrelen. Het noodlot is een factor die ervoor zorgt dat we maar in zeer beperkte mate in staat zijn vorm en richting te geven aan ons leven. Er is enige vrijheid maar onze wijze van handelen zorgt er ook voor dat we maar weinig van die vrijheid weten te benutten. Couperus eindigt aan het einde van zijn leven (o.a. voelbaar in zijn ‘Japanse verhalen’) dan ook met de vaststelling dat we eigenlijk hopeloze wezens zijn, die een leven lang lopen te zoeken en te dolen en ondanks dat doen we het zo slecht nog niet. We weten domweg niet wat we moeten doen met ons leven zolang er geen richtinggevende almacht is die ons zegt hoe te leven. Ik stel als zo vaak weer dezelfde vraag; hoe Nietzscheaans wilt u het hebben?

‘De goden hebben aan het einde medelijden met ons gehad!’

 

De afsluiting uit ‘Ongebundeld werk’ dat Rémon van Gemeren heeft gebruikt alvorens zijn eigen herkenbare bespiegeling in Siena van 2015 te verwoorden, is te mooi om hier niet ook als afsluiter te tonen: ‘Wat ik echter niet bewonder in ons, dwaas en onzinnig levende menschen, is dit: wij kunnen toch nog, niettegenstaande de ijlende dagen en nachten, de snelle uren, de wegtikkende minuten, die ons geen tijd eigenlijk laten alle onze gecompliceerde plichten en behoeften te vervullen naar ook maar eenigszins waardeerbare vereischten – of is u tevreden met uzelven?? – gelukkig zijn. Waarachtig, wij dwazen en onzinnigen, wij, die niet weten waarom wij leven, waarom wij geboren werden of sterven, wij kunnen tòch nog – o, al is het maar in de schaduw van een seconde – gelukkig zijn. Wij hebben in ons gekregen iets heel vreemds, nog vreemder dàt vreemde dan ons geheele, onzinnige leven, en dat vreemde is niet anders dan een stille glimlach om alles wat wij doen en zijn, en een zacht glanzende vonk die wij liefde noemen en die liefde kan toe naar een ander, of naar ons zelven, naar de natuur of naar de kunst, die haar weêrbootst, naar een ster of een vrouw, ja zelfs wel eens heel sterk alleen naar een lichtwisseling of een tintenspel, en deze liefde naar wie of wien ook, dat voor ons of in ons schittert en schemert, veroorzaakt – dit is wel het àllervreemdste van ons vreemde zijn en wezen – dat wij somtijds gelukkig zijn! De goden hebben aan het einde medelijden met ons gehad!

Zie verder over Couperus: www.louiscouperus.nl